Conclusie
[eiser]
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal welke invloed de geestelijke stoornis van de eiser had op de geldigheid van de verkoop van zijn hoeve, in het bijzonder in het licht van artikel 1356 BW Pro. Het hof had geoordeeld dat de wederpartij de stoornis kende of redelijkerwijs had moeten kennen, maar het cassatiemiddel stelde dat dit vereiste in strijd is met het recht.
De Procureur-Generaal besprak uitgebreid de leerstukken en literatuur over de kenbaarheid van de stoornis aan de wederpartij. Hij concludeerde dat het vereiste van kenbaarheid in de Nederlandse wet niet is terug te vinden en dat de belangenafweging wijst op bescherming van de geestelijk gestoorde, zonder dat de wederpartij de stoornis hoeft te kennen.
De zaak werd verwezen naar het Hof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest, waarbij nog vastgesteld moet worden of de geestelijke stoornis doorslaggevende invloed had op de overeenkomst. Verweerder werd veroordeeld in de kosten van hoger beroep en cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof met de uitleg dat de wederpartij de geestelijke stoornis niet hoeft te kennen voor nietigheid van de overeenkomst.