ECLI:NL:OGHNAA:2009:BK8439
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid en verjaring bij incasso van studieschuld door Stichting Studiefinanciering Curaçao
In deze zaak staat centraal of Stichting Studiefinanciering Curaçao (SSC) bevoegd was om op eigen naam een vordering op [appellante] te incasseren en of SSC de verjaring van die vordering heeft gestuit. De Hoge Raad had het eerdere vonnis vernietigd en de zaak terugverwezen voor nadere beoordeling.
Het Hof oordeelt dat SSC door een overeenkomst van lastgeving en volmacht uit 1991 namens het Eilandgebied gemachtigd was om studiefinancieringsvorderingen te innen, inclusief het doen van schriftelijke aanmaningen. Hiermee was de sommatiebrief van 14 augustus 2001 rechtsgeldig en stuitte deze de verjaring volgens artikel 3:317 lid 1 BW Pro.
Verder is vastgesteld dat SSC de bevoegdheid tot incasso op eigen naam ontleent aan een geldige akte van cessie van 1 juli 2004. Hoewel SSC bij aanvang van de procedure nog geen rechthebbende was, staat dit de toewijzing van de vordering niet in de weg. Het Hof bevestigt daarom het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg en veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het Hof bevestigt dat SSC bevoegd was de vordering te incasseren en de verjaring te stuiten en veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep.