ECLI:NL:PHR:1959:3
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aansprakelijkheid begiftigde voor vermogensaanwasbelasting en verjaring
In dit arrest wordt de vraag behandeld of de begiftigde van een schenking, op grond van artikel 51 lid 1 van Pro de Wet op de Vermogensaanwasbelasting, aansprakelijk is voor de belastingaanslag alsof hij zelf was aangeslagen en of deze aansprakelijkheid zelfstandig kan verjaren.
De Hoge Raad overweegt dat de aansprakelijkheid van de begiftigde een accessoire verbintenis is die naast de verplichting van de schenker bestaat, maar niet los daarvan kan worden gezien. De uitdrukking "alsof hij zelf ware aangeslagen" betreft niet de eigenlijke belastingschuld, maar de executie daarvan. De fiscale wetgever heeft niet bedoeld de begiftigde materieel fiscaalrechtelijk zelfstandig te belasten.
Verder wordt geoordeeld dat zelfstandige verjaring van deze accessoire aansprakelijkheid niet mogelijk is zolang de hoofdverbintenis van de schenker voortduurt, mede omdat verjaring bij de hoofdschuldenaar kan zijn geschorst en de begiftigde deze schorsing moet dulden. De aansprakelijkheid van de begiftigde bevat elementen van hoofdelijkheid en borgtocht, maar is van eigen aard en kent niet alle verweermiddelen van de hoofdschuldenaar.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de begiftigde niet zelfstandig kan worden aangesproken buiten de termijn waarbinnen de hoofdschuldenaar nog aansprakelijk is. Tevens wordt de eiser veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de aansprakelijkheid van de begiftigde niet zelfstandig verjaart.