ECLI:NL:ORBBNAA:2001:BU3837

Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)

Datum uitspraak
10 augustus 2001
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2000/011
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Van Gijn
  • Ilsink
  • Groeneveld
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23B LibArt. 23D lid 5 LibArt. 34 lid 1 Lib
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen belastingaanslag en toepassing penshonadoregime bij niet tijdige aangifte

Appellant heeft voor het belastingjaar 1995 geen tijdige aangifte inkomstenbelasting ingediend, waardoor de Inspecteur een taxatieve aanslag heeft opgelegd op basis van een forfaitair inkomen. Appellant verzocht later alsnog toepassing van het penshonadoregime, dat een tarief van 5% op het zuivere inkomen mogelijk maakt bij tijdige en regelmatige aangifte.

De Raad van Beroep oordeelt dat het penshonadoregime alleen geldt indien de aangifte volgens de wettelijke termijnen wordt ingediend. Omdat appellant niet binnen de gestelde termijn aangifte heeft gedaan, is hij gehouden belasting te betalen volgens de tabel, zoals de Inspecteur heeft vastgesteld.

De Inspecteur heeft de aanslag na bezwaar verminderd, maar met toepassing van een verhoging wegens het niet tijdig indienen van de aangifte. De Raad acht het standpunt van de Inspecteur juridisch juist en verklaart het beroep ongegrond.

Appellant had zich in 1993 in de Nederlandse Antillen gevestigd en had in 1994 wel tijdig het penshonadoregime toegepast. Voor 1995 is dit niet het geval, wat leidt tot de huidige belastingaanslag en het geschil.

De uitspraak bevestigt het belang van tijdige aangifte voor het kunnen toepassen van het voordelige tarief en bevestigt de bevoegdheid van de Inspecteur om een boete en verhoging op te leggen bij niet tijdige aangifte.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag met boete en verhoging wordt bevestigd.

Uitspraak

Beschikking van 10 augustus 2001, nr. 2000/011
DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN
zitting houdende in Curaçao,
inzake:
appellant
tegen
de Inspecteur der Belastingen
1. Het procesverloop.
1.1. Aan appellant is, met dagtekening 5 december 1997, voor het jaar 1995 een taxatieve aanslag opgelegd naar een zuiver inkomen van Naf 250.000, met een op de voet van de tabel verschuldigd belastingbedrag ad Naf 115.047,10, inclusief een boete van Naf 1000, op grond van artikel 34, eerste lid, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1942 (ME: 1943) (Lib) wegens het niet tijdig doen van aangifte.
1.2. Op 19 december 1997 heeft appellant een bezwaarschrift ingediend, waarbij een ingevuld aangiftebiljet is overgelegd. In het aangiftebiljet is verzocht om toepassing van de zogenoemde penshonadoregeling.
1.3. Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 10 december 1999, heeft de Inspecteur de aanslag verminderd tot een naar een forfaitair inkomen van Naf 150.000, met een op de voet van de tabel verschuldigd belastingbedrag ad Naf 57.203,90, met toepassing van een verhoging van 50% van de verschuldigde belasting, op grond van artikel 23D, vijfde lid, van de Lib.
Het totaal verschuldigde belastingbedrag bedroeg aldus Naf 85.805,85.
1.3. Bij op 13 januari 2000 ter griffie van de Raad binnenge¬komen be¬roep¬schrift is appellant van deze uitspraak in beroep geko¬men.
1.4. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.
1.5. Ter zitting van 20 november 2000 te Curaçao zijn verschenen gemachtigde en de Inspecteur.
Gemachtigde heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd.
3. De tussen partijen vaststaande feiten.
Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan.
Appellant, geboren 5 september 1938, heeft zich in december 1993 in de Nederlandse Antillen gevestigd.
In de aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 1994 heeft hij toepassing van het tarief van 5% ex artikel 23B, eerste lid, van de Lib verzocht. Het zuivere inkomen beliep Naf 460.826 negatief, zodat geen aanslag met een te betalen bedrag is opgelegd.
4. Geschil
Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar alsnog een boete ex artikel 23D, vijfde lid, van de Lib, kon opleggen. Appellant beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.
5.De standpunten van partijen
Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken, waarvan de overgelegde pleitnota's deel uitmaken.
6. Beoordeling van het geschil.
6.1. Artikel 23B van de Lib bepaalt dat de belastingplichtige, bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Lib, die aan bepaalde voorwaarden voldoet, bij aangifte kan verzoeken dat over zijn zuiver inkomen niet naar de tabel wordt geheven maar naar een tarief van 5%.
6.2. Als aangifte in de zin van deze bepaling moet worden aangemerkt de aangifte die op de voet van hoofdstuk VII van de Lib regelmatig en tijdig wordt ingediend.
6.3. In het onderhavige geval blijkt uit het procesverloop dat appellant geen aangifte heeft gedaan, immers hij heeft niet binnen de door de Inspecteur gestelde termijn het aangiftebiljet ingeleverd. Aan hem is deswege een taxatieve aanslag opgelegd. Naar het oordeel van de Raad kan appellant onder die omstandigheden geen recht doen gelden op het zogenoemde penshonadoregime, maar is hij over zijn reële zuivere inkomen inkomstenbelasting verschuldigd op de voet van de tabel.
6.4. De Inspecteur heeft ter zitting onweersproken gesteld dat voor dat geval de aanslag na vermindering niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Naar het oordeel van de Raad geeft de Inspecteur daarbij geen blijk van een juridisch onjuist standpunt. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat het verschuldigde belastingbedrag na de uitspraak op het bezwaar niet te hoog is en derhalve is het beroep ongegrond.
7. Beslissing
De Raad verklaart het beroep ongegrond.
mrs. Van Gijn, Ilsink en Groeneveld