Conclusie
eerstemiddelvan cassatie klaag erover, dat het Hof aan zijn beslissing een onjuiste opvatting van het wettelijk begrip zelfstandigheid der zaak ten grondslag heeft gelegd door van het begrip: zelfstandigheid der zaak die eigenschappen uit te sluiten, welke ten tijde van het sluiten der overeenkomst aan de contracterende partijen onbekend waren en zelfs buiten hun voorstellingsvermogen waren gelegen.
tweedemiddelbevat de grief, dat het Hof niet onbeslist had mogen laten het door het door [verweerder] ingesteld appèl mede aan het oordeel van het Hof onderworpen punt van geschil, namelijk of er aan de zijde van verkopers dwaling in de zelfstandigheid der zaak heeft plaats gehad, ook in dien zin, dat zij de beker voor weinig meer waard hebben gehouden dan de zilverwaarde, welke hij bezat, terwijl die beker in feite was een bijzonder fraai bewerkt werkstuk van hoge artistieke waarde, en/of de vraag of de dwaling t.a.v. deze eigenschap, resp. eigenschappen, al dan niet kenbaar was voor de koper, hebbende althans - aldus het middel – het Hof door dienaangaande niet uitdrukkelijk te overwegen, zijn arrest niet naar den eis der Wet met redenen omkleed, en/of zijn taak als appèlrechter miskend.
verbieden, dat beide partijen in een huwelijksgemeenschap
tezamenals zodanig in rechten optreder.