Conclusie
onderdeel cvan het middel heeft betoogd, r.o. 6 van dit vonnis geen overweging ten overvloede.
onderdeel avan het voorgestelde middel klaagt de eiseres dat de Rechtbank, door in r.o. 5 uit het aldaar vastgestelde feit te doen volgen dat eiseres niet meer gerechtigd is om op de aldaar bedoelde grond ontbinding der overeenkomst te vorderen, ambtshalve, in strijd met art. 48 Rv Pro., een feitelijke weer heeft bijgebracht.
onderdeel bmeen ik mij niet te moeten orïenteren op H.R. 27 febr. 1931 (N.J. 1932, p. 81, m. P.S.), ten aanzien van welk arrest de geëerde pleiter voor de verweerder heeft aangevoerd dat de Rechtbank haar in r.o. 5 vervatte beslissing daarop kennelijk heeft gebaseerd. Bij dit arrest (inzake Uitgeversmaatschappij “Nederland” tegen […]) heeft de Hoge Raad overwogen “dat … een schuldeischer, die krachtens het bepaalde bij de artikelen 1302 en 1303 B.W. in rechten ontbinding vordert van eene wederkeerige overeenkomst op grond, dat de wederpartij niet aan zekere verplichtingen uit de overeenkomst heeft voldaan, den grondslag, waarop zijne vordering berust en de ontbondenverklaring door den rechter zou moeten worden uitgesproken, doet wegvallen, indien hij in den loop van het geding alsnog nakoming dierzelfde verplichtingen aanvaardt”.
eerste klachtvan
onderdeel bgegrond ware te achten.