Conclusie
eerste middelworde het navolgende opgemerkt.
tweede middelbevat vooreerst de klacht, dat het Hof niet, althans niet met enige uit het arrest blijkende begrijpelijke motivering heeft beslist op het slot van de derde appèlgrief, waar terloops de vraag werd geventileerd, of de weduwe in haar systeem terecht genoegen heeft genomen met slechts 1/7 gedeelte der nalatenschap.
derde middelklaagt erover, dat het Hof — door in beginsel de schadevergoeding vast te stellen op de koopsom van een lijfrente — in strijd met art. 1406 B.W. de aangesprokene belast met de kosten van aankoop van een lijfrente, daaronder begrepen de winst van de verzekeringmaatschappij.