ECLI:NL:PHR:1963:AB3973
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van schadevergoeding onder de Belemmeringenwet Privaatrecht bij toekomstige nadelen
In deze zaak stond centraal de vraag hoe schadevergoeding moet worden beoordeeld wanneer toekomstige nadelen door een werk op de grond mogelijk zijn, zoals geregeld in de Belemmeringenwet Privaatrecht. Eiseres had grond verpacht waarop een waterleidingbuis was gelegd en vorderde vergoeding van kapitaalschade en toekomstige nadelen. Zowel de Kantonrechter als de Rechtbank hadden geoordeeld dat eiseres op dit moment geen vergoeding toekomt omdat de pachtsom onveranderd bleef en de pachter schadeloos was gesteld.
De Rechtbank legde daarbij nadruk op het niet noodzakelijk blijvende karakter van het werk en het ontbreken van concrete plannen voor verkoop of verandering van exploitatie van de grond. De Hoge Raad bevestigt dat de rechter een zekere speelruimte heeft bij het beoordelen van toekomstige schade, waarbij rekening kan worden gehouden met de kans dat het werk verdwijnt en met de belangen van partijen bij een onmiddellijke of uitgestelde vergoeding.
De Hoge Raad gaat in op de verschillende punten van het middel en oordeelt dat het niet onredelijk is om rekening te houden met eventualiteiten zoals het tijdelijke karakter van het werk. Ook wijst de Hoge Raad het beroep af dat schadeberekening volgens de Onteigeningswet moet worden toegepast, omdat de stelsels verschillen. De rechter mag de schadevergoeding uitstellen totdat concrete plannen voor verkoop of verandering van exploitatie zich manifesteren.
Het incidentele middel dat stelt dat waardedaling door toekomstverwachtingen nooit in aanmerking mag worden genomen, wordt eveneens verworpen. De Hoge Raad concludeert tot verwerping van beide beroepen en bevestigt de motivering van de Rechtbank.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat toekomstige schadevergoeding onder de Belemmeringenwet Privaatrecht pas kan worden toegekend wanneer de schade concreet blijkt, en wijst het cassatieberoep af.