ECLI:NL:OGHNAA:2010:BO2083
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap en waardering onroerend goed op Curaçao en Bonaire
In deze zaak behandelt het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba het hoger beroep van de man tegen het eindvonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg (GEA) betreffende de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.
Het hof stelt vast dat de peildatum voor de gemeenschap 23 december 2005 is. De man klaagt onder meer over de waardering van schulden en tegoeden, waaronder een schuld van NAF 10.227,69 bij KEP en het positieve saldo bij het voorzieningenfonds FND. Het hof oordeelt dat het saldo bij FND een bestaand recht is dat in de gemeenschap valt. Ook wordt het onroerend goed op familie-huurgrond gewaardeerd op basis van executiewaarde, waarbij de man recht heeft op de helft van de waarde en de vrouw een vergoeding ontvangt.
Verder wordt geoordeeld dat de afgifte van een kopie van het vonnis door de dochter van partijen niet kwalificeert als aanzegging in de zin van art. 264 lid 3 Rv Pro, waardoor de man ontvankelijk is in hoger beroep. Het hof geeft partijen de gelegenheid om zich nader uit te laten over diverse vragen, waaronder de taxatie van een perceel op Bonaire en de verdeling van de waarde daarvan.
Het vonnis wordt gewezen door drie rechters en de procedure wordt aangehouden voor verdere beslissingen, waarbij partijen een peremptoire termijn krijgen om een akte te nemen.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ontvankelijk, wijzigt gedeeltelijk de waardering van schulden en activa en houdt verdere beslissing aan.