Wat de eerste stelling betreft: het komt mij voor, dat het Hof op grond van de feiten in de rechtsoverwegingen 2 en 4 van zijn arrest vermeld kon oordelen, dat de overeenkomsten door eiseres in cassatie met verweerders gesloten als overeenkomsten van huur en verhuur in de zin van art. 1584 B.W. waren aan te merken, een beslissing, welke, alsmede van feitelijke aard, in cassatie niet kan worden getoetst (H.R. 26 juni 1953 N.J. 634). Bovendien lijkt de stelling mij niet houdbaar. Van bewaring in de zin van de artt. 1731 e.v. B.W. is zeker geen sprake nu niet blijkt van een “overgave” van het in-bewaring gegeven goed aan de bewaarnemer – in casu Dorvo -, noch ook van enige “macht” van de bewaarnemer over het in bewaring gegevene, terwijl tenslotte van “teruggave” niet kan worden gesproken t.a.v. een zaak waartoe alleen de “bewaargever” toegang heeft. In dit opzicht vertoont de overeenkomst waarover het hier gaat sterke gelijkenis met de safeloketovereenkomst, welke door de schrijvers algemeen als een overeenkomst van huur en verhuur wordt beschouwd (Asser – Kamphuisen 3e dr. P. 191 e.v., v. Manen, Themis 1900 p. 336, Hijmans, Huur v.e. bewaarkluisloket, diss. Leiden 1920 p. 22 e.v., M.G. de Baat, Gemengde contracten, diss. Leiden 1920 p. 210 e.v., Losecaat Vermeer bij Land V p. 490, Star Busmann bij Land V p. 144, v. Brakel II p. 282 noot 5).
Wat nu betreft de “stallingsovereenkomst”, waarvan in het eerste cassatiemiddel wordt gesproken en waarmede zoals uit de stukken blijkt de overeenkomsten ook in de daarvan opgemaakte schriftelijke contracten werden aangeduid: mij dunkt dat die term geenszins uitsluit, dat – zoals President en Hof dan ook aannamen – in wezen sprake is van huur en verhuur. Men kan zich de overeenkomst, waarbij een garagehouder aan een klant gelegenheid geeft een auto bij hem te stallen, in zeer verschillende vormen denken. Wanneer niets anders is overeengekomen, dan dat de garagehouder de auto “een” plaats zal geven in de gebouwen of op het terrein van zijn bedrijf, dan lijkt de opvatting van de Rechtbank te Haarlem (7 mei 1946 N.J. 1947 247), dat ook dan van huur en verhuur in de zin van art. 1584 B.W. sprake is, op zijn minst genomen twijfelachtig. Anders wordt het wanneer, b.v. in een garage, aan de klant een vaste plaats, welke door een nummer of door lijnen op de vloer is aangegeven, is aangewezen om zijn auto te plaatsen, en is overeengekomen, dat die plaats niet door anderen, de garagehouder inbegrepen, mag worden gebruikt. In dat geval zou ik wel van huur en verhuur willen spreken. Ik meen daarvoor steun te kunnen vinden in de opvatting van de schrijvers, dat huur en verhuur van een muur of gedeelte daarvan voor het aanbrengen van reclame mogelijk is (Asser – Kamphuisen 3e dr. p. 191 e.v., Hofman 2e dr. 1942 p. 119 e.v.; dat Uw Raad anders zou hebben beslist bij zijn arrest van 27 mei 1910 (W. 9036) is door v. Brakel (II p. 78, noot 9) naar mij voorkomt terecht bestreden). Kan men een stuk muur huren om een reclame op aan te brengen, dan is niet in te zien, waarom men niet een stuk vloer van een garage zou kunnen huren om een auto te stallen.
Gaat het ten slotte, zoals in het onderhavige geval, om een besloten, afsluitbare en afgesloten box, waarvan de “staller” de sleutel bezit en waartoe de garagehouder geen toegang heeft, dan lijkt het mij niet twijfelachtig, dat hier van huur en verhuur, immers van het verschaffen van het genot van een zaak gedurende een bepaalde tijd en tegen een bepaalde prijs, sprake is (aldus ook Asser – Kamphuisen t.a.p. en Völlmar, Huurwet, aant. 7 op art. 1). Daaraan doet niet af, dat slechts een beperkt genot van het gehuurde wordt verschaft (H.R. 28 dec. 1917 N.J. 1918 p. 159, 16 jan. 1912 W. 9317 en Hof Amsterdam 5 maart 1915 N.J. 1916 p. 987), noch ook, dat van dat genot slechts een intermitterend gebruik wordt gemaakt. Al evenmin is van betekenis, dat eiseres in cassatie ter plaatse waar zich, tussen andere boxen, de gehuurde box bevindt, alsook elders te [plaats] een garagebedrijf uitoefent, hetwelk haar in staat stelt aan huurders van boxen nog andere diensten te verlenen – dat die diensten in de onderhavige gevallen inderdaad werden verleend kan niet blijken uit de stukken, welke voor kennisneming door Uw Raad openstaan -, noch ook, dat eiseres de boxen zou verhuren als een bedrijfsmatige dienst. Dat hier sprake zou zijn van een gemengde overeenkomst, waarbij het daarin vervatte gedeelte huur en verhuur ondergeschikt zou zijn aan de andere elementen van die overeenkomst blijkt uit niets. Wanneer eiseresse behalve het verhuren van de box aan verweerders in cassatie andere diensten zou verlenen als daar zijn levering van benzine en olie, schoonmaken van de auto, reparaties e.d., dan heft dit het karakter van huur en verhuur, dat aan het tegen betaling verstrekken van het genot van de box is toe te kennen, niet op, maar betreft het daar afzonderlijke overeenkomsten, welke los staan van de eigenlijke stallingsovereenkomst. Ook op dit punt vertoont de overeenkomst van huur en verhuur van een autobox sterke overeenkomst met de loket-overeenkomst. De bank, welke safeloketten exploiteert zal gemeenlijk in de gelegenheid en bereid zijn om aan de safe-huurders ook andere diensten te verlenen als daar zijn het verzilveren van de coupons van het in het loket geborgen effecten, aan- en verkoop van effecten, het openen van een rekening-courant enz. Het verlenen van deze diensten ontneemt echter aan het tegen betaling beschikbaar stellen van een safeloket niet het karakter van huur en verhuur.
Het door eiseresse in cassatie gedaan beroep op de in het contract gebezigde termen “in stalling nemen” en “stallingskosten” heeft het Hof terecht en op goede gronden verworpen. Wanneer het Hof daarbij spreekt van de “werkelijkheid in de verhouding tussen partijen” is daarmede kennelijk bedoeld hetgeen partijen in werkelijkheid hebben bedoeld overeen te komen. Daarbij komt nog, dat, zoals hierboven reeds werd betoogd, het gebruik van de term “stalling” in enigerlei verband, de aanwezigheid van een verhouding van huur en verhuur geenszins uitsluit. Ook overigens is de motivering van ’s Hofs arrest geenszins onbegrijpelijk, noch ook innerlijk tegen-strijdig, zodat de motiveringsklacht, welke in de toelichting op het eerste middel ligt besloten, eveneens zal moeten falen.
De tweede der hierboven genoemde stellingen, waarop met name het tweede cassatiemiddel steunt, heeft deze betekenis, dat, wat in casu werd verhuurd, niet is de box als zodanig, maar het recht om daarin een auto te stallen. Ik kan de steller van het middel hierin niet volgen. Ook de huur van een woning brengt mee, dat de huurder het recht heeft daarin te gaan wonen. Toch betekent dit niet, dat hem slechts dat recht zou zijn verhuurd. De stelling, die door Canes (De Loketovereenkomst p. 25) voor de huur van een safeloket is verdedigd, heeft bij andere schrijvers geen aanhang gevonden (zie hierboven).
Belangrijker is de derde stelling, te weten dat in de onderhavige gevallen geen sprake is van een zelfstandige bedrijfsruimte als bedoeld in art. 1, lid 2 onder b der Huurwet. Volgens dit voorschrift verstaat de Huurwet onder “gebouwd onroerend goed” – op welk onroerend goed de wet thans nog van toepassing is -: een gebouw of een gedeelte daarvan, indien dit gedeelte een zelfstandige woning of een zelfstandige bedrijfsruimte vormt, een en ander met zijn normale onroerende aanhorigheden, alsmede een woonschip. Deze tekst wekt inderdaad op het eerste gezicht de indruk, dat een gedeelte van een gebouw, dat slechts wordt verhuurd voor stalling van een auto en waarin derhalve geen bedrijf in eigenlijke zin wordt uitgeoefend, niet zou zijn aan te merken als een gebouwd onroerend goed in de zin der wet. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt echter heel duidelijk, dat de bedoeling van de wetgever en andere is geweest. In de Memorie van Toelichting (Bijl. Hand. 1949-1950 II no. 1529-5 p. 4) is met betrekking tot art. 1, sub 3 (thans art. 1, lid 2 onder c.) te lezen: “Wellicht ten overvloede zij opgemerkt, dat het in de definitie genoemde begrip bedrijfsruimte niet eng moet worden opgevat.
Het heeft betrekking op alle ruimten, voorzover althans zelfstandig, welke voor andere dan woondoeleinden worden gebezigd”. In het voorlopig verslag werd opgemerkt (id.no.1529-4): “Andere leden wezen er op, dat de term “bedrijfsruimte”, voorkomende onder 3. volgens de toelichting op dit artikel betrekking heeft “op alle ruimten, voorzover althans zelfstandig, welke voor andere dan woondoeleinden worden gebezigd”. In andere wetten, bijvoorbeeld de Wet op de Materiële Oorlogsschaden, worden bedrijf en beroep streng onderscheiden. Is dat hier niet het geval?”. Op p. 19 van de Memorie van Antwoord (id. 1529-5) luidt het antwoord: “Onderscheid maken tussen beroeps- en bedrijfsruimten komt de ondergetekenden niet noodzakelijk voor.
De scheidingslijn toch loopt primair tussen woonruimten en ruimten, die niet als zodanig worden gebezigd. Laatsgenoemde zijn samengevat in het begrip bedrijfsruimte, dat voor zover het dit ontwerp betreft, ruim moet worden genomen”.
Mijn dunkt, dat de bedoeling van de wetgever duidelijk is, terwijl de bewoordingen met die bedoeling niet onverenigbaar zijn. Later vond deze bedoeling haar uitdrukking in de wet, toen in art. 3a, ingevoegd bij de Wet van 24 december 1953 St. 580, zoals dit artikel luidde van 1 januari 1954 tot 1 september 1955, werd gesproken van “een gebouwd onroerend goed, niet zijnde een woning”. Aldus gezien is het duidelijk, dat een autobox is aan te merken als een “zelfstandige bedrijfsruimte” in de zin van art. 1, lid 2 onder c. der Huurwet, ook al wordt daarin geen bedrijf in engeren zin uitgeoefend. Daaraan kan niet afdoen, dat door eiseresse in cassatie wellicht ook stallingruimte wordt beschikbaargesteld, welke niet als “zelfstandige bedrijfsruimte” in genoemde zin is aan te merken. Dat het Hof zou hebben nagelaten te beslissen en te motiveren op grond van welke feiten de betreffende ruimte een bedrijfsruimte en een zelfstandige bedrijfsruimte zou zijn, zoals onder (6) in het tweede cassatie-middel wordt gesteld, kan de steller van het middel niet worden toegegeven. In rechtsoverweging 3 van zijn arrest heeft het Hof hieromtrent omstandig zijn oordeel gegeven.
Onder (5) wordt ten slotte een beroep gedaan op de omstandigheid, dat de Huurwet is tot stand gekomen en in stand gehouden uit hoofde van gebrek aan woon- en bedrijfsruimten, doch niet uit hoofde van gebrek aan woon- en bedrijfsruimten, doch niet uit hoofde van gebrek aan autoboxen, welke gebrek naar de steller van het middel meent niet bestaat. Het is duidelijk, dat, nu de bedoeling van de wetgever duidelijk is geweest om de wet wel op autoboxen van toepassing te doen zijn, en de tekst der wet zich er niet tegen verzet om die bedoeling tot gelding te brengen, ja zelfs gedurende een zekere periode die bedoeling duidelijk heeft weergegeven, dit argument op zich zelf het cassatiemiddel niet gegrond kan maken. In de eerste plaats is aan te nemen, dat ten tijde van het totstandkomen van de wet, toen aan elk soort gebouwde ruimte gebrek bestond, dat gebrek aan autoboxen wel degelijk aanwezig was. Daarnaast mag gelden, dat in onze dagen een gebrek aan stallingsmogelijkheid voor auto’s zich weer, en steeds nijpender, begint te doen gevoelen. Er zijn thans reeds in onze grote steden wijken, waar langs de troittoirs geen meter ruimte meer beschikbaar is om een auto te parkeren, en gelet op de voorspellingen die worden gehoord omtrent de te verwachten toename van het aantal auto’s, lijkt het niet twijfelachtig, dat binnen enkele jaren een beschermende maatregel als waarop de verweerders in cassatie zich in deze procedure hebben beroepen, niet alleen redelijk zal zijn te noemen, maar als eis zal moeten worden gesteld.
Beide middelen ongegrond achtend, heb ik de eer te concluderen, dat Uw Raad het beroep in cassatie zal verwerpen, met veroordeling van eiseresse in cassatie in de kosten.