ECLI:NL:OGHNAA:2009:BO3274
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
- Hoger beroep
- H.L. Wattel
- R.W.L. Loeb
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over deviezenprovisie en directe werking Vriendschapsverdrag
De vennootschappen Valero Refining Company-Aruba N.V. en Valero Marketing & Supply-Aruba N.V. stelden zich op het standpunt dat de door de Centrale Bank van Aruba in rekening gebrachte deviezenprovisie in strijd was met het Vriendschapsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika. Zij voerden aan dat de bepalingen in artikel XII, lid 2 en 4, van het Verdrag rechtstreekse werking hebben en dat de heffing van deviezenprovisie discriminerend was.
Het Hof overwoog dat lid 2 van artikel XII, gelet op de aan de nationale regelgever gelaten vrijheid, niet rechtstreeks toepasbaar is voor de rechter. Tevens oordeelde het Hof dat de vennootschappen niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij minder gunstig werden behandeld dan andere Arubaanse vennootschappen, zodat er geen sprake was van een discriminerende maatregel.
De overige beroepsgronden werden eveneens ongegrond verklaard, mede omdat deze reeds in eerdere procedures waren behandeld. Het Hof bevestigde de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de deviezenprovisie van de Centrale Bank blijft gehandhaafd.