Uitspraak
zitting houdende op Bonaire,
1.Het procesverloop
2.Tussen partijen vaststaande feiten
3.Geschil en standpunten van partijen
Beoordeling
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
In deze zaak staat centraal of de AOV-uitkering moet worden meegenomen in de premiegrondslag voor de premie Algemene Verzekering Bijzondere Ziektekosten (AVBZ) en welk premiepercentage daarop van toepassing is.
Appellant ontving in 2003 een pensioen en een AOV-uitkering. De Inspecteur had het pensioen belast met een premie van 1,5% en de AOV-uitkering met 2%. Appellant betwistte dit en stelde dat ook voor de AOV-uitkering het lagere percentage van 1,5% zou moeten gelden.
De Raad van Beroep oordeelde dat de AOV-uitkering als een opbrengst uit een recht op periodieke uitkering moet worden beschouwd en daarom tot de premiegrondslag behoort. Het lagere premiepercentage geldt alleen voor pensioenuitkeringen, die worden gedefinieerd als periodieke uitkeringen uit hoofde van een vroegere dienstbetrekking. Een AOV-uitkering valt hier niet onder. Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de informatie op het aangifteformulier niet zodanig was dat men mocht verwachten dat over een AOV-uitkering geen premie verschuldigd zou zijn.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat het algemene premiepercentage van 2% van toepassing is op de AOV-uitkering.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard; de AOV-uitkering valt onder de premiegrondslag en het premiepercentage van 2% is van toepassing.