ECLI:NL:OGHNAA:2006:BG1009

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Datum uitspraak
5 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
108 HLAR 29/05
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Prijzenverordening 1961Art. 3 LarArt. 7 Lar
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak over uitblijven besluit tarieven Prijzenverordening

Appellante, Stichting St. Elisabeth Hospitaal te Curaçao, verzocht het Bestuurscollege meerdere malen om tarieven voor bepaalde verrichtingen en het gebruik van materialen vast te stellen. Het Bestuurscollege liet echter na een beslissing te nemen op deze verzoeken. Appellante stelde daarom beroep in bij het Gerecht in eerste aanleg, dat zich onbevoegd verklaarde.

Appellante ging in hoger beroep tegen deze onbevoegdverklaring. Het Hof overwoog dat het besluit dat op grond van artikel 2 van Pro de Prijzenverordening genomen zou moeten worden, een besluit van algemene strekking is dat zich richt tot alle bestaande en toekomstige aanbieders. Dit betekent dat het geen beschikking is in de zin van artikel 3 van Pro de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar).

Daarom is het uitblijven van een beslissing op de verzoeken niet gelijk te stellen met een weigering een beschikking te geven, en is het Gerecht terecht onbevoegd verklaard. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerecht bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het Hof bevestigt de onbevoegdverklaring van het Gerecht en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

108 HLAR 29/05
Datum uitspraak: 5 juni 2006
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA
Uitspraak op het hoger beroep van:
de stichting "Stichting St. Elisabeth Hospitaal", gevestigd op Curaçao,
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 28 juli 2005 in het geding tussen:
appellante
en
het Bestuurscollege van het Eilandgebied Curaçao.
1. Procesverloop
Bij onderscheiden brieven van 13 maart 2001, 24 juni en 11 juli 2002 en 13 januari 2004 heeft appellante het Bestuurscollege verzocht tarieven voor bepaalde verrichtingen en aanwending daarbij van materialen vast te stellen.
Tegen het uitblijven van enige beslissing op deze verzoeken heeft appellante beroep ingesteld bij het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao (hierna: het Gerecht).
Bij uitspraak van 28 juli 2005 heeft het Gerecht zich onbevoegd verklaard van het aldus ingestelde beroep kennis te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, ingekomen bij het Gerecht op 8 september 2005, hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Bij brief, ingekomen bij het Hof op 6 december 2005, is van antwoord gediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. C.A. Peterson, advocaat, en S. Ricardo, haar financieel economisch directeur, en het Bestuurscollege, vertegenwoordigd door mr. K.R. Concincion, werkzaam bij de Afdeling Algemene en Juridische Zaken van het Eilandgebied Curaçao, en S. Theodora, laatstgenoemde werkzaam bij de Dienst Economische Zaken, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, van de Prijzenverordening 1961, zoals laatstelijk gewijzigd bij de Overdrachtslandsverordening XXV, Pb. 1991, nr. 100, kan, indien goederen of diensten worden aangeboden tegen zodanige prijzen, dat het vragen daarvan naar het oordeel van het Bestuurscollege in strijd is met of dreigt te geschieden in strijd met het algemeen belang, voor het betreffende eilandgebied, het Bestuurscollege verbieden het aanbieden, verkopen en verhuren van die goederen, dan wel het aanbieden en verrichten van die diensten, tegen hogere of lagere dan door het Bestuurscollege aan te geven prijzen.
Ingevolge het tweede lid wordt, in afwijking van het bepaalde in het eerste, een verbod, als bedoeld in dat lid onder a, voor zover het betrekking heeft op de honoraria, prijzen of tarieven van diensten, verricht door vrije-beroepsbeoefenaren, vastgesteld bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, na overleg met de organisaties van vrije-beroepsbeoefenaren in het betrokken eilandgebied die daarvoor naar het oordeel van het Bestuurscollege in aanmerking komen.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) wordt onder beschikking verstaan: een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, die niet van algemene strekking is.
Ingevolge het tweede lid wordt een weigering om een beschikking te geven met een beschikking gelijk gesteld.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, kunnen natuurlijke personen of rechtspersonen, die door een beschikking rechtstreeks in hun belang zijn getroffen, daartegen beroep instellen bij het Gerecht.
2.2. Appellante klaagt dat het Gerecht ten onrechte heeft overwogen dat het uitblijven van besluiten op haar verzoeken niet met een beschikking gelijk kan worden gesteld, omdat zulke besluiten geen beschikking in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Lar zijn.
2.2.1. Dat betoog faalt. De verzoeken van appellante strekken tot het nemen van enig besluit krachtens artikel 2 van Pro de Prijzenverordening. Dit besluit zou zich, indien genomen, naar zijn aard en strekking richten tot iedere bestaande en toekomstige aanbieder van de prestaties, waarop die verzoeken betrekking hebben. Dat mogelijk op dit moment, als gesteld, in feite slechts één zodanige aanbieder op Curaçao aanwezig is, maakt dat niet anders. Het Gerecht heeft terecht overwogen dat zodanig besluit van algemene strekking zou zijn en derhalve geen beschikking in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Lar. Gelet hierop heeft het Gerecht het uitblijven van een beslissing op de verzoeken van appellante voor de mogelijkheid om er beroep tegen in te stellen terecht niet gelijk gesteld met een weigering een beschikking te geven, als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Lar.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van het Gerecht dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W.P.M. ter Berg, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Martinez, griffier.
w.g. Ter Berg
Voorzitter w.g. Martinez
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2006