ECLI:NL:OGHNAA:2010:BM2866

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Datum uitspraak
13 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AR 1597/06-H-195/09
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 264 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake verdeling huwelijksgoederengemeenschap en ontvankelijkheid beroep

Appellant is in hoger beroep gekomen tegen meerdere vonnissen van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen betreffende de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen. Het hoger beroep werd ingesteld door een akte met memorie van grieven, waarin appellant vernietiging van het vonnis en hernieuwde vaststelling van de verdeling vordert.

Geïntimeerde heeft verweer gevoerd door bevestiging van het vonnis te vorderen en appellant te veroordelen in de kosten. Tijdens de pleidooien werden nadere stukken en producties overgelegd. Het hof constateerde dat appellant niet aanwezig was bij de uitspraak en dat niet duidelijk is wanneer appellant kennis heeft genomen van het vonnis ex art. 264 Rv Pro.

Het hof kan daarom niet beoordelen of het beroep tijdig is ingesteld en verlangt van appellant nadere informatie over het moment van kennisneming. Geïntimeerde mag hierop reageren. De zaak wordt aangehouden tot de rolzitting van 4 mei 2010, waarna verdere beslissing volgt.

Uitkomst: De zaak is aangehouden voor nadere informatie over de kennisneming van het vonnis en ontvankelijkheid van het hoger beroep.

Uitspraak

UITSPRAAK: 13 april 2010 (bij vervroeging)
ZAAKNR.: AR 1597/06-H-195/09
HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE
NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA
Vonnis in de zaak van:
[appellant],
wonend op Curaçao,
voorheen gedaagde, thans appellant,
gemachtigden: mrs. E.J. Maduro en H.C. Vanblarcum,
tegen
[geïntimeerde],
wonend op Curaçao,
voorheen eiseres, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. S.P. Osepa.
1. Verloop van de procedure
Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao (verder: het GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen in deze zaak gewezen vonnissen van 19 maart 2007, 27 augustus 2007, 12 mei 2008 22 september 2008 en 24 november 2008. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.
[appellant] is in hoger beroep gekomen van genoemde vonnissen door indiening op 6 februari 2009 van een daartoe strekkende akte ter griffie van het GEA en heeft bij die akte een memorie van grieven ingediend, waarin hij vier grieven heeft aangevoerd en toegelicht en geconcludeerd heeft tot vernietiging van het vonnis en tot opnieuw vaststelling van de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap, kosten rechtens.
[geïntimeerde] heeft een memorie van antwoord appel genomen waarin zij heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het appel.
Op de nader voor pleidooi bepaalde dag hebben partijen pleitaantekeningen overgelegd, waarbij de aantekeningen van [appellant] waren vergezeld van producties. [geïntimeerde] heeft vervolgens een akte uitlating producties genomen, waarna is bepaald dat vonnis zal worden gewezen, waarvan de uitspraak bij vervroeging is bepaald op heden.
2. Ontvankelijkheid
Het tussen partijen gewezen eindvonnis is van 24 november 2008. Uit de rolaantekeningen blijkt dat [appellant] niet bij de uitspraak aanwezig is geweest. Er zijn ook verder geen stukken in het dossier waaruit blijkt wanneer [appellant] ex art. 264 Rv Pro kennis van het vonnis heeft gekregen. Bij de stukken bevindt zich wel een, kennelijk niet aangetekende, brief van de griffier van het GEA van 25 november 2008 aan [appellant] waarin de griffier vermeldt dat [appellant] bij genoemde brief ook aantreft een kopie van de beslissing van het GEA.
Al met al kan het Hof niet tot het oordeel komen of het op 6 februari 2009 door [appellant] ingestelde beroep tijdig is, zodat hij daarover nadere informatie dient te verstrekken. Voor de goede orde vermeldt het Hof nog dat [geïntimeerde] op 26 november 2008 een grosse is verstrekt en het niet onmogelijk is dat zij deze grosse meer dan zes weken voor 6 februari 2009 aan [appellant] heeft laten betekenen.
Het Hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.
BESLISSING:
Het Hof:
alvorens verder te beslissen:
verwijst de zaak naar de rol van 4 mei 2010 alwaar [appellant] zich bij akte, voor zover mogelijk onder het overleggen van verificatoire bescheiden, gemotiveerd dient uit te laten over de vraag wanneer hij conform art. 264 Rv Pro op de hoogte is geraakt van het tussen partijen op 24 november 2008 gewezen vonnis;
bepaalt dat [geïntimeerde] zich twee weken nadat [appellant] de hiervoor bedoelde akte heeft genomen, een antwoordakte mag nemen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, J.R. Sijmonsma en M. Schoemaker, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao uitgesproken op 13 april 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.