ECLI:NL:OGHNAA:2005:BF7447
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
- Hoger beroep
- W.P.M. ter Berg
- A.W.M. Bijloos
- M.R. Wijnholt
- Rechtspraak.nl
Weigering verblijfsvergunning aan vreemdeling met gegratieerde moeder niet in strijd met EVRM
Appellant verzocht op 10 juli 2003 om een verblijfsvergunning. Het Gerecht in eerste aanleg verklaarde het beroep tegen het uitblijven van een beslissing ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij het Hof. Het Hof oordeelde dat het Gerecht ten onrechte analoge toepassing gaf aan artikel 6:20, vierde lid, Awb en dat het beroep mede gericht op de reële beschikking buiten zijn bevoegdheid trad.
De moeder van appellant had een tijdelijke verblijfsvergunning gekregen tijdens de gratieperiode, waarop het beleid van toepassing was dat gegratieerde vreemdelingen geen gezinshereniging mochten aanvragen vanwege het tijdelijke karakter en het algemeen belang. Appellant voerde aan dat dit beleid hem niet mocht worden tegengeworpen en dat artikel 8 EVRM Pro hem aanspraak gaf op een vergunning.
Het Hof oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat vergelijkbare gevallen anders waren behandeld en dat hem geen verblijfstitel werd ontnomen die het familie- of gezinsleven hier ter plaatse mogelijk maakte. Er waren geen objectieve belemmeringen voor het familie- of gezinsleven in het land van herkomst. Het beroep tegen het uitblijven van een beschikking werd ongegrond verklaard en het hoger beroep gegrond, waarbij de uitspraak van het Gerecht werd vernietigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het beroep tegen het uitblijven van een beschikking wordt ongegrond verklaard.