Conclusie
Uit deze bewijsmiddelen nu – aldus wordt in het
eerste middelmet zoveel woorden gesteld – kan niet worden afgeleid, dat requirant in dezen heeft gehandeld met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over de in de bewezenverklaring genoemde goederen te verzekeren.
tweede middelklaagt, dat het Hof niet heeft beraadslaagd en beslist naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting, doordien de Appèlrechter “het verweer van den verdachte, dat hij de bedoeling had gehad de koopprijs der door hem gekochte goederen te voldoen doch buiten staat was geraakt te betalen, ten gevolge van het overhevelen omstreeks eind April 1956 door een zekeren [betrokkene 1] van de kasmiddelen van de N.V. Interocean-Amsterdam naar de kas van een rijwielfabriek, heeft weerlegd met de overweging dat de verdachte de in de bewezenverklaring genoemde goederen kocht vele maanden nadat, naar hij wist, de kasmiddelen van de N.V. Interocean-Amsterdam door [betrokkene 1] naar de kas van de rijwielfabriek waren overgeheveld, zulks ondanks het feit dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet is kunnen blijken op welk tijdstip de verdachte van dit overhevelen van kasmiddelen kennis kreeg”.
Overigens valt in dit verband m.i. te bedenken, dat, ook al heeft het Hof zulks niet met zoveel woorden overwogen, dit college, beslissende aangaande het meergemelde verweer, zich kennelijk heeft gebaseerd op de bij het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg door requirant afgelegde verklaringen, dat ten tijde van de transactie met [betrokkene 2] (de koop door de N.V. Interocean-Amsterdam van een partij bokkingen in de maand januari 1956) de N.V. wel degelijk over voldoende fondsen beschikte om Kok te betalen en dat pas, nadat [betrokkene 1] het gehele banktegoed dier N.V. had opgenomen en ter beschikking gesteld van de Primarius Rijwielfabriek had gesteld, de kas dezer N.V. zonder middelen was; dat [betrokkene 1] bedoeld banktegoed had opgenomen toen hij nog directeur van deze N.V. was; dat hij, requirant, zich zeer veel moeite had getroost dit geld voor voormelde N.V. terug te krijgen, doch zonder resultaat; dat, in het begin der maand augustus 1956, toen hij, requirant, directeur der N.V. was geworden, deze vennootschap niet over de benodigde gelden beschikte om de vorderingen te voldoen tengevolge van de gedragingen van [betrokkene 1]. Of. de
Voorzoveel het tweede middel het tegendeel beweert en betoogt, dat het Hof op dit punt niet heeft beslist naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting, mist dit dus, naar het mij toeschijnt, feitelijke grondslag.
Ik moge te dezer plaatse herinneren aan het arrest van Uw Raad van 28 maart 1944, N.J. 1944, no 381, waarbij werd beslist, dat de appèlrechter niet uitdrukkelijk behoeft te overwegen, dat hij heeft braadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, zowel als van het onderzoek in eerste aanleg, terwijl ik ten slotte moge daarlaten, of de door het Hof bij requirant aangenomen wetenschap als voorschreven wel te beschouwen is als een feit in de zin van art. 350 Sv Pro., omtrent het bewijs waarvan de feitelijke rechter naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting dient te beraadslagen.