Conclusie
conditio sine qua nonworden gedacht; de schade is immers, volgens diezelfde r.o. 16, niet
toerekenbaarveroorzaakt door de litigieuze bejegening van [eiser] door [betrokkene 1] en “Ziekenzorg”, welke bejegening [eiser] – naar in r.o. 15 wordt vastgesteld – geheel althans in hoofdzaak in het tijdvak van 14 april 1966 tot 11 maart 1967 heeft ondervonden. Voor de goede orde wijs ik er op dat een juridische, d.w.z. aansprakelijkheid vestigende, oorzaak niet altijd een conditio sine qua non behoeft te zijn: vergelijke J. van Schellen, “Juridische causaliteit” (diss. 1972), hoofdstuk II par. 1, en vooral: A.M. Honoré in “International encyclopedia of comparative law”, vol. XI, chapter 7, p. 76-90. Het Hof heeft in r.o. 16 in het midden gelaten of het door [eiser] gestelde psychische trauma een plaats heeft in de conditio sine qua non-keten, maar wel de toerekening van de schade – al dan niet via een tussenschakel – aan de aan [betrokkene 1] en “Ziekenzorg” verweten gedragingen afgewezen. Naar ik meen heeft het Hof in r.o. 16 tot uiting willen brengen, dat de (meer dan een jaar later intredende) schade behoort te worden toegerekend aan de in r.o. 15 (2e en volgende “dats”) vermelde feiten en omstandigheden, die gesitueerd moeten worden in bedoeld tijdvak van (ruim) een jaar, tussen 11 maart 1967 en 12 mei 1968, en kunnen worden samengevat als volgt; de voortdurende druk van de deerniswekkende toestand van [eiser] ’ dochter en de moeilijkheden met zijn werkgeefster.
rechtsvraag, “die beantwoord moet worden aan de hand van objectieve factoren als de aard van de aansprakelijkheid en van de schade” (de M.v.A. laat hier op volgen: “In dat kader zal ook wat naar objectief inzicht voorzienbaar of waarschijnlijk was een rol kunnen blijven spelen”). Niet geheel zeker is of het toerekeningscriterium betrekking heeft op zowel het intreden als op de omvang van de schade. A.S. Hartkamp, “Compendium van het vermogensrecht volgens het nieuwe BW” (1977), p. 198, beantwoordt deze vraag, in aansluiting op genoemde M.v.A., in bevestigende zin; in dezelfde geest de reeds genoemde conclusie OM voor HR 1 juli 1977, NJ 1977, 340, p. 1123; vergelijke echter “Onrechtmatige daad” I nr. 315a onder c, en Van Schellen, a.w., p. 132-133. Ook laatstgenoemde auteur, p. 32, verwijzend naar Kösters bekende rede en naar Bloembergens dissertatie, pleit voor toetsing in cassatie van het juridische causaliteitsbegrip. Deze opvatting leidt tot een door Brunner (VR 1977 p. 62, noot onder HR 3 december 1976 voornoemd) onjuist geoordeeld splitsing tussen “een feitelijk conditio sine qua non-verband enerzijds en een daarop berustend juridisch-normatief causaliteitsoordeel”, althans wanneer men uitgaat van de genoemde arresten inzake het feitelijke karakter van de conditio sine qua non-vraag. Zie over dit punt ook: G.H.A. Schut, WPNR nr. 5326 (jaargang 1975) p. 815; Van Schellen, diss. p. 34 en 127-128.
ade schade was geen redelijkerwijze te verwachten gevolg;
bde schade was geen typisch of karakteristiek, maar een “uitzonderlijk” gevolg;
cde schade staat in een te ver verwijderd verband met de gedragingen;
dde schade is pas ruim een jaar na die gedragingen ingetreden en moet worden toegerekend aan twee in dat tijdvak werkzame factoren (vgl. HR 21 maart 1975, NJ 1975, 372 m.n. G.J.S., AA 1976 p. 54 m.n. G. en VR 1975 nr. 85 m.n. Brunner), nl. de voortdurende druk van de toestand van de patiënte en de moeilijkheden met de werkgeefster. Het komt mij voor dat deze beslissingen zodanig zijn verweven met waarderingen van feitelijke aspecten, dat cassatiecontrole slechts marginaal kan zijn; vergelijke HR 20 maart 1970, NJ 1970, 251 (G.J.S.) eerder genoemd. Ik ontveins mij niet, dat Uw Raad enkele malen zelfstandig een toerekeningsoordeel heeft gegeven, zo in het arrest van 19 december 1975, NJ 1976, 280 nopens bepaalde gevolgen van een verkeersongeval, in het arrest van 1 juli 1977, NJ 1978, 84 omtrent de “afhankelijkheid van de bedrijfsvoering” als oorzaak van bedrijfsschade, zie de overwegingen over onderdeel 4 van het middel en in het arrest van 9 februari 1979, NJ 1979 nr. 400 (m.n. F.H.J.M., onder 3) inzake de rol van tekortschietende revalidatiebegeleiding in verband met arbeidsongeschiktheid; in die laatste arrest was echter het bijzondere verhaalsrecht van art. 90 WAO Pro beslissend. Terugkerend naar de onderhavige zaak, ik acht het aannemelijk dat het Hof zich heeft afgevraagd welke factor of factoren wezenlijk tot het intreden van de schade heeft (hebben) bijgedragen, en toen tot de slotsom is gekomen dat de invloed van de aan [betrokkene 1] en “Ziekenzorg” verweten gedragingen mede gelet op het nadien verstreken tijdvak, te verwaarlozen is bij de toerekening. Anders dan in de zaak van de “ziekelijke hartafwijking” (HR 21 maart 1975 eerder genoemd) kan in de onderhavige zaak niet worden volgehouden, dat van algemene bekendheid is dat onrechtmatige bejegeningen door medici van derden (niet-patiënten) herhaaldelijk gevolgd worden door instorting van de bejegenden en dat daarom een medicus met een dergelijke afloop rekening behoort te houden; de schade was in casu niet adequaat veroorzaakt door de onrechtmatige gedragingen. Wat de beide door het Hof als oorzaak beschouwde factoren betreft, de voortdurende druk van de toestand van [eiser] dochter en de moeilijkheden met zijn werkgeefster, die liggen, als ik het goed zie, ook in ’s Hofs gedachtengang eerder in de risicosfeer van [eiser] dan in die van [betrokkene 1] en “Ziekenzorg”. Naar Ik meen heeft het Hof ten deze niet blijk gegeven van onjuiste rechtsopvattingen en kon het dan ook, zonder schending van enige rechtsregel, tot de onder
atot en met
dweergegeven beslissingen en het daarop gebaseerde toerekeningsoordeel komen. Voorts is de motivering van het Hof m.i. niet onduidelijk of anderszins gebrekkig.
Onderdeel 1van
middel Iacht de toerekeningsbeslissing, die het Hof in r.o. 16 geeft, onjuist. Het onderdeel beoogt, voor zover het de constructie hanteert van algemene regel (aansprakelijkheid voor alle nadelige gevolgen) – uitzondering (bepaalde omstandigheden), kennelijk aan te haken aan de reeds genoemde arresten van 9 juni 1972 en 21 maart 1975. Uit het door mij betoogde volgt dat het onderdeel naar mijn inzicht vruchteloos is voorgesteld. Terecht heeft het Hof de causaliteitsvraag gezien als een vraag van toerekening. Het conditio sine qua non-karakter van de geïncrimineerde gedragingen doet er niet aan af dat de schade door het Hof aan twee andere, naderhand werkzame factoren is en kon worden toegerekend. Die factoren kan men, zo men wil, zien als “omstandigheden” die, in de zin van de beide laatstgenoemde arresten, een uitzondering op het aansprakelijkheidsbeginsel rechtvaardigen.
Onderdeel 2klaagt tevergeefs over gebrekkige motivering. Als gezegd is het Hof duidelijk van juiste rechtsopvattingen uitgegaan. Wat betreft de in r.o. 13 weergegeven stellingen van [eiser] , het Hof heeft volstaan, en kon ook volstaan, met beantwoording van de vraag of de schade behoort te worden toegerekend aan de aan [betrokkene 1] en “Ziekenzorg” verweten gedragingen. Welke conditiones sine qua non daarbij een rol gespeeld hebben, behoefde het Hof niet expliciet vast te stellen. Ook
onderdeel 3– dat taalkundig niet helemaal loopt – moet op het eerder betoogde afstuiten. Het Hof heeft wel ter dege bij zijn toerekeningsbeslissing betekenis kunnen toekennen aan het tijdsverloop tussen de onrechtmatige gedragingen en de schade (
a), aan de voortdurende druk van de toestand van [eiser] ’ gedecerebreerde dochter (
b) en aan de onder
c,
den
eomschreven factoren, een en ander in onderling verband genomen.
middel IIbehelst motiveringsklachten. Voor zover het steunt op onderdeel 3 van middel I, moet het het lot daarvan delen. Overigens miskent het middel dat het Hof de door [eiser] geponeerde
toerekeningsketen: geïncrimeerde gedragingen – psychisch trauma (r.o. 13) – gestelde schade, impliciet heeft verworpen in r.o. 16 en in plaats daarvan de schade heeft toegerekend aan de twee meergenoemde factoren, vermeld in r.o. 15. Daarmee is, als betoogd, niet onverenigbaar dat het Hof in het midden heeft gelaten of er een
conditio sine qua non-keten bestaat tussen bedoelde gedragingen, gemeld trauma en de schade. Voor het overige moge ik verwijzen naar het eerder opgemerkte.