ECLI:NL:OGHACMB:2026:60

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
SXM2024H00145
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 AVArt. 6 AV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verbod bank op opzegging rekeningen wegens onvoldoende KYC-documentatie

In deze zaak staat de botsing centraal tussen de zorgplicht van een bank jegens haar cliënten en haar wettelijke complianceverplichtingen. RBC Royal Bank wilde de bankrelaties met Electrum Group LLC en LIS Inc. beëindigen omdat de cliënten weigerden herhaaldelijk KYC-vragenformulieren in te vullen, terwijl zij stelden dat er geen wijzigingen waren in hun gegevens.

Het Gerecht in Eerste Aanleg had RBC reeds verboden om de gebruikelijke bankdiensten te staken, met dwangsommen bij overtreding. RBC ging in hoger beroep tegen dit vonnis. Het Hof bevestigt het eerdere oordeel dat voor opzegging van duurovereenkomsten een zwaarwegende grond vereist is, en dat RBC onvoldoende heeft aangetoond dat haar belangen zwaarder wegen dan die van de cliënten.

Het Hof oordeelt dat RBC niet duidelijk heeft gemaakt welke aanvullende informatie zij mist en dat de cliënten zich aan hun verplichtingen hebben gehouden. Dreigementen van cliënten met publicaties en strafaangiftes wegen slechts beperkt mee. De dwangsommen worden wel verlaagd, maar het verbod op opzegging blijft in stand. RBC wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het Hof bevestigt het verbod op opzegging van de bankrekeningen en stelt lagere dwangsommen vast.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: SXM202400666 – SXM2024H00145
Uitspraak: 18 maart 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in kort geding in de zaak van
de naamloze vennootschap
RBC Royal Bank N.V.
gevestigd in Sint Maarten,
in eerste aanleg gedaagde,
thans appellante,
gemachtigde: mr. R.F. Gibson,
tegen

1.[geïntimeerde 1]wonende in de [woonplaats]

2. de rechtspersoon naar buitenlands recht
Electrum Group LLCgevestigd in Nevis
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
LIS Inc.gevestigd in Nevis,
geïntimeerden,
in eerste aanleg: eisers,
gemachtigden: mr. D.Y.C.T Gloudemans, mr. D.B. Dubach en mr. M.K.A. Hart.
Appellante wordt hierna
RBCgenoemd en geïntimeerden
[geïntimeerde 1],
Electrumen
Lis. Met
[geïntimeerden]worden de drie geïntimeerden gezamenlijk bedoeld.

1.De zaak in het kort – spoedeisend belang

1.1.
De zaak gaat over twee tegenstrijdige verplichtingen van een handelsbank, te weten de zorgplichten jegens haar cliënten en de financiële complianceplichten jegens de maatschappij en/of toezichthouders.
1.2. [
[geïntimeerden] houden bankrekeningen aan bij RBC. RBC heeft hen bericht dat het gebruik van de bankrekeningen van Electrum en Lis zou worden beperkt indien bepaalde KYC (
Know Your Client)-documentatie niet tijdig aan RBC zou worden verstrekt.
Op vordering van [geïntimeerden] heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Sint Maarten (hierna:
hetGerecht) in een kort gedingvonnis van 1 november 2024 RBC bevolen om – kort gezegd – de gebruikelijke bankdiensten voor [geïntimeerden] te blijven uitvoeren. Overtreding van dit bevel heeft tot gevolg dat RBC dwangsommen verbeurt. RBC heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
1.3. [
[geïntimeerden] hadden tijdens de procedure in eerste aanleg spoedeisend belang bij hun vorderingen. Uit het bovenstaande blijkt dat zij dat ook nu nog hebben. Het Hof beoordeelt het geschil daarom inhoudelijk.
1.4.
Het Hof is het eens met het vonnis, bevestigt het en veroordeelt RBC in de kosten van het hoger beroep. Hieronder wordt uitgelegd waarom het Hof zo beslist. Eerst worden het procesverloop en vaststaande feiten weergegeven.

2.Het verloop van de procedure

2.1.
RBC heeft op 22 november 2024 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht. Zij heeft op 12 december 2024 een memorie van grieven ingediend.
2.2. [
[geïntimeerden] hebben 24 januari 2025 een memorie van antwoord ingediend.
2.3.
Op de zitting van het Hof van 27 augustus 2025 heeft RBC een pleitnota ingediend. [geïntimeerden] hebben op die zitting afgezien van de hen geboden mogelijkheid om een pleitnota over te leggen. Het Hof heeft daarop bepaald dat het vonnis zal wijzen. Dat is dit vonnis.

3.De vaststaande feiten

Het Gerecht heeft in zijn vonnis onder 2.1 tot en met 2.5 feiten vastgesteld waar geen discusie over is en die ook in hoger beroep tot uitgangspunt worden genomen. Kort gezegd gaat het daarbij om het volgende.
3.1. [
[geïntimeerde 1] is de Ultimate Beneficiary Owner (UBO) van Electrum en Lis. Elk van de drie geïntimeerden houdt bankrekeningen aan bij RBC. RBC heeft hen begin 2024 meermalen verzocht om vragenformulieren in te vullen en ondertekend bij de bank te brengen. [geïntimeerden] hebben even zo vaak geweigerd om dat te doen, waarbij hun UBO als reden voor de weigering heeft opgegeven dat er sinds de vorige keer niets is veranderd.
3.2.
Op 25 april 2024 heeft RBC aan [geïntimeerde 1] voorgesteld om de bankrelatie tussen partijen te beëindigen en op 14 mei 2024 heeft zij, kennelijk omdat [geïntimeerden] niet instemden met die beëindiging, medegedeeld dat de bankrekeningen van Electrum en Lis op 5 juni 2024
restrictedzouden worden als [geïntimeerden] op die dag nog niet de van hen verlangde KYC-documentatie zouden hebben verstrekt. [geïntimeerden] hebben vervolgens dit kort geding aangespannen, met succes. RBC wil dat het vonnis van het Gerecht door het Hof wordt vernietigd en dat het Hof de vorderingen van [geïntimeerden] afwijst en [geïntimeerden] in de kosten veroordeelt.

4.De beoordeling door het Hof

4.1.
Het Hof sluit zich aan bij rov 4.2 van het vonnis van het Gerecht, waarin de beoordelingsmaatstaf voor opzeggingen van duurovereenkomsten wordt weergegeven. Kort gezegd houdt die maatstaf in dat voor opzegging van duurovereenkomsten een voldoende zwaarwegende grond moet bestaan. Vanwege de ingrijpende gevolgen van een beëindiging van bankrelaties moeten daartegenover zwaarwegende belangen van de bank staan, wil de bank kunnen opzeggen. RBC stelt dat die belangen er in dit geval zijn: zij beroept zich op haar compliance-verplichtingen. RBC is wettelijk verplicht om tegen te gaan dat haar diensten worden gebruikt voor criminele activiteiten, zoals witwassen en terrorisme. RBC wijst op de wet en op de artikelen 5 en 6 van haar Algemene Voorwaarden (AV), waarin zij leest dat [geïntimeerden] verplicht zijn om op eerste verzoek vragenformulieren in te vullen. Zij vindt dat het Gerecht het belang van het Cliënt Risk Assessment (CRA) formulier heeft onderschat.
4.2. [
[geïntimeerden] voeren verweer. Zij hebben niet bestreden dat RBC zich daarmee op een zwaarwegend belang beroept, maar ontkennen dat dit belang in dit geval, waarin zij hebben laten weten dat er niets is gewijzigd, in het gedrang komt.
4.3.
Terecht hebben [geïntimeerden] niet ontkend dat RBC wettelijk verplicht, en daarom in beginsel ook jegens [geïntimeerden] bevoegd is om periodiek te verifiëren of de cliëntgegevens die zij bezit nog juist zijn. Zij ontleent die bevoegdheid niet alleen aan de compliancewetgeving, maar ook aan haar algemene voorwaarden. [geïntimeerden] hebben zich echter aan de wet en aan die voorwaarden gehouden. Dit wordt hieronder uitgelegd.
geen schending van verplichtingen uit de artikelen 5 en/of 6 AV
4.4.
Artikel 5 AV Pro verplicht [geïntimeerden] - kort gezegd - om op eerste verzoek van RBC informatie te geven over hun activiteiten, hun doeleinden en de redenen voor het door hen gemaakte en/of voorgenomen gebruik van de bankrekeningen. Op verzoek van de bank moeten [geïntimeerden] volgens artikel 5 AV Pro ook de herkomst van (onder meer) hun tegoeden opgeven. Artikel 6 AV Pro maakt met een opsomming duidelijk welke (soort) gegevens RBC mag vragen.
4.5.
In de AV staat niet hoe vaak RBC om de gegevens mag vragen en ook niet op welke wijze de cliënten die gegevens moeten aanleveren. Dat dit volgens de AV uitsluitend mag door middel van het uitschrijven van alle antwoorden op de vragenformulieren, is door RBC niet onderbouwd. In haar stellingen kan wel worden gelezen dat [geïntimeerden] verplicht zijn om hun verklaringen schriftelijk af te leggen. Zij heeft (begrijpelijkerwijs) behoefte aan bewijs van de inhoud van de verklaring van [geïntimeerden] en mag dus verlangen dat deze die verklaring op papier afleggen, ondertekenen en aan RBC afgeven. Deze optie heeft RBC hen kennelijk niet geboden, laat staan dat is gebleken van een weigering van [geïntimeerden] om dááraan te voldoen.
4.6.
RBC heeft niet duidelijk gemaakt dat zij informatie mist die [geïntimeerden] uit hoofde van de artikelen 5 en 6 AV hadden moeten geven. Zij stelt dat zij onvoldoende weet over de bedrijfsactiviteiten en de herkomst van de bezittingen van [geïntimeerden] en dat zij over Electrum slechts weet dat die onderneming haar bezittingen heeft verworven met de activiteit “
Zelf, consultant”. Welke nadere informatie RBC van [geïntimeerden] verlangt is daarmee niet duidelijk genoeg gemaakt. De woorden “
Zelf, consultant” vormen klaarblijkelijk het antwoord op een vraag, en moeten mede aan de hand van de tekst van die vraag worden uitgelegd. Dat het RBC ook dan onduidelijk is, had zij nader moeten toelichten en zij had ook nadere vragen aan [geïntimeerden] kunnen stellen, voordat zij met de opheffing van de rekeningen dreigde. In dit kort geding is niet gebleken dat RBC dat heeft gedaan.
4.7.
RBC heeft gewezen op signalen die zij in 2018 ontving en die aanleiding waren voor nader compliance-onderzoek naar de activiteiten van Electrum. Andere banken vroegen bij RBC informatie op over Electrum vanwege overboekingen van hoge bedragen (
high figure transactions). Productie 9 bij de procesinleiding maakt melding van 12 overschrijvingen van hoge bedragen (variërend van US$ 30.000 tot
US$ 1.450.000, in de periode 2013 - 2017) en 3 kasopnames (US$ 50.000, US$ 20.000 en US$ 40.000, in de periode 2015 - 2017). Een of meer rekeningen van Electrum zijn slapend (
dormant) gemaakt, waartoe RBC beleidsmatig overgaat indien er op die rekening zes maanden lang geen activiteiten plaatsvinden. De verdenking is kennelijk weggenomen: de rekeningen van Electrum zijn op enig moment weer vrijgegeven. Hieruit begrijpt het Hof dat de signalen uit 2018 geen reden waren voor de in 2024 aangezegde beëindiging van de relatie.
geen schending van wettelijke informatieverplichtingen
4.8.
RBC heeft in het licht van het voorgaande in dit kort geding onvoldoende duidelijk gemaakt in welk opzicht de weigering van [geïntimeerden] RBC hindert bij het uitoefenen van haar wettelijke verplichtingen, op compliance- dan wel ander gebied. Dat RBC door de weigering van [geïntimeerden] om de vragenformulieren opnieuw in te vullen nadeel ondervindt (door sancties van toezichthouders en/of reputatieschade bij collega-banken en toezichthouders) is voorshands niet gebleken.
de handtekening
4.9.
Volgens RBC is de handtekening van [geïntimeerde 1] veranderd, maar zij heeft niet aangevoerd dat zij daarvoor de vragenformulieren nodig heeft, die [geïntimeerden] niet opnieuw hebben willen invullen. Het had op de weg van RBC gelegen om toe te lichten dat [geïntimeerde 1] heeft geweigerd om een handtekening te plaatsen op een document dat uitsluitend bedoeld is om te worden gebruikt voor de verificatie van handtekeningen die onder toekomstige opdrachten staan. [geïntimeerden] hebben namelijk aangevoerd dat documenten die hun ter ondertekening werden voorgelegd tevens verklaringen inhouden dat akkoord werd gegaan met een wijziging van de status van de rekeningen en/of met hogere
fees.
dreigementen
4.10.
De gemoederen zijn verhit geraakt. RBC heeft, zoals gezegd, gedreigd met de opheffing van de rekeningen. Hierop hebben [geïntimeerden] gedreigd met publicaties en strafaangiftes ter zake van verduistering. Voor zover RBC de dreigementen van [geïntimeerden] als reden voor een opzegging hebben willen aanvoeren, gaat het om een minder zwaarwegende reden. De dreigementen met strafaangiftes en publicaties lijken weliswaar onrechtmatig omdat van verduistering geen sprake is en [geïntimeerden] kunnen ook op andere wijze RBC dwingen om zich aan haar verplichtingen te houden, zoals dit kort geding, maar [geïntimeerden] hebben de dreigementen niet uitgevoerd. Voor [geïntimeerden] zou een noodsituatie ontstaan indien zij geen bankrekening meer zouden hebben. Dat zij op korte termijn een andere bank bereid kunnen vinden om rekeningen voor hen te openen, is bestreden en niet nader onderbouwd door RBC. De dreigementen lijken weliswaar weloverwogen nu zij door tussenkomst van een advocaat zijn gedaan, maar moeten worden gezien als noodsprong. Daarom kent het Hof daaraan een beperkt gewicht toe.
de belangenafweging
4.11.
Voorshands is niet gebleken dat [geïntimeerden] hebben geweigerd om informatie te verstrekken. RBC weet dat de informatie die zij heeft juist is. Mogelijk is zij geholpen met een schriftelijke, ondertekende verklaring van [geïntimeerden] waarin is vastgelegd dat de eerder verstrekte informatie nog steeds actueel is en in de daarin genoemde feiten geen wijziging is gekomen en aan een nieuwe handtekeningenkaart. Maar van een weigering om die verklaringen af te leggen en om een nieuwe handtekening te zetten op een neutraal document, is geen sprake geweest. De gestelde dreigementen waren, zoals hiervoor al opgemerkt, een noodsprong en daaraan komt dus beperkt gewicht toe. De belangen van RBC bij de beëindiging van de relatie met [geïntimeerden] zijn naar het voorlopige oordeel van het Hof al met al onvoldoende zwaarwegend voor een opzegging. Het bevel dat het Gerecht heeft gegeven zal daarom worden bevestigd.
de dwangsom
4.12.
RBC vindt de dwangsommen van US$ 750.000 en US$ 7.500 per dag dat RBC in strijd handelt met de veroordeling disproportioneel hoog. Zij wijst op de complexiteit van de complianceregels, maar gaat daarbij ten onrechte ervan uit dat [geïntimeerden] onvoldoende medewerking hebben gegeven om RBC in staat te stellen die regels na te komen. Ook het argument dat de dwangsom als drukmiddel tegen RBC kan woorden gebruikt, helpt RBC niet. De dwangsom is bedoeld als drukmiddel. Een nadeel dat daaraan is verbonden is, dat er mogelijk grote bedragen worden geïncasseerd die later terugbetaald moeten worden indien blijkt dat de dwangsommen niet, of slechts tot een lager bedrag zijn verbeurd. Hier gaat het om een onlosmakelijk aan de wettelijke regeling verbonden nadeel, waar het Hof rekening mee houdt bij de bepaling van de hoogte (en het maximumbedrag) van de dwangsommen. De toezegging van RBC om zich aan de veroordeling te houden, kan het belang bij de bepaling van dwangsommen niet (helemaal) wegnemen. Al met al ziet het Hof aanleiding om lagere dwangsommen op te leggen dan het Gerecht heeft gedaan.
bewijsaanbod
4.13.
Beide partijen hebben aangeboden om meer bewijs te leveren dan zij al hebben gedaan, maar bewijslevering past niet bij het spoedkarakter van deze procedure. Het hof wijst de bewijsaanbiedingen daarom af.
de slotsom
4.14.
Van de grieven is alleen de laatste gegrond, en wel slechts gedeeltelijk. Het vonnis van het Gerecht zal daarom worden bevestigd, met dien verstande dat het Hof de aan de veroordeling gekoppelde dwangsommen op lagere bedragen vaststelt.
proceskosten
4.15.
RBC wordt grotendeels in het ongelijk gesteld. Het Hof veroordeelt haar daarom in de kosten van het hoger beroep. Het begroot de kosten van [geïntimeerden] die voor vergoeding in aanmerking komen op Cg 240,50 voor deurwaarderskosten en Cg 5.000,- (2,5 punten, tarief 5) voor salaris van de gemachtigde. In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding die RBC aan [geïntimeerden] moet betalen Cg 5.240,50, vermeerderd met nasalaris.
4.16.
De betaling van de proceskostenvergoeding kan ook afgedwongen worden als de zaak aan de Hoge Raad wordt voorgelegd (uitvoerbaarheid bij voorraad).
B E S L I S S I N G
Het Hof:
5.1.
bevestigt het vonnis met zaaknummer SXM202400666 dat het Gerecht in Eerste Aanleg van Sint Maarten op 1 november 2024 tussen partijen heeft uitgesproken, met uitzondering van de bedragen die daarin onder 5.1 als dwangsommen zijn vastgesteld, en vernietigt dat vonnis in zoverre;
5.2.
bepaalt de dwangsommen die RBC verbeurt als zij in strijd met het gegeven bevel onder 5.1. een rekening van [geïntimeerden] sluit op US$ 100.000 per gesloten rekening en bepaalt de dwangsom op het plegen van enige andersoortige handeling die in strijd is met ditzelfde bevel op US$ 2.500 per dag of gedeelte van een dag, dit tot een maximum van US$ 100.000;
5.3.
veroordeelt RBC in de kosten van het hoger beroep en begroot de proceskosten die RBC aan [geïntimeerden] moet vergoeden op Cg 5.240,50, vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis en het nasalaris van Cg 250 zonder betekening, vermeerder d met Cg 150 in geval van betekening;
5.4.
verklaart de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, W.P.M. ter Berg en H.E. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 18 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.