ECLI:NL:OGHNAA:2004:BF3966

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Datum uitspraak
29 november 2004
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
32 HLAR 32/03
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 LARArt. 7 LAREilandsverordening Openbare Straathandel
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van brief als beschikking in bestuursrechtelijke procedure op Sint Maarten

Appellante had het Bestuurscollege verzocht te bevestigen dat zij rechtmatig een standplaats mocht innemen op grond van verleende vergunningen. Het Bestuurscollege reageerde met een brief waarin het mededeelde dat appellante niet beschikte over de vereiste vergunning, maar na betaling van leges in aanmerking kon komen. Tevens werd het voornemen tot intrekking van een eerdere vestigingsvergunning meegedeeld en werd gewezen op algemene besluiten over standplaatsverplaatsingen.

Het Gerecht in eerste aanleg verklaarde het beroep van appellante niet-ontvankelijk omdat het oordeelde dat de brief geen beschikking was die appellante rechtstreeks in haar belang trof. Appellante stelde hoger beroep in tegen deze beslissing.

Het Hof oordeelde dat de brief inderdaad geen beschikking was als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak, omdat deze geen publiekrechtelijke rechtshandeling van niet-algemene strekking inhield en geen rechtsgevolg voor appellante had. Hierdoor was het Gerecht onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. Het Hof vernietigde de uitspraak van het Gerecht en verklaarde het Gerecht onbevoegd. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellante terugbetaald.

Uitkomst: Het Hof verklaart het Gerecht onbevoegd omdat de brief geen beschikking is en vernietigt de uitspraak van het Gerecht.

Uitspraak

32 HLAR 32/03.
Datum uitspraak: 29 november 2004
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend op Sint Maarten,
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, van 17 november 2003 in het geding tussen:
appellante
en
Het Bestuurscollege van het Eilandgebied Sint Maarten.
1. Procesverloop
Bij brief van 26 februari 2003 heeft het Bestuurscollege van het Eilandgebied Sint Maarten (hierna: het Bestuurscollege) aan appellante bericht, als hierna onder 2.2.1. vermeld.
Bij uitspraak van 17 november 2003 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten (hierna: het Gerecht), het daartegen door appellante ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 28 december 2003, bij het Gerecht ingekomen op 29 december 2003, hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door R.E. Duncan, advocaat, en het Bestuurscollege, vertegenwoordigd door mr. B.G. Hofman, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna te noemen: de LAR) wordt in deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen onder beschikking verstaan: een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling die niet van algemene strekking is.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, kunnen natuurlijke personen of rechtspersonen, die door een beschikking rechtstreeks in hun belang zijn getroffen, daartegen beroep instellen bij het Gerecht.
2.2. Appellante klaagt dat het Gerecht ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van een beschikking, waardoor zij rechtstreeks in haar belang is getroffen.
2.2.1. Appellante heeft het Bestuurscollege bij brief van 16 november 2002 verzocht in te stemmen met haar standpunt dat zij op grond van aan haar verleende vergunningen rechtmatig aan de [locatie] te [plaats] standplaats mag innemen. Bij de voormelde brief van 26 februari 2003 heeft het Bestuurscollege naar aanleiding daarvan aan haar meegedeeld dat zij niet beschikt over een vergunning, als bedoeld in de Eilandsverordening Openbare Straathandel, maar dat zij na betaling van de vereiste leges voor verlening daarvan in aanmerking komt. Het heeft in die brief voorts het voornemen geuit tot intrekking van de bij besluit van 6 april 1982 aan appellante verleende vestigingsvergunning. Tenslotte merkt het Bestuurscollege daarin op dat er geen redenen zijn om terug te komen op eerder genomen besluiten met betrekking tot de verplaatsing van standplaatsen van de Voorstraat naar de Gevangenisstraat achter het Gerechtsgebouw.
In die brief is aldus geen beschikking neergelegd. Zij bevat mededelingen over de op appellante toepasselijke regelgeving die niet op enig rechtsgevolg zijn gericht en over beslissingen van algemene strekking betreffende de verplaatsing van standplaatsen. Tegen de brief kan dan ook niet krachtens artikel 7, eerste lid, van de LAR beroep bij het Gerecht worden ingesteld. Anderszins kon dat evenmin. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het Gerecht niet bevoegd was om van het beroep kennis te nemen.
2.2.2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, verklaart het Hof het Gerecht onbevoegd van het beroep kennis te nemen.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, van 17 november 2003, in zaak nr. LAR 2003/17;
III. verklaart het Gerecht in die zaak onbevoegd;
IV. verstaat dat de griffier aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Naf. 300,00 (zegge: driehonderd gulden) terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. W.P.M. ter Berg, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Verbeek, griffier.
w.g. Ter Berg w.g. Verbeek
Voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2004.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,