Appellante was werkzaam bij de Douanedienst van de Nederlandse Antillen en verzocht in 1985 om een wachtgelduitkering na vrijwillige uitdiensttreding per 1 januari 1986. In 1986 werd haar een wachtgelduitkering toegekend, maar zij stelt deze nooit te hebben ontvangen en het besluit nooit eerder te hebben ontvangen dan in 2022.
Zij maakte bezwaar tegen de weigering van de gouverneur om het wachtgeld alsnog uit te betalen. Het Gerecht verklaarde het bezwaar ongegrond omdat de vordering was verjaard na vijf jaar, gelet op artikel 118a van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma).
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij het besluit niet eerder had ontvangen en dat de gouverneur moest bewijzen dat het wachtgeld was uitbetaald. De Raad oordeelde dat het niet redelijk is te verwachten dat de gouverneur na bijna veertig jaar nog bewijs kan leveren van uitbetaling. De Raad bevestigde de uitspraak van het Gerecht en verklaarde het beroep ongegrond wegens verjaring.