ECLI:NL:ORBBNAA:2006:BQ9538

Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)

Datum uitspraak
8 januari 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2004-0706
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • mrs. Drop
  • Groeneveld
  • Overgaauw
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 LIBArtikel 4, tweede lid, Landsverordening op de inkomstenbelasting
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aftrekbaarheid kosten werkkamer in eigen woning bij dienstbetrekking

Belanghebbende, werkzaam als belastingadviseur in loondienst, bracht in zijn aangifte inkomstenbelasting 2001 kosten van een werkkamer in zijn eigen woning in aftrek als verwervingskosten van loon uit dienstbetrekking. De Inspecteur weigerde deze aftrekpost grotendeels te erkennen, stellende dat kosten van een werkkamer in de eigen woning niet aftrekbaar zijn sinds een wetswijziging in 1992 die de huurwaarde van de eigen woning buiten het belastbaar inkomen houdt.

De Raad van Beroep stelde vast dat de wetswijziging geen wijziging bracht in artikel 9 van Pro de Landsverordening op de inkomstenbelasting (LIB), waarin de aftrek van kosten die drukken op de opbrengst van loon uit dienstbetrekking is geregeld. De kosten van een werkkamer zijn volgens de Raad aftrekbaar omdat zij direct verband houden met de dienstbetrekking. Het feit dat voordelen uit de eigen woning niet belast worden, verandert hier niets aan.

De Inspecteur baseerde zijn standpunt op de Memorie van Toelichting bij de landsverordening van 1998, maar de Raad vond hierin geen aanwijzing dat de wetgever ook de aftrek van kosten van een werkkamer wilde uitsluiten. De Raad verklaarde het beroep gegrond en stelde het belastbaar inkomen van belanghebbende dienovereenkomstig lager vast.

De uitspraak bevestigt dat de kosten van een werkkamer in de eigen woning als verwervingskosten van loon uit dienstbetrekking aftrekbaar zijn, mits zij een directe relatie hebben met de dienstbetrekking. Dit betekent dat belastingplichtigen in vergelijkbare situaties dergelijke kosten kunnen blijven aftrekken, ondanks de uitsluiting van het eigenwoningvoordeel uit het belastbaar inkomen.

Uitkomst: De Raad van Beroep verklaart het beroep gegrond en vermindert het belastbaar inkomen met de kosten van de werkkamer tot Afl. 136.036.

Uitspraak

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP van 18 januari 2006, nr. 2004-0706
1. Aanslagregeling en procesverloop:
1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van Afl. 137.444. Belanghebbende heeft tijdig een bezwaarschrift ingediend. De Inspecteur heeft in de uitspraak op het bezwaarschrift de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende heeft vervolgens tijdig een beroepschrift bij de Raad ingediend. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.
1.2 Het beroep is mondeling behandeld ter zitting van de Raad van 2 november 2005, gehouden op Aruba. Ter zitting zijn verschenen belanghebbende en namens de Inspecteur mr. W. Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.
2. Vaststaande feiten:
2.1 Belanghebbende is als belastingadviseur in loondienst werkzaam bij X. Hij oefent zijn dienstbetrekking doorgaans uit vanuit het kantoor van X. Voor het uitoefenen van zijn dienstbetrekking heeft belanghebbende ook in zijn woonhuis een werkkamer ingericht. Belanghebbende heeft in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting 2001 ter zake van deze werkkamer de volgende kosten als verwervingskosten in aftrek gebracht:
Tabel 1
2.2 Bij de aanslagregeling is de hiervoor onder a. genoemde aftrekpost niet in aanmerking genomen en zijn de aftrekposten onder b tot en met d tezamen slechts tot een bedrag van Afl. 500 aanvaard. De door de Inspecteur aangebrachte correctie beliep aldus in totaal Afl. 6.205, zodat een bedrag van Afl. 2300 voor aftrek in aanmerking kwam.
2.3 In zijn bezwaarschrift neemt belanghebbende het standpunt in dat aan de werkkamer, gelet op de vloeroppervlakte van deze kamer ten opzichte van die van de gehele woning, niet 15% maar 10% van de kosten van de woning moet worden toegerekend.
3. Omschrijving geschil en standpunten van partijen:
3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of kosten van een werkkamer in de eigen woning van een belastingplichtige als verwervingskosten van loon uit dienstbetrekking in aanmerking kunnen komen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend. Voor het geval het gelijk in dezen aan belanghebbende is, is ter zitting overeenstemming bereikt over de in aanmerking te nemen aftrekposten. De onder 2.1 genoemde aftrekposten kunnen dan worden gesteld op:
Tabel 2
De kosten voor de parkeerruimte van de auto kunnen dan worden gesteld op Afl. 500. Het totaal van de in aanmerking te nemen verwervingskosten ter zake van de werkruimte in de eigen woning en de parkeerruimte van de auto beloopt dan Afl. 3.708.
3.2 Voor de standpunten van partijen verwijst de Raad naar de gedingstukken, waaronder begrepen de door belanghebbende overgelegde pleitnota.
4. Beoordeling van het geschil:
4.1 De Inspecteur beroept zich voor zijn standpunt dat kosten van een werkkamer in een eigen woning niet als verwervingskosten van loon uit dienstbetrekking in aanmerking kunnen komen op de bedoeling van de wetgever. De Inspecteur wijst daarbij in het bijzonder op de Memorie van Toelichting bij de Landsverordening van 12 maart 1998, AB 1998, no 18. Bij deze landsverordening is artikel 4, tweede lid, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting (LIB) met terugwerkende kracht tot 1992 gewijzigd. Vanaf dat jaar wordt de huurwaarde van een eigen woning niet meer tot het belastbaar inkomen gerekend. Deze wijziging had blijkens de hiervoor genoemde Memorie van Toelichting ten doel:
´het eigen-woningbezit en –gebruik zoveel mogelijk buiten de belastingsfeer te brengen Voor de LIB houdt dit in dat de opbrengsten en kosten van een eigen woning buiten de berekening van het belastbaar inkomen dienen te vallen’.
Uit deze passage leidt de Inspecteur af dat ook de kosten van de werkkamer vanaf 1992 niet meer in aftrek mogen worden gebracht. Nu het woongenot geen onderdeel vormt van het belastbaar inkomen kan het opgeofferde deel van het woongenot ook geen tot het belastbaar inkomen behorende aftrekposten vormen.
4.2 De Raad stelt voorop dat de wetgever bij vorengenoemde wetswijziging geen wijziging heeft gebracht in artikel 9 LIB Pro, waarin de zuivere opbrengst, de aftrek van kosten en lasten is geregeld. De kosten van een werkkamer in de eigen woning voor het uitoefenen van een dienstbetrekking vormen kosten die drukken op de opbrengst van die dienstbetrekking en zijn gelet op artikel 9 LIB Pro aftrekbaar. Dat voordelen uit een eigen woning niet tot het belastbare inkomen worden gerekend, brengt daarin gelet op de tekst van artikel 9 LIB Pro en de wetsystematiek geen wijziging. De door de Inspecteur aangehaalde passage uit de wetsgeschiedenis brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Uit deze passage kan niet worden afgeleid dat de bedoeling van de wetgever verder strekte dan de bron ‘eigen woning’.
4.3 Het gelijk is aldus aan belanghebbende
4.4 Het vorenstaande leidt ertoe dat het belastbaar inkomen van belanghebbende moet worden verminderd met Afl. 3708. Nu op het door de Inspecteur vastgestelde belastbaar inkomen reeds Afl. 2300 in mindering is gebracht, dient daarop nog eens Afl. 1408 in mindering te worden gebracht, zodat het belastbaar inkomen wordt vastgesteld op Afl 136.036.
5. Beslissing:
De Raad verklaart het beroep gegrond en vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van Afl 136.036.
mrs. Drop, Groeneveld en Overgaauw