Uitspraak
zitting houdende op Curaçao,
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Belanghebbende was ondernemer en maakte in 2002 winst, waarover hij belasting en sociale premies verschuldigd was. In februari 2004 werd een aanslag inkomstenbelasting 2002 opgelegd, welke belanghebbende betwistte via bezwaar en later beroep. De Inspecteur handhaafde de aanslag, waarop belanghebbende beroep instelde bij de Raad van Beroep voor Belastingzaken.
Tijdens de zitting in oktober 2007 was belanghebbende niet aanwezig, maar de Inspecteur wel vertegenwoordigd. De kern van het geschil betrof de vraag of de financiële problemen van belanghebbende aanleiding konden zijn om de aanslag te verminderen. De Inspecteur stelde dat de aanslag correct was vastgesteld en dat betalingsproblemen via een betalingsregeling met de ontvanger opgelost moesten worden.
De Raad stelde vast dat de aanslag terecht was vastgesteld en dat er geen feiten of omstandigheden waren die een lagere aanslag rechtvaardigden. De Raad benadrukte dat zij noch de Inspecteur bevoegd zijn om de billijkheid van de wet te beoordelen. De invordering en betalingsregelingen vallen onder de bevoegdheid van de Ontvanger, niet van de Raad.
Daarom verklaarde de Raad het beroep ongegrond en bevestigde de aanslag inkomstenbelasting 2002 zoals opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 2002 blijft onverminderd van kracht.