ECLI:NL:OGHACMB:2026:7

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
CUR2025H00031
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake uitbetaling banktegoeden van Mayfair Investments Inc. tegen FCIB en CBCS

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van Mayfair Investments Inc. tegen de Curaçaose bank FCIB en de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (CBCS). Mayfair, een besloten vennootschap naar buitenlands recht, heeft in 2006 een rekening geopend bij FCIB. Na de noodregeling van FCIB in 2006, die volgde op betrokkenheid bij grootschalige btw-fraude, kwam de bank onder bewind van CBCS te staan. Mayfair heeft in 2022 de uitkeringsprocedure van FCIB succesvol afgerond, maar de bank weigerde haar tegoed uit te betalen en bracht kosten in rekening die Mayfair betwistte. Het Gerecht in eerste aanleg heeft de vorderingen van Mayfair grotendeels afgewezen, met uitzondering van de maandelijkse maintenance fee die niet meer verschuldigd is vanaf december 2022. In hoger beroep heeft het Hof de vorderingen opnieuw beoordeeld. Het Hof oordeelt dat Mayfair tot 1 december 2022 geen opeisbare vordering had op FCIB, omdat zij de uitkeringsprocedure nog niet succesvol had afgerond. Het Hof bevestigt het vonnis van het Gerecht en wijst de overige vorderingen van Mayfair af, waarbij het ook oordeelt dat FCIB niet verplicht is tot uitbetaling van het banksaldo.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: CUR202400693 – CUR2025H00031
Uitspraak: 13 januari 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
de besloten vennootschap naar buitenlands recht
MAYFAIR INVESTMENTS INC.,
gevestigd op de Seychellen,
in eerste aanleg eiseres, thans appellante,
gemachtigde: mr. A.C. Small,
tegen
de naamloze vennootschap
FIRST CURACAO INTERNATIONAL BANK N.V.,
gevestigd in Curaçao,
de openbare rechtspersoon
CENTRALE BANK VAN CURACAO EN SINT MAARTEN,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagden, thans geïntimeerden,
gemachtigden: mrs. S.N.I. Francisco en M.R. Hammoud.
Partijen worden hierna Mayfair, FCIB en CBCS genoemd en de laatste twee gezamenlijk: FCIB c.s.

1.De zaak in het kort

In 2006 is de noodregeling uitgesproken van de Curaçaose bank FCIB, die daardoor onder bewind kwam te staan van de Centrale Bank. Onder dat bewind heeft FCIB een procedure vastgesteld die rekeninghouders moesten doorlopen om uitkering van hun tegoeden te verkrijgen. Een van die rekeninghouders was Mayfair. Mayfair heeft de uitkeringsprocedure in december 2022 succesvol afgerond. Mayfair wil alsnog haar tegoed op de rekening uitbetaald krijgen. FCIB werkt daar niet aan mee en brengt bovendien kosten in rekening waarmee Mayfair het niet eens is. Volgens haar voldeed zij al in 2008 aan de vereisten om uitkering te krijgen. Het Gerecht heeft de vorderingen grotendeels afgewezen. In dit hoger beroep beoordeelt het Hof de vorderingen opnieuw.

2.Het verloop van de procedure

2.1
Bij op 24 februari 2025 ingekomen akte van appel is Mayfair in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 13 januari 2025 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht).
2.2
Bij op 7 april 2025 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft Mayfair vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en haar vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van FCIB – uitvoerbaar bij voorraad – in de proceskosten in beide instanties.
2.3
Bij op 5 juni 2025 (per e-mail) ingekomen memorie van antwoord, met producties, heeft FCIB de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van Mayfair – uitvoerbaar bij voorraad – in de proceskosten in hoger beroep, met nakosten en rente.
2.4
Op 2 december 2025 hebben partijen de zaak mondeling bepleit. Aanwezig waren: de gemachtigden van partijen en namens Mayfair [PERSOONSNAAM 1] en (via een videoverbinding) de directeur [PERSOONSNAAM2]. De gemachtigden van de partijen hebben aan de hand van de overgelegde pleitnotities het woord gevoerd.
2.5
Vonnis is bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1
Het Hof gaat uit van dezelfde feiten als waar het Gerecht vanuit is gegaan, waarbij zij rekening houdt met de in grief 2 door Mayfair (alsnog) betwiste feiten.
3.2
FCIB was tot oktober 2006 een kredietinstelling in de zin van de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen.
3.3
Mayfair heeft op 2 maart 2006 een rekening geopend bij FCIB. Op 23, 25, 28, 29 en 30 augustus 2006 is een bedrag van in totaal EUR 772.703,63 op haar rekening overgemaakt.
3.4
De ultimate beneficiary owner (Ubo) van Mayfair is [PERSOONSNAAM 2].
3.5
In oktober 2006 heeft Mayfair meermaals geprobeerd het geld van haar rekening over te boeken naar een rekening van [PERSOONSNAAM 2], maar die pogingen zijn door FCIB geannuleerd.
3.6
Op de rechtsverhouding tussen FCIB en Mayfair zijn algemene voorwaarden van toepassing. Die luiden onder meer als volgt:
“A2. GENERAL
2.17
The Client shall pay the Bank all the fees, commissions and other charges at such rates and in such manner as the Bank may impose with respect to (a) any Account or the maintenance of any Account; (...) or (g) such other matters as the Bank may determine. All of the Bank's fees, commissions and other charges shall be posted on its Web Site.
The Client shall reimburse the Bank for any and all disbursements, costs and/or other expenses incurred by the Bank in connection with: (a) the execution or implementation of any Instruction; or (b) the provision of Facikities for or in respect of any Account or the Client.
2.2
The operation of all Accounts, the execution of all Instructions, and the provision of all Facilities shall be subject at all times to the Applicable Laws. The Bank may take or refrain from taking any action whatsoever, and the Client shall do all things required by the Bank, in order to procure or ensure compliance with Applicable Laws.
A6. MISCELLANEOUS
6.1
All notices, demands and communications by the Bank to the Client may be sent or dispatched by the Bank to the Client by means of the Bank's Web Site, hand delivery, post, email, facsimile transmission or any other means deemed appropriate by the Bank to the email or other address or facsimile number of the Client last known to the Bank. (...)
Artikel C2.2.1.
The Client shall reimburse the Bank for any and all disbursements, costs and/or other expenses incurred by the Bank in connection with: (...) (b) the provision of Facilities for or in respect of any Account or the Client.
The Client shall indemnify and hold the Bank harmless from and against any and all Loss suffered or incurred by the Bank as a result of the following (a) any failure by the Client to comply with these Terms and Conditions; (...) (d) any act or thing done or caused to be done by the Bank in connection with or referable to these Terms and Conditions or any Account; and any Breach by the Client of any representations, warranties and undertakings set forth herein.”
3.7
Op 9 oktober 2006 heeft de Centrale bank (van toen nog de Nederlandse Antillen, nu van Curaçao en Sint Maarten, CBCS) de bankvergunning van FCIB ingetrokken en heeft het Gerecht de noodregeling uitgesproken. Daardoor is FCIB onder bewind van CBCS komen te staan. Vanaf dat moment oefent FCIB het bankbedrijf niet meer uit en is zij bezig met de afwikkeling van haar bedrijf. Ten tijde van het uitspreken van de noodregeling bedroeg het saldo op de door Mayfair aangehouden bankrekening EUR 782.454,32 (initieel saldo).
3.8
De aanleiding voor het intrekken van de bankvergunning en het uitspreken van de noodregeling was betrokkenheid van rekeninghouders van FCIB bij grootschalige btw-fraude. FCIB is vervolgens ook zelf in een strafzaak betrokken geraakt wegens verdenking van betrokkenheid bij die fraude. Die strafzaak is in 2013 geëindigd met een transactie.
3.9
Op 13 november 2006 en 14 december 2006 zijn de rekeninghouders van FCIB via de website van FCIB opgeroepen hun medewerking te verlenen aan uitkering van hun banktegoeden op door hen op te geven bankrekeningen
(elders) onder overlegging van de daartoe benodigde KYC/EDD-documentatie. Lopende het onderzoek zijn tegoeden van rekeninghouders geblokkeerd, heeft FCIB geweigerd tot uitkering over te gaan en heeft CBCS geweigerd goedkeuring te geven tot uitkering van de tegoeden.
3.1
FCIB heeft Mayfair onder meer op 7 november, 29 november en 7 december 2006 om aanvullende compliance informatie verzocht.
3.11
Er volgt correspondentie over en weer die voor FCIB aanleiding vormt om Mayfair te onderwerpen aan een verscherpt compliance onderzoek.
3.12
Op 21 maart 2007 heeft FCIB op haar website een aanvullende procedure bekendgemaakt ter verkrijging van uitkering door rekeninghouders van hun banktegoeden met strengere eisen ter voorkoming dat tegoeden worden uitgekeerd die van misdrijf afkomstig zijn (hierna: de uitkeringsprocedure). Alle cliënten moeten volledig voldoen aan de eisen hiervan en rekeninghouders die tot de risicogroep behoren dienen tevens een accountantsrapport te overleggen.
3.13
In december 2007 komt een nieuw auditor report beschikbaar. Dit leidt tot aanvullende vragen van FCIB per mail op 9 februari 2008.
3.14
Mayfair komt eind 2010 met een reactie. Wat leidt tot nieuwe vragen van de zijde van FCIB op 12 januari 2011.
3.15
Na op 19 juli 2011 door Mayfair te zijn gerappelleerd stuurt FCIB op 20 juli
2011 een herinnering aan Mayfair om op de vragen gesteld in haar mail van
2 augustus 2011 te reageren.
3.16
Op 30 augustus 2013 heeft FCIB een bericht op haar website geplaatst dat inhoudt, voor zover hier van belang:
"MONTHLY MAINTENANCE FEES
For clients who have not yet complied with FCIB's wind down procedures (...) (and as a result have caused the bank to incur unnecessary expenses), in addition to the bank holding those clients responsible for such expenses, the Monthly Maintenance Fees will increase effective as of November 1st, 2013 from US$ 50 to US$ 250 (...). This is in accordance with the FCIB's Account Terms and Conditions."
3.17
Op 31 december 2013 heeft FCIB een volgend bericht op haar website geplaatst dat inhoudt, voor zover hier van belang:
"Clients who have not complied by March 1, 2014 with FCIB's wind down procedures, (...) are in breach of FCIB's applicable Account Terms and Conditions (...) and as a result will be held responsible for the extra expenses incurred by FCIB in an amount equal to 15% of the client's balance on each account plus all applicable fees and charges."
3.18
De 15% ziet op de kosten van FCIB over de periode vanaf het uitspreken van de regeling tot aan 31 december 2013. De verhoging van de maintenance fee naar USD 250 per maand ziet op de periode vanaf 31 december 2013.
3.19
Eind 2017 werd in Curaçao opnieuw een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar FCIB, dat in januari 2020 is geëindigd met een transactie (de Amethist Transactie). Eind 2020 heeft een Engelse bewindvoerder FCIB betrokken in een gerechtelijke procedure.
3.2
In oktober 2022 heeft Mayfair via InfoCapital informatie gezonden aan het complianceteam van FCIB c.s. waaronder een legal opinion van een Braziliaans advocatenkantoor.
3.21
Bij brief van 1 december 2022 heeft FCIB het onderzoek afgerond en aan de gemachtigde van Mayfair meegedeeld "Herewith FCIB's due diligence in your client has been completed and it has been established that Mayfair Investment Inc is a legitimate account holder of FCIB."
3.22
Bij brief van 14 december 2022 is aan Mayfair meegedeeld dat per december 2022 zijn saldo EUR 641.591,83 bedroeg na aftrek van 15% Measure (USD 113,222.09) en de maandelijkse maintenance fees (USD 250 per maand).
3.23
Op 6 februari 2023 is aan Mayfair meegedeeld dat ondanks het zijn van legitimate account holder niet wordt uitbetaald.

4.De vordering en de beslissing van het Gerecht

4.1
In deze rechtszaak heeft Mayfair gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad :
1. een verklaring voor recht dat het FCIB c.s. niet is toegestaan om een maintenance fee van USD 250 per maand althans een boetepercentage aan Mayfair in rekening te brengen op het saldo van de door Mayfair bij FCIB gehouden rekening;
2. een gebod aan FCIB om de rekening van Mayfair te crediteren met het op het saldo ingehouden bedrag aan monthly maintenance fee en een boetepercentage;
3. een gebod aan FCIB om de rekening van Mayfair te crediteren met de vanaf 30 augustus 2006 verschenen creditrente;
4. een verbod aan FCIB om maandelijkse onderhoudskosten in mindering te brengen op het banksaldo van de rekening dan wel nog langer kosten in rekening te brengen in verband met het onder zich houden van de gelden die worden geadministreerd op de rekening van Mayfair;
5. een verklaring voor recht dat Mayfair een vordering heeft op FCIB van het volledige banksaldo EUR 782.454,30 met vermeerdering van de rente vanaf 30 augustus 2006 en de wettelijke rente vanaf de datum van het inleidend verzoekschrift;
6. veroordeling van FCIB tot betaling aan Mayfair van het volledige banksaldo van EUR 782.454,30 met vermeerdering van de rente vanaf 30 augustus 2006 en de wettelijke rente vanaf de datum van het inleidend verzoekschrift;
7. veroordeling van FCIB tot betaling aan Mayfair van Cg 10.000 aan buitengerechtelijke incassokosten;
8. veroordeling van CBCS om mee te werken aan de veroordelingen onder 2, 3, 4, 6, 7 en 11 (?), op straffe van verbeurte van een dwangsom;
9. FCIB c.s. hoofdelijk zal veroordelen in de proceskosten, met nakosten en rente.
4.2
Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht bepaald dat Mayfair vanaf december 2022 de maandelijkse maintenance fee niet meer verschuldigd is. Het Gerecht heeft de overige vorderingen afgewezen, met veroordeling van Mayfair in de proceskosten.

5.De beoordeling

Grief 1: geen belang vanwege herstelfunctie hoger beroep
5.1
Bij beoordeling van grief 1 (schending hoor en wederhoor) heeft Mayfair geen belang. Vanwege de herkansingsfunctie van het hoger beroep heeft Mayfair de gelegenheid gehad en benut om haar stellingen en de in haar visie daarvoor relevante feiten zonder restricties aan het Hof te presenteren.
Grief 2: geen belang omdat het Hof feiten opnieuw heeft vastgesteld
5.2
Ook bij grief 2 (onjuiste feitenvaststelling) heeft Mayfair geen belang nu het Hof de feiten die het voor de beslissing van belang acht en die door de ene partij zijn gesteld en door de andere niet of onvoldoende zijn weersproken, opnieuw heeft vastgesteld.
Grieven 3 en 4: Kan Mayfair FCIB rechtens iets verwijten?
5.3
De grieven 3 en 4 raken de kern van het geschil en komen neer op het volgende. Mayfair verwijt FCIB dat zij niet eerder (namelijk in 2008) als legitimate account holder het tegoed op haar rekening aan haar heeft uitbetaald. Volgens Mayfair is dat te wijten aan onjuist handelen van FCIB, volgens FCIB is dat te wijten aan Mayfair die pas in oktober 2022 de volledige informatie heeft verschaft die FCIB nodig had om te beoordelen of Mayfair een legitimate of compliant account holder was.
FCIB heeft Mayfair terecht onderworpen aan de uitkeringsprocedure
5.4
Vast staat dat Mayfair bij het openen van de rekening in maart 2006 op het applicatieformulier achter de vraag ‘Line of Business’ en ‘Business Sector’ heeft vermeld: financial services. FCIB heeft Mayfair vervolgens aangemerkt als financial services provider. Volgens Mayfair ten onrechte. [PERSOONSNAAM 2] heeft in een e-mail van 4 december 2006 aan FCIB verklaard dat Mayfair geen financial provider ‘as such‘ is, maar dat ‘Its scope is wide enough tot do any activity’. Wat de activiteiten van Mayfair dan wel behelzen, legt [PERSOONSNAAM 2] niet uit. Daargelaten of de kwalificatie door FCIB als financial services provider onjuist is, is het voor het Hof niet duidelijk wat Mayfair met deze stelling wil bereiken. Voor zover Mayfair bedoelt te stellen dat FCIB haar niet aan de uitkeringsprocedure had mogen onderwerpen omdat zij niet in een risicogroep viel, heeft zij die stelling onvoldoende onderbouwd. FCIB had op grond van de noodregeling de bevoegdheid en zelfs de plicht om Mayfair te onderwerpen aan de uitkeringsprocedure. Als bedrijf dat als line of business/business sector naar eigen zeggen ‘financial services’ heeft, valt niet in te zien waarom voor Mayfair de uitkeringsprocedure niet zou gelden. Mayfair is in gebreke gebleven om afdoende uit te leggen waarom voor Mayfair de uitkeringsprocedure niet gold. Daar komt bij dat ook uit de algemene voorwaarden een doorlopende KYC (Know Your Customer) verplichting is opgenomen.
Mayfair heeft pas in 2022 alle informatie verschaft die nodig was
5.5
Mayfair stelt dat FCIB in 2008 al beschikte over alle documenten die tot de conclusie hadden moeten leiden dat Mayfair een compliant account holder was. Mayfair beroept zich in dat kader op correspondentie met FCIB, in het bijzonder de brief van 8 mei 2008 van haar toenmalige advocaat [PERSOONSNAAM 3]. Het Hof kan echter uit die brief niet afleiden dat FCIB toen al over alle informatie beschikte op grond waarvan het haar duidelijk had moeten of kunnen zijn dat Mayfair een compliant account holder was. Desgevraagd kon Mayfair ook ter zitting niet uitleggen op grond waarvan dat uit die brief volgt.
5.6
De stelling dat FCIB in 2022 over precies dezelfde stukken beschikte als in 2008 is bovendien feitelijk onjuist. De legal opinion van de Braziliaanse advocaat is pas in 2022 opgesteld en namens Mayfair aan FCIB gestuurd. Voor zover de stelling van Mayfair op dit punt zo begrepen moet worden dat FCIB al in 2008 over dezelfde onderliggende stukken en documenten beschikte als in 2022 (zoals de ‘proof of existence’ en het onderliggende ‘beefcontract’), overweegt het Hof dat die stukken op zichzelf onvoldoende waren om de compliancy van Mayfair te kunnen toetsen. FCIB heeft aangevoerd, en dat wordt bevestigd in de overgelegde (e-mail)correspondentie tussen partijen, dat die stukken nu juist nieuwe vragen opwierpen en daarom om een nadere toelichting vroegen, op welk punt Mayfair tot 2022 in gebreke is gebleven.
5.7
Ter zitting heeft [PERSOONSNAAM 1] verklaard dat hij in 2022 in verband met deze kwestie is ingeschakeld door Mayfair, dat hij daarop een Braziliaanse advocaat heeft geraadpleegd en dat deze een legal opinion heeft opgesteld welke [PERSOONSNAAM 1] aan FCIB heeft verstrekt. Juist die legal opinion met daarin een uitgebreide toelichting, die dus pas in 2022 namens Mayfair aan FCIB is verstrekt, heeft voor FCIB het verschil gemaakt. De legal opinion bevatte volgens FCIB - zoals zij ter zitting heeft toegelicht en Mayfair niet heeft weersproken - voor het eerst de volledige set onderliggende stukken waar FCIB al die jaren om had gevraagd, daarin werd het daadwerkelijke bestaan van Kroll bevestigd en uitleg gegeven over de naamsverwarring (Kroll Ltda/Kroll Serviços e Obras Ltda.), evenals een uitleg over de doelomschrijving en waarom de vleesindustrie daarin niet voorkomt. Daarmee waren de vragen die FCIB sinds 2008 en 2011 aan Mayfair had gesteld voor het eerst afdoende beantwoord.
5.8
Tegenover dit gedetailleerde verweer van FCIB heeft Mayfair haar vordering onvoldoende onderbouwd. Zij gaat niet in op hetgeen FCIB heeft aangevoerd over het opstellen en de betekenis van de legal opinion uit 2022, maar blijft slechts volhouden dat Mayfair alle informatie al in 2008 aan FCIB had verstrekt, en dat het aan incompetentie van FCIB is te wijten dat de documenten niet op hun juiste merites zijn beoordeeld. Het Hof volgt Mayfair daarin niet. Daargelaten dat Mayfair die stelling niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwt, lag het in de verhouding tussen FCIB en Mayfair op de weg van Mayfair om de (aanvullende) vragen die FCIB stelde naar aanleiding van de verstrekte documenten, volledig en afdoende te beantwoorden en/of de documenten van de gevraagde toelichting te voorzien. Mayfair is daarmee meermaals aantoonbaar in gebreke gebleven. In 2022 heeft zij dit uiteindelijk wel gedaan; niet valt in te zien waarom zij dat niet eerder had kunnen doen.
Mayfair had tot 1 december 2022 geen opeisbare vordering op FCIB
5.9
Daarmee komt het Hof evenals het Gerecht tot het oordeel dat Mayfair tot 1 december 2022 geen opeisbare vordering tot uitbetaling had op FCIB omdat zij de uitkeringsprocedure nog niet succesvol had afgerond. Daarvan valt FCIB geen verwijt te maken, zodat de daarop gebaseerde vorderingen niet toewijsbaar zijn. De vordering onder 1 is toewijsbaar vanaf 1 december 2022. Het Gerecht heeft in die zin beslist en daartegen is FCIB niet opgekomen.
FCIB hoeft niet over te gaan tot uitbetaling
5.1
Met het Gerecht is het Hof van oordeel dat FCIB niet is gehouden tot afdracht van enig banksaldo op grond van het bepaalde in artikel 31 LTKB en de aangevoerde omstandigheid – niet betwist door Mayfair – dat FCIB is betrokken in een procedure in het Verenigd Koninkrijk waarin van FCIB 415 miljoen Britse Ponden wordt gevorderd.
5.11
Ook CBCS kan mede gelet op het voorgaande niet verplicht worden mee te werken aan uitbetaling, zoals het Gerecht terecht heeft geoordeeld (er bestaat voor CBCS geen contractuele verplichting op grond waarvan zij is gehouden tot uitvoering van een opdracht tot overboeking) en waartegen Mayfair geen grief heeft gericht.
Het Hof komt niet toe aan een oordeel over de creditrente en de kosten van 15%
5.12
Het Gerecht heeft de vordering onder 3 afgewezen en daartegen heeft Mayfair geen grief gericht.
5.13
Omdat het Hof tot het oordeel komt dat FCIB noch CBCS thans is gehouden tot uitbetaling van enig saldo komt het niet toe aan een oordeel over de inhouding van 15% vanwege kosten.
Slotsom
5.14
Het hoger beroep slaagt niet. Het Hof zal het vonnis waarvan beroep bevestigen. Mayfair zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep,
veroordeelt Mayfair in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van FCIB gevallen en tot op heden begroot op Cg 413,49 aan verschotten en Cg 21.000 aan salaris voor de gemachtigde, inclusief nakosten (van Cg 250 zonder betekening en Cg 400 ingeval van betekening) en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na deze uitspraak,
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, E.A. Saleh en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 13 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.