ECLI:NL:OGHNAA:2009:BH8724
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vordering en aansprakelijkheid Bank in faillissement RCB en Ashoka
In deze zaak stonden twee geschilpunten centraal: de omvang van de vordering van de Bank op Richardson Commercial Building N.V. (RCB), inclusief garanties, en de vraag of de Bank aansprakelijk is voor de vermeende lage opbrengst van verkochte onroerende zaken.
Het Hof oordeelde dat een garantieverklaring van RCB geen zelfstandige overeenkomst is, maar een materialisering van een eerdere garantieovereenkomst. Hierdoor werd de vordering van de Bank op RCB verlaagd. Ten aanzien van de aansprakelijkheid voor de lage opbrengst stelde het Hof vast dat de curator onvoldoende concrete feiten had gesteld om wanprestatie of onrechtmatig handelen van de Bank aan te tonen.
Het Hof vernietigde het eerdere vonnis voor zover de Bank werd veroordeeld tot betaling van $566.028,60 en veroordeelde de Bank tot betaling van $202.028,51 plus wettelijke rente aan de curator. De Bank werd tevens veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De Bank moet $202.028,51 plus wettelijke rente aan de curator betalen wegens een te hoge vordering op RCB.