ECLI:NL:OGHNAA:2010:BR7086
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen kennelijk onredelijk ontslag wegens bezit van verdovende middelen
In deze zaak is het hoger beroep behandeld tegen een beschikking van het Gerecht in eerste aanleg (GEA) van de Nederlandse Antillen, waarin het ontslag van de werknemer door PJIAE als kennelijk onredelijk werd beoordeeld. De werknemer voerde aan dat het ontslag gebaseerd was op een valse of voorgewende reden en verzocht primair herstel van de dienstbetrekking en subsidiair een vergoeding.
Het Hof oordeelde dat de werknemer onvoldoende had toegelicht dat PJIAE een valse reden had gegeven. Het ontslag was gebaseerd op het feit dat de werknemer wegens bezit van marihuana was veroordeeld, wat onverenigbaar is met zijn functie die toegang tot beveiligde luchthavengebieden vereist. Het Hof vond dat PJIAE een redelijke grond had voor ontslag.
Verder werd de hoogte van de vergoeding van NAF 10.000,-, toegekend wegens kennelijk onredelijk ontslag, door het Hof niet te laag bevonden. De kantonrechtersformule is niet het uitgangspunt voor deze vergoeding; factoren als duur van het dienstverband, leeftijd en kansen op ander werk zijn relevant. Het verzoek tot herstel van de dienstbetrekking werd afgewezen vanwege de gegronde reden voor ontslag.
Het Hof bevestigde de beschikking van het GEA en veroordeelde de werknemer tot betaling van de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het Hof bevestigt het ontslag wegens bezit van marihuana en acht de toegekende vergoeding niet te laag.