ECLI:NL:ORBAACM:2021:36

Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
7 juli 2021
Publicatiedatum
26 juli 2021
Zaaknummer
CUR2019H00350
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 RArArt. 35 RAr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het hoger beroep inzake het ontbreken van rechtsgevolg bij een verzoek tot handelen door korpsleiding

Appellant, geplaatst als Teamleider Noodhulp/Handhaving bij het Korps Politie Curaçao, verzocht geïntimeerde om inzage in documenten en informatie over functieomschrijvingen en bevoegdheden. Na weigering van geïntimeerde om op dit verzoek te beslissen, maakte appellant bezwaar bij het Gerecht in Ambtenarenzaken, dat zich onbevoegd verklaarde omdat het verzoek niet op rechtsgevolg was gericht.

In hoger beroep betoogde appellant dat het verzoek wel rechtsgevolg had, omdat de korpsleiding weigert uitvoering te geven aan het landsbesluit dat zijn plaatsing regelt, en geïntimeerde dit zou kunnen afdwingen. De Raad oordeelt echter dat er geen sprake is van een weigering om te handelen zoals bedoeld in artikel 35 RAr Pro, omdat de rechtspositie van appellant niet feitelijk of rechtens wordt beïnvloed.

Verder stelde appellant dat hij niet correct was opgeroepen voor de zitting bij het Gerecht, maar de Raad merkt op dat hij de kans had om zijn beroep mondeling toe te lichten bij de Raad en hiervan geen gebruik heeft gemaakt. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: De Raad bevestigt de onbevoegdverklaring van het Gerecht en wijst het hoger beroep af wegens ontbreken van rechtsgevolg bij het verzoek.

Uitspraak

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN
CURACAO
Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant]

wonend in Curaçao,
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao (Gerecht) van
2 augustus 2019, CUR201801707 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:
appellant,
en

de minister van Justitie,

geïntimeerde,
gemachtigde: mr. L.S. Davelaar, advocaat

Procesverloop

Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellante op 2 oktober 2019 hoger beroep ingesteld bij de Raad.
Geïntimeerde heeft een contramemorie ingediend.
De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juni 2021. Appellant is niet verschenen. Geïntimeerde heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij Landsbesluit van 25 februari 2016 nr. 16/0499 heeft de regering van Curaçao appellant per 1 december 2013 geplaatst in de functie van Teamleider Noodhulp/Handhaving in het Gereorganiseerde Korps Politie Curaçao (KPC).
1.2.
Bij brief van 1 juni 2017 heeft appellant geïntimeerde verzocht om inzage in een aantal documenten, toezending van een functieomschrijving en om informatie over onder meer bevoegdheden van functionarissen.
1.3.
Op 1 juni 2018 heeft appellant bij het Gerecht bezwaar gemaakt tegen de weigering van geïntimeerde om een besluit te nemen op zijn verzoek.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht zich onbevoegd verklaard. Daartoe heeft het Gerecht overwogen dat het verzoek van appellant aan geïntimeerde niet op rechtsgevolg is gericht en dus niet is gericht op het verkrijgen van een beschikking als bedoeld in artikel 3, eerste lid, en artikel 35, eerste lid, van de RAr. Het niet beslissen op het verzoek door geïntimeerde kan dan ook niet worden aangemerkt als een weigering om te beschikken of te handelen, waartegen bezwaar zou kunnen worden aangemerkt.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellant heeft aangevoerd dat zijn verzoek aan geïntimeerde wel op rechtsgevolg was gericht. De leiding van het KPC weigert namelijk ten onrechte om uitvoering te geven aan het onder 1.1 bedoelde landsbesluit. Geïntimeerde kan de korpsleiding dwingen dat alsnog te doen. De weigering om dat te doen is dan ook een weigering om te handelen.
4.2.
Daargelaten het antwoord op de vraag of geïntimeerde in de positie is om de korpsleiding te dwingen tot handelen zoals door appellant gewenst, is geen sprake van een weigering om te handelen als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de RAr. Het gaat immers niet om een weigering als gevolg waarvan de rechtspositie van appellant feitelijk of rechtens wordt beïnvloed. Zo wordt op geen enkele wijze afbreuk gedaan aan de plaatsing van appellant in de functie van Teamleider Noodhulp/Handhaving in het KPC. Evenmin is gebleken dat de rechtspositie van appellant anderszins wordt gewijzigd. De beroepsgrond slaagt niet.
4.3.
Appellant heeft verder aangevoerd dat, anders dan het Gerecht heeft vermeld in het procesverloop, hij niet goed is opgeroepen omdat hij geen schriftelijke oproeping voor de zitting bij het Gerecht heeft ontvangen. Wat daarvan ook zij, appellant had de gelegenheid om alsnog in persoon zijn hoger beroep mondeling toe te lichten bij de Raad. Dat hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt, komt voor zijn rekening en risico.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Raad
bevestigtde aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. W.H. Bel, voorzitter, en drs. P.J. Thijssen en
mr. L.J.J. Rogier, leden, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.