ECLI:NL:PHR:1922:3
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak navordering inkomstenbelasting wegens onjuiste feitelijke grondslag
De Procureur-Generaal concludeert dat de Raad van Beroep ten onrechte zijn beslissing baseerde op een eerdere vernietigde navordering, terwijl het feit waarop de lopende navordering berust hetzelfde is als dat van de eerste navordering. Dit feit was reeds bekend en vastgelegd in de stukken waarover geen geschil bestond.
Verder wordt geoordeeld dat de beoordeling van de evenredigheid van de feiten een feitelijke kwestie is en dat de interpretatie van de uitspraak door de Raad van Beroep onjuist was. Volgens artikel 82 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1914 kan navordering alleen plaatsvinden op grond van een nieuw feit dat niet bekend was bij het opleggen van de oorspronkelijke aanslag.
De Hoge Raad stelt dat de gelijkheid van de feiten waarop de eerste en tweede navordering berusten geen beslissend element is, maar dat het enkel van belang is of het feit waarop de navordering is gebaseerd anders is dan dat van de oorspronkelijke aanslag. De zaak wordt vernietigd en terugverwezen naar de Raad van Beroep om opnieuw te worden behandeld met inachtneming van deze overwegingen.
Uitkomst: De uitspraak van de Raad van Beroep wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor herbeoordeling.