Deze zaak betreft het hoger beroep van [Appellante] tegen een uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, waarin het correctiebesluit van de gouverneur werd bevestigd. De gouverneur had de maximale salarisschaal van de functie van administratief medewerkster bij de Directie Volksgezondheid gewijzigd van schaal 6 naar schaal 5, omdat de eerdere vermelding op een fout berustte.
Het Gerecht oordeelde dat de gouverneur voldoende aannemelijk had gemaakt dat de functie maximaal op schaal 5 was gewaardeerd en dat [Appellante] onvoldoende had onderbouwd dat haar werkzaamheden een hogere waardering rechtvaardigden. Ook werd geoordeeld dat het evenredigheidsbeginsel niet was geschonden, mede omdat het correctiebesluit geen directe nadelige gevolgen had voor de rechtspositie van [Appellante].
In hoger beroep voerde [Appellante] aan dat het formatierapport niet formeel was vastgesteld, dat haar functie een waardering op schaal 6 rechtvaardigde en dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden door lagere waardering dan vergelijkbare functies. Tevens stelde zij dat het correctiebesluit in strijd was met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.
De gouverneur stelde dat de functiewaardering per dienst en formatieplan wordt vastgesteld en dat [Appellante] niet benadeeld was door het correctiebesluit. De Raad stelde vast dat de beoordeling van de waardering van de functie niet aan de orde was, maar alleen de vraag of de correctie van schaal 6 naar schaal 5 was toegestaan. De Raad concludeerde dat de vermelding van schaal 6 berustte op een fout en dat de gouverneur bevoegd was deze te corrigeren. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan en een teleurgestelde toekomstverwachting onvoldoende is.
De Raad bevestigde de uitspraak van het Gerecht en wees het hoger beroep af, zonder proceskostenveroordeling.