Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:1962:2

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 november 1962
Publicatiedatum
10 maart 2022
Zaaknummer
61.682
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 423 SvArt. 27 SrArt. 57 SrArt. 404 SvArt. 407 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid van het hof bij strafbepaling en aftrek voorlopige hechtenis bij valsheid in geschrift en onjuiste belastingaangifte

In deze zaak stond de vraag centraal of het gerechtshof bevoegd was om bij strafbepaling in hoger beroep een andere strafsoort op te leggen dan de rechtbank in eerste aanleg. De verdachte was in eerste aanleg veroordeeld voor valsheid in geschrift en het doen van een onjuiste belastingaangifte, met een gevangenisstraf van drie maanden. In hoger beroep werd hij vrijgesproken van valsheid in geschrift en kreeg hij een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en een geldboete opgelegd voor het belastingfeit.

De Hoge Raad overwoog dat de appelrechter bij toepassing van artikel 423 lid 4 Sv Pro niet beperkt is tot dezelfde strafsoort als in eerste aanleg, tenzij een uitdrukkelijke wettelijke bepaling dit voorschrijft. Dit betekent dat het hof een zwaardere of andere straf kan opleggen dan de rechtbank, mits dit niet in strijd is met het stelsel van strafrechtelijke samenloop. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het hof bevoegd is om de aftrek van voorlopige hechtenis toe te passen op geldboetes, conform artikel 27 Sr Pro.

De cassatie werd gegrond verklaard omdat het hof ten onrechte een geldboete had toegevoegd aan de strafbepaling zonder dat de rechtbank deze had opgelegd en omdat het hof niet correct had gehandeld bij de toerekening van de voorlopige hechtenis. De Hoge Raad bepaalde dat de straf voor het belastingfeit moet worden vastgesteld op twee maanden gevangenisstraf met aftrek van de voorlopige hechtenis die de verdachte had doorgebracht.

Uitkomst: De Hoge Raad bepaalde een gevangenisstraf van twee maanden met aftrek van voorlopige hechtenis voor het belastingfeit en vernietigde het hofarrest voor de strafbepaling.

Conclusie

L.
No. 61682
Zitting 6 november 1962.
Mr. Moons.
Conclusie inzake:
[requirant] .
Edelhoogachtbare Heren,
Bij inleidende dagvaarding zijn requirant drie feiten telastegelegd.
In eerste aanleg werd requirant, bij vonnis van de Arrondissements Rechtbank te Maastricht van 8 juli 1960, van het hem
sub 2telastegelegde vrijgesproken, terwijl hij terzake van de
sub 1en
sub 3telastegelegde en bewezenverklaarde feiten – gequalificeerd als "valsheid in geschrifte" en "inzake enige rijksbelasting voor zich zelf opzettelijk een onjuiste of onvolledige aangifte doen, terwijl daarvan het gevolg kan zijn, dat te weinig belasting wordt geheven" – met toepassing van o.m. artikel 57 van Pro het Wetboek van Strafrecht werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van drie maanden. Daarbij werd bepaald, dat de tijd door requirant vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf zou worden in mindering gebracht tot en met de datum van het vonnis.
Requirant kwam tegen dat vonnis in hoger beroep voorzover hij daarbij werd veroordeeld wegens "valsheid in geschrifte" (in het
eerstefeit). Het door het Openbaar Ministerie aanvankelijk tegen het gehele vonnis ingestelde appel werd – vóór de aanvang der behandeling – ingetrokken, voor zover dit zich richtte tegen requirants veroordeling wegens het bij dagvaarding aan requirant sub 3 telaste gelegde feit.
Met vernietiging van het in eerste aanleg tegen requirant gewezen vonnis, voorzover daartegen hoger beroep was ingesteld, heeft het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch requirant van de hem bij inleidende dagvaarding
sub 1 en 2telastegelegde feiten vrijgesproken.
Om reden in eerste aanleg ter zake van de als voormeld gequalificeerde feiten
1 en 3, als op zich zelfstaande handelingen, met toepassing van artikel 57 Sr Pro één hoofdstraf was uitgesproken, het hoger beroep slechts was ingesteld ten aanzien van het
eerste feiten ten aanzien van
datfeit het in eerste aanleg gewezen vonnis door het Hof geheel (en mitsdien ook ten aanzien van de straf) was vernietigd, heeft het Hof zich geroepen gevoeld – en m.i. terecht – met toepassing van artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering voor het andere (dus het
derde) feit de straf te bepalen.
Voor dat
derde, als voormeld gequalificeerde, feit heeft het Hof
de straf bepaaldop een gevangenisstraf voor de tijd van een maand
eneen geldboete groot vijfhonderd gulden,
metbevelten aanzien van die gevangenisstraf, dat deze niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij het Hof later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van drie jaren wederom aan een strafbaar feit mocht hebben schuldig gemaakt, dan wel zich gedurende die proeftijd op andere wijze mocht hebben misdragen en
met de bepaling, dat de tijd door de veroordeelde vóór de ten uitvoerlegging van ’s Hofs uitspraak van 19 februari 1960 tot 8 juli 1960 in voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de hem opgelegde geldboete zal worden in mindering gebracht naar de maatstaf van tien gulden per dag.
Requirant heeft zich van ’s Hofs arrest in cassatie voorzien doch – blijkens de bij de processtukken overgelegde acte van cassatie – uitsluitend voor wat betreft ’s Hofs strafbepaling, ’s Hofs bevel nopens de tenuitvoerlegging der gevangenisstraf, hetgeen door het Hof is bepaald nopens de imputatie van het voorarrest en de grond waarop die uitspraak berust.
Bij schriftuur zijn namens requirant een tweetal middelen van cassatie voorgesteld, luidende en toegelicht als volgt:
I. Schending althans verkeerde toepassing van de artikelen 423 lid vier van het Wetboek van Strafvordering in verband met de artikelen 404, 407, 259 en 276 van datzelfde Wetboek de artikelen 57 en 9a van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 350, 351, 358, 359, 415 en 453 van het Wetboek van Strafvordering, artikel 175 der Pro Grondwet en de artikelen 20 en 68 van de Wet op de Regterlijke Organisatie en het beleid der Justitie,
doordat het Hof, aan wiens kennisneming de aan requirant bij dagvaarding onder 3 telastegelegde feiten niet is onderworpen geworden en aan wiens kennisneming die feiten en de daarop door de Rechtbank gegeven beslissingen derhalve waren onttrokken en mitsdien slechts had te bepalen welk gedeelte van de hoofdstraf die bij samenloop van feiten aan requirant werd opgelegd, geacht moet zijn voor het feit terzake waarvan het Hof geen kennisnam, aan requirant te zijn opgelegd, nochtans en ten onrechte:
zulks niet heeft gedaan, doch, in stede van te bepalen welke gedeelte der opgelegde gevangenisstraf geacht moet zijn door de Rechter van eerste aanleg, terzake van de feiten welke niet ter kennisneming van het Hof stonden, aan requirant te zijn toegemeten, bij de bepaling van die straftoemeting aan de door die Rechter opgelegde een andere hoofdstraf namelijk een geldboete heeft toegevoegd en aldus van een andere toemeting van straf is uitgegaan dan die welke door de Rechter van eerste aanleg, blijkens de inhoud van het vonnis van 8 juli 1960, kennelijk was gewild,
hebbende het Hof door te bepalen als werd beslist de aangehaalde wetsartikelen geschonden in elk geval verkeerd toegepast;
II. Schending althans verkeerde toepassing van de in het eerste middel genoemde wetsartikelen, alsmede van de artikelen 14a, b, c, en f, artikel 27 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 72, 69, 86 en 406 van het Wetboek van Strafvordering,
doordat het Hof, aangenomen al dat dit bij de bepaling van de straf, niet in strijd heeft gehandeld met het in artikel 423 lid Pro vier van het Wetboek van Strafvordering bepaalde door, anders dan de Rechtbank deed de artikelen 14a en b van het Wetboek van Strafrecht toe te passen ten aanzien van een veroordeling een feit betreffende, waarvan de kennisneming niet aan het Hof stond, niet tevens heeft gelast, dat bij tenuitvoerlegging van de straf op grond van het later anders bepalen door het Hof als bij zijn beslissing geschiedde, de tijd door requirant voor de tenuitvoerlegging van dat vonnis door requirant in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde tijdelijke gevangenisstraf zal worden in mindering gebracht tot de tijd dier straf zelve,
zulks ten onrechte,
omdat het Hof, nu dit het vonnis van eerste aanleg vernietigde voorzover daartegen appel, was ingesteld en het beroep niet de feiten betrof welke aan requirant onder 3 waren telastegelegd, dit met zich brengt dat de beslissing van de Rechtbank waarbij dat College ondergane voorlopige hechtenis toerekende ter zake van de opgelegde straf, welke mede de niet ter kennisneming van het Hof staande feiten en de terzake daarvan uitgesproken veroordeling betrof – zijnde overigens niet gebleken dat door de Officier van Justitie te Maastricht ook appel is ingesteld tegen de beslissing houdende toerekening van ondergane voorlopige hechtenis – voor het Hof onaantastbaar was en dit bijgevolg had moeten handelen in de zin als bij het middel is gesteld,
hebbende het Hof door zulks niet te doen de aangehaalde wetsartikelen geschonden in elk geval verkeerdelijk toegepast.
Voor de beoordeling van het
eerste cassatiemiddelzal m.i. van beslissende betekenis zijn of het Hof — dat ingevolge het bepaalde bij het vierde lid van artikel 423 Sv Pro. in het onderhavige geval gehouden was voor het niet aan zijn kennisneming onderworpen
derdefeit de straf te bepalen — bevoegd was voor dat feit een straf toe te passen van een andere soort dan de oorspronkelijke hoofdstraf.
Voor een bevestigend antwoord op die vraag lijkt een argument te kunnen worden ontleend aan de omstandigheid, dat het vierde lid van gemeld wetsartikel met betrekking tot de soort der straf, welke ingevolge dat voorschrift voor het ‘’andere feit" of de ‘’andere feiten" moet worden bepaald, geen beperking inhoudt, terwijl men zich daarnevens zou kunnen beroepen op de toelichting door de Regering gegeven op het tweede lid van artikel 476 Sv Pro., waaraan de redactie van het laatste lid van artikel 423 Sv Pro., vermoedelijk is ontleend. In die toelichting op dat artikel (O.R.O., artikel 451) kan men lezen: "Wanneer tengevolge van samenloop van meerdere feiten één hoofdstraf is opgelegd, is niet uit te maken welk deel dier straf voor elk dier feiten komt. Wordt nu herziening gevraagd en toegelaten voor al die feiten, dan zal de toepassing van het in het eerste lid nedergelegde beginsel geen moeilijkheid opleveren. Anders is het, indien herziening wordt gevraagd ten aanzien van slechts één dier feiten en deze gegrond wordt bevonden. Dan zal de straf voor het ander of de andere feiten noodzakelijk opnieuw moeten worden bepaald. Gewoonlijk zal daartoe de rechter er mede kunnen volstaan, de aanvankelijk opgelegde hoofdstraf tot zeker beloop te verminderen. Doch het is ook zeer wel denkbaar, dat hij in de gegrondheid der aangevraagde herziening ter zake van het ene feit reden vindt om voor het andere feit of de andere feiten straf van een andere soort dan de oorspronkelijke hoofdstraf toe te passen. Een en ander is aan zijn beleid overgelaten". (Vgl. Leon's Rechtspraak deel II, aflevering 6, Wetboek van Strafvordering, vierde druk, 1941, derde gedeelte, waarin voormelde passage uit de Memorie van Toelichting op p. 1888 is vermeld).
Daar tegenover zou men met Blok en Besier (Het Nederlandsche strafproces, II, p. 386 en 387) kunnen stellen, dat in artikel 476 lid 2 Sv Pro. (evenals in het vierde lid van artikel 423 Sv Pro.) niet wordt gesproken van het "opleggen" doch van het "bepalen" van straf, en dat het onjuist zou zijn dit voorschrift uit te leggen op de wijze zoals de Toelichting dit wil, omdat de wetgever door een wijziging toe te laten zou miskennen het stelsel dat het Wetboek van Strafrecht in zake de meerdaadse samenloop van zelfstandige feiten — waaraan de wetgever toch wel in de eerste plaats zal hebben gedacht — heeft aanvaard nl. dat van beperkte cumulatie, waarbij niet het ene feit als verzwarende omstandigheid van het andere, of omgekeerd, geldt. Een vernietiging der veroordeling ter zake een dier feiten kan dus niet — aldus Blok en Besier — motiveren, dat ten aanzien van de andere de strafsoort wordt gewijzigd.
Ik zou mij met dit betoog — dat m.i. evenzeer opgaat met betrekking tot artikel 423 lid 4 Sv Pro. als artikel 476 lid 2 Sv Pro. — willen verenigen en met genoemde schrijvers willen voorstaan dat bij toepassing van artikel 423 lid 4 Sv Pro. de taak van de rechter in hoger beroep ten aanzien van het gedeelte der uitspraak waarin werd berust geen andere kan zijn dan trachten te bepalen wat de eerste rechter besliste, waarmede niet te rijmen is, dat de rechter in hoger beroep ten aanzien van het feit, dat niet aan zijn kennisneming is onderworpen een straf vaststelt, waarvan vaststaat, dat de rechter in eerste aanleg haar niet heeft gewild. Zelfs niet, zo dunkt mij, wanneer vast zou staan dat — had de eerste rechter alleen voor het ‘’andere feit" straf opgelegd — bij een juiste toepassing der wet dit straf van een andere soort had behoren te zijn dan in feite als hoofdstraf voor meerdere feiten door die rechter is opgelegd (Vgl. H.R. 4 mei 1942 N.J. 1942 No. 615) of de rechter in eerste aanleg ten onrechte artikel 56 Sr Pro. zou hebben toegepast, met het gevolg dat in die opvatting voor het ‘’andere feit" in eerste aanleg geen straf zou zijn opgelegd. (Vgl. noot T. onder het arrest van Uwe Raad van 15 februari 1932 N.J. 1932 p. 289).
Dat nu in het onderhavige geval de Maastrichtse Rechtbank voor het derde feit geen toepassing van geldboete heeft gewild blijkt dunkt mij reeds hieruit, dat door dat college artikel 57 Sr Pro. (gelijksoortige hoofdstraffen) is toegepast.
Uit het vorenstaande volgt, dat naar mijn mening het
eerste cassatiemiddelgegrond is.
Voor wat betreft het
tweede cassatiemiddelzou ik voorop willen stellen, dat — al wordt zulks in de toelichting van het middel in het midden gelaten — het Hof m.i. aan artikel 423 lid 4 Sv Pro. geen bevoegdheid heeft kunnen ontlenen om, voor zover door dat college als straf voor het
derdefeito.m. een maand gevangenisstraf werd bepaald met betrekking tot die straf de (niet door de eerste rechter toegepaste) artikelen 14 a en 14 b Sr. toe te passen, terwijl het Hof — nu dat derde feit niet aan 's Hofs kennisneming was onderworpen — daartoe m.i. evenmin grond in enig ander wettelijk voorschrift heeft kunnen vinden. Met hetgeen ter ondersteuning van het middel wordt aangevoerd, zou ik in zoverre mee willen gaan, dat — waar in de beslissing van de éérste rechter nopens de toerekening van voorlopige hechtenis bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, voor zover deze het
derdefeit betrof, was berust — het Hof geen vrijheid had mogen vinden omtrent die toerekening een beslissing te geven, welke niet verenigbaar was met die, welke door den eersten rechter te dien aanzien met betrekking tot de mede voor het
derdefeit opgelegde gevangenisstraf was gegeven.
Waar blijkens 's Hofs arrest requirant in elk geval van 19 februari 1960 tot 8 juli 1960 (dus langer dan 3 maanden) in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en blijkens het vonnis in eersten aanleg met betrekking tot de feiten
1 en 3een gevangenisstraf voor de tijd van drie maanden was uitgesproken met bepaling dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van die uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf zou worden in mindering gebracht tot en met 8 juli 1960, betekent dit m.i. dat het Hof op de voor
feit 3bepaalde straf — welke, zoals hiervoren betoogd, niet anders dan onvoorwaardelijke gevangenisstraf (uiteraard voor een tijd van minder dan drie maanden) had mogen zijn — en wel voor de gehele duur der gevangenisstraf aftrek van de tijd door requirant vóór 9 juli 1960 in voorlopige hechtenis doorgebracht, had behoren toe te kennen.
Voor zover het
tweede cassatiemiddeler over klaagt dat zulks niet is geschied meen ik het dan ook voor gegrond te moeten houden.
Daar het aangevallen arrest mitsdien reeds wegens schending of verkeerde toepassing van de artikelen 423, van het Wetboek van Strafrecht niet in stand zal kunnen blijven, het cassatieberoep in voege als voormeld is beperkt en het belang ener doelmatige rechtspleging bovendien medebrengt dat door Uwe Raad ten principale zal worden rechtgedaan, heb ik de eer te concluderen:
a. dat de Hoge Raad het aangevallen arrest zal vernietigen doch alleen voorzover daarbij, met toepassing van de artikelen 14a, 14b en 23 van het Wetboek van Strafrecht, door het Hof de straf voor het ‘’inzake enige rijksbelasting voor zich zelf opzettelijk een onjuiste of onvolledige aangifte doen, terwijl daarvan het gevolg kan zijn, dat te weinig belasting wordt geheven" op een gevangenisstraf voor de tijd van een maand
eneen geldboete groot vijfhonderd gulden werd bepaald, ten aanzien van die gevangenisstraf is bevolen hetgeen daaromtrent in het arrest is vermeld en met betrekking tot de imputatie van het voorarrest is bepaald hetgeen het arrest ten deze inhoudt;
b. dat de Hoge Raad ten dien aanzien rechtdoende ingevolge artikel 105 R.O. de straf voor het door de Rechtbank bewezen verklaarde en als „inzake enige rijksbelasting voor zich zelf opzettelijk een onjuiste of onvolledige aangifte doen, terwijl daarvan het gevolg kan zijn, dat te weinig belasting wordt geheven" gequalificeerde feit zal bepalen op een gevangenisstraf voor de tijd van twee maanden en daarbij zal verstaan, dat twee maanden van de tijd door requirant vóór 9 juli 1960 in voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van die gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,