In deze zaak staat centraal of de gouverneur bevoegd is om de ingangsdatum van de bevordering van appellante naar hoofdklerk uit te stellen vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid. De gouverneur had de bevordering uitgesteld van 1 januari 2021 naar 1 augustus 2021, omdat appellante in de relevante anciënniteitsperiode 297,5 dagen arbeidsongeschikt was geweest. Volgens het 90-dagen beleid wordt de bevordering uitgesteld met het aantal dagen boven de 90 dagen afwezigheid.
Het Gerecht in Ambtenarenzaken had het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en geoordeeld dat de gouverneur bevoegd is dit uitstel toe te passen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de gouverneur geen grondslag heeft voor het opschuiven van de bevorderingsdatum, omdat het zogenoemde 90-dagen beleid geen formele beleidsregel is en niet aan de vereisten voor beleid voldoet.
De gouverneur verweerde zich door te stellen dat het 90-dagen beleid een vaste gedragslijn is en geen formele beleidsregel, en dat deze gedragslijn correct is toegepast. De Raad van Beroep volgt dit standpunt en bevestigt dat een vaste gedragslijn niet per se schriftelijk of gepubliceerd hoeft te zijn om toegepast te kunnen worden. Het 90-dagen beleid wordt gezien als wetsinterpreterend beleid dat binnen de wettelijke kaders past.
De Raad concludeert dat de gouverneur de bevorderingsdatum terecht heeft vastgesteld op 1 augustus 2021 en bevestigt de uitspraak van het Gerecht. De Raad beveelt wel aan om de vaste gedragslijn schriftelijk vast te leggen en extern bekend te maken uit oogpunt van rechtszekerheid en kenbaarheid. Er worden geen proceskosten toegewezen.