ECLI:NL:ORBAACM:2017:1

Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
16 november 2017
Publicatiedatum
4 januari 2018
Zaaknummer
CUR2014H00003 (voorheen: 2014/65562)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Landsverordening Materieel AmbtenarenrechtArt. 99 Landsverordening Materieel AmbtenarenrechtArt. 7A:1625fa BWRegeling Ambtenarenrechtspraak 1951
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen vaste aanstelling na vierde tijdelijke ambtenarenaanstelling volgens ambtenarenrecht

In deze zaak stond de vraag centraal of een vierde opeenvolgende tijdelijke aanstelling als ambtenaar rechtens moet worden beschouwd als een vaste aanstelling. Appellant stelde dat de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (Lma) een lacune vertoonde die opgevuld moest worden met een rechtsregel vergelijkbaar met artikel 7A:1625fa van het Burgerlijk Wetboek, dat voor arbeidsovereenkomsten geldt.

De Raad van Beroep stelde vast dat de ambtenarenrechter zeer terughoudend moet zijn met het creëren van nieuwe rechtsregels en dat hiervoor geen hogere regelgeving of algemeen rechtsbeginsel bestaat die een dergelijke conversie verplicht stelt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat een ambtenarenaanstelling niet gelijkgesteld kan worden met een arbeidsovereenkomst.

Daarnaast wees de Raad het verzoek van appellant af om een schadevergoeding toe te kennen, omdat onvoldoende concreet bewijs was geleverd van immateriële schade. De Raad bevestigde daarmee het eerdere vonnis van het Gerecht in Ambtenarenzaken en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd dat geen vaste aanstelling ontstaat na vier tijdelijke aanstellingen.

Uitspraak

Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (Rar)
Uitspraakdatum: 16 november 2017
Zaaknummer: CUR2014H00003 (voorheen: 2014/65562)

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN
Zittingsplaats Curaçao
Uitspraak op het hoger beroep van

[…],

wonend in Curaçao,
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken, zittingsplaats Curaçao, van 15 mei 2014, in zaaknr. GAZ 2013/65562, in het geding tussen:
appellant
en

de Minister van Sociale Zaken, Arbeid en Welzijn (SOAW),

geïntimeerde,
gemachtigde: mr. W.R. Flocker, advocaat.

Procesverloop

Bij beslissing van 3 oktober 2013 (de beslissing) heeft geïntimeerde appellant met ingang van 2 oktober 2013 ontheven uit zijn functie van Interim Secretaris Generaal bij het Ministerie van SOAW, met behoud van bezoldiging tot einde interim contract (december 2013).
Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de beslissing vernietigd en bepaald dat geïntimeerde geen vervangende beslissing hoeft te nemen.
Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Hij heeft daarna nog nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 september 2017. Daar is appellant verschenen en heeft geïntimeerde zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (de Lma) geschiedt aanstelling in vaste of tijdelijke dienst. Op grond van het derde lid, aanhef en onder g, kunnen personen in tijdelijke dienst worden aangesteld met wie voor de aanstelling is overeengekomen dat zij voor een bepaaldelijk aangeduide tijd in dienst treden.
Op grond van artikel 99, eerste lid, wordt aan de ambtenaar in tijdelijke dienst, die blijkens zijn benoeming voor een bepaald tijd is benoemd, tenzij het tegendeel blijkt, geacht eervol ontslag te zijn verleend, zodra die tijd is verstreken.
2. Appellant betoogt dat bij de aangevallen uitspraak het Gerecht ten onrechte geen beschermende norm heeft gecreëerd die ertoe strekt de gestelde lacune in de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (de Lma) op te vullen in die zin dat bij een vierde aaneensluitende, tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd als ambtenaar er rechtens geacht moet worden een vaste aanstelling tot stand te zijn gekomen (de conversie), zoals dat voor arbeidsrechtelijke overeenkomsten is geregeld bij artikel 7A:1615fa van het Burgerlijk Wetboek. Zou het Gerecht die norm wél hebben gecreëerd, dan zou volgens appellant de conclusie onvermijdelijk zijn dat hij sedert de aanvang van zijn vierde aaneensluitende tijdelijke aanstelling op 1 juni 2013 rechtens geacht moest worden vast te zijn aangesteld in overheidsdienst. Hij wenst dit thans in appel te doen vaststellen door de Raad.
2.1
De Raad stelt voorop dat de ambtenarenrechter zich, gelet op zijn staatsrechtelijke positie, ten aanzien van enige rechtsvormende taak zeer terughoudend dient op te stellen. Dat betekent dat hij slechts indien een toepasselijke regeling in strijd is met hogere regelgeving of een algemeen rechtsbeginsel zo nodig een noodvoorziening zal treffen om te bewerkstelligen dat die strijdigheid in een voorliggend geval wordt opgeheven.
In dit geval is van een dergelijke strijdigheid met een hogere regeling dan wel een algemeen rechtsbeginsel geen sprake. Een rechtstreeks werkende, het land Curaçao bindende verdragsbepaling die strekt tot de verplichting de conversie in de Lma vast te leggen, heeft appellant niet kunnen aanwijzen en is de Raad ook niet ambtshalve bekend. Evenmin is er een algemeen rechtsbeginsel aan te wijzen dat daartoe zou verplichten. Arbeidsovereenkomsten en aanstellingen als ambtenaar kunnen niet op één lijn worden gesteld, zodat het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel hier geen doel kan treffen. Ook de ander door hem aangehaalde algemene rechtsbeginselen nopen daar niet toe.
2.2
Naar het oordeel van de Raad is, anders dan appellant meent, dan ook te dezen geen rechtsvormende taak weggelegd voor de ambtenarenrechter. Een verstrekkende wijziging van de Lma door het opnemen daarin van de conversie, zoals door appellant bepleit, kan slechts langs politieke weg door de wetgever worden bewerkstelligd, waarbij dan ook alle relevante belangen in kaart kunnen worden gebracht en tegen elkaar kunnen worden afgewogen. Het betoog faalt.
3. Het betoog van appellant dat het Gerecht hem ten onrechte bij de aangevallen uitspraak ten laste van het land Curaçao geen andere schadevergoeding dan een bedrag aan proceskosten heeft toegekend, faalt eveneens. Dat de vernietigde beslissing immateriële schade zou hebben veroorzaakt heeft hij wel gesteld, maar niet geconcretiseerd. De overgelegde krantenartikelen over de aangevallen uitspraak zijn niet diffamerend, noch is gebleken dat geïntimeerde bij de plaatsing van die berichten in de kranten betrokken was. Voor toewijzing van een verderstrekkende schadevergoeding, bestaat dan ook geen grond.
4. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond moet worden verklaard en de aangevallen uitspraak kan worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Raad
bevestigtde aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D. Haan, voorzitter, en mrs. L.C. Hoefdraad en J. Sybesma, leden, en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.