ECLI:NL:PHR:1940:3
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vordering tot afleggen van rekening en verantwoording inzake studiebeurzenfonds
De zaak betreft een vordering van de provisor van de stichting 'Het Almelosche Studiefonds' tegen de regenten van die stichting tot het afleggen van rekening en verantwoording. De kern van het geschil is de toepasselijkheid van Koninklijke Besluiten uit 1818, 1823 en 1829 die het beheer van stichtingen van beurzen en kollegiën regelen, die vooral gericht zijn op academische of voorbereidend hoger onderwijs.
De conclusie van de Procureur-Generaal Berger bespreekt uitvoerig de historische achtergrond van deze Koninklijke Besluiten, die oorspronkelijk bedoeld waren om beurzen en kollegiën in de Zuidelijke provincies te herstellen na de Franse overheersing. De besluiten zijn gericht op stichtingen die beurzen verstrekken ten behoeve van hoger onderwijs, met name aan universiteiten en seminaries.
Het Hof had geoordeeld dat het Almelosche Studiefonds niet valt onder de stichtingen waarop deze Koninklijke besluiten van toepassing zijn, omdat het fonds een andere, beperktere strekking heeft. De Procureur-Generaal onderschrijft dit oordeel en wijst erop dat de besluiten niet van toepassing zijn op alle andere soorten stichtingen, maar uitsluitend op die met een academische of voorbereidend hoger onderwijsdoelstelling.
Ook de stelling dat de Koninklijke besluiten hun bindende kracht zouden hebben verloren door de Wet op het Hoger Onderwijs van 1877 werd verworpen. De besluiten regelen niet het onderwijs zelf, maar het beheer van beurzen, en kunnen daarom niet zonder meer als vervallen worden beschouwd. De conclusie luidt tot verwerping van het beroep en veroordeling van de eiser in de kosten.
Uitkomst: Het beroep van de provisor werd verworpen en de eiser werd veroordeeld in de kosten.