Uitspraak
1.Het procesverloop
2.Tussen partijen vaststaande feiten
eenvan hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan.
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Belanghebbende kreeg in 2004 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd over het jaar 2000, waarbij de Inspecteur de aftrek van een betaalde lijfrentetermijn van NLG 26.875,- tussen vader en zoon betwistte. De Inspecteur erkende dat sprake was van een lijfrente, maar wees de aftrek af op grond van een overgangsregeling die vanaf 2001 van kracht is.
De Raad van Beroep stelde vast dat de overeenkomst tussen belanghebbende en zijn vader op 28 juni 2000 een lijfrenteovereenkomst betrof en dat de betaalde termijn in 2000 als lijfrentetermijn moet worden beschouwd. De overgangsregeling uit artikel V, lid 4, Publicatieblad 2001/94, is volgens de Raad alleen relevant voor aftrek in 2001 en volgende jaren en niet voor 2000.
Daarom heeft belanghebbende recht op aftrek van de betaalde termijn als persoonlijke last in 2000. De Raad verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur. De beslissing werd genomen door de Raad van Beroep voor Belastingzaken op Sint Maarten op 17 april 2009.
Uitkomst: Belanghebbende heeft recht op aftrek van de betaalde lijfrentetermijn in 2000.