ECLI:NL:OGHACMB:2026:6

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
CUR2025H00388
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Faillissementsverzoek door meerderheidsaandeelhouder na conservatoir beslag

In deze zaak heeft de meerderheidsaandeelhouder Vanddis B.V. een faillissementsverzoek ingediend tegen de besloten vennootschap Lovers Industrial Corporation B.V. na het leggen van conservatoir beslag door de minderheidsaandeelhouder LIUSA. Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao had het verzoek afgewezen op grond van misbruik van bevoegdheid. Vanddis stelde dat het beslag de onderneming van Lovers lamlegde, waardoor deze haar schuldeisers niet meer kon betalen. Het Hof oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor misbruik van bevoegdheid en dat Lovers daadwerkelijk in financiële problemen verkeerde. Het Hof heeft het faillissement van Lovers uitgesproken en mr. B.M. Nagelmakers als curator aangesteld. De uitspraak is gedaan op 14 januari 2026, na een mondelinge behandeling op 13 januari 2026, waarbij beide partijen en hun advocaten aanwezig waren. Het Hof heeft de eerdere uitspraak vernietigd en het faillissement uitgesproken, waarbij het belang van Vanddis als aandeelhouder en schuldeiser werd meegewogen.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: CUR202504996 – CUR2025H00388
Uitspraak: 14 januari 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
de besloten vennootschap
VANDDIS B.V.,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg verzoekster, thans appellante,
hierna te noemen: Vanddis,
gemachtigden: mrs. R.B. van Hees en D.C. Narvaez,
tegen:
de besloten vennootschap
LOVERS INDUSTRIAL CORPORATION B.V.,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg verweerster, thans geïntimeerde,
hierna te noemen: Lovers,
gemachtigde: mr. C. Jänsch,
met als uitgenodigde derde:
de rechtspersoon naar buitenlands recht
LOVERS INDUSTRIAL USA, LLC,
gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika,
hierna te noemen: LIUSA,
gemachtigde: mr. U. van Bemmelen.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Bij op 29 december 2025 ingekomen beroepschrift is Vanddis in hoger beroep gekomen van de uitspraak in deze zaak van 23 december 2025 van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao.
1.2
Het hoger beroep is op 13 januari 2026 mondeling behandeld. Zijdens Vanddis is statutair bestuurder I.E. Polonius verschenen, met beide advocaten. Zijdens Lovers is statutair bestuurder S.C. Ramos verschenen, met advocaat. Met goedvinden van Vanddis en Lovers is ook de advocaat van LIUSA verschenen. Alle advocaten hebben het woord gevoerd.

2.De beoordeling

2.1
Lovers exploiteert een onderneming in Curaçao op het gebied van onder meer zuivelproducten, waaronder roomijs. Vanddis is meerderheidsaandeelhouder van Lovers. LIUSA is minderhoudsaandeelhouder van Lovers. De aandeelhouders van Vanddis en LIUSA zijn familie van elkaar.
2.2
Op 11 december 2025 heeft LIUSA met verlof van het Gerecht conservatoir beslag ten laste van Lovers doen leggen ter verzekering van een gepretendeerde vordering van meer dan USD 3 miljoen. Deze vordering heeft betrekking op merkrechten en royalty’s. Er wordt over geprocedeerd in de Verenigde Staten van Amerika.
2.3
In dit geding heeft Vanddis het Gerecht verzocht Lovers in staat van faillissement te verklaren. Zij heeft aangevoerd dat het beslag de onderneming van Lovers heeft lamgelegd en dat Lovers daardoor haar schuldeisers niet langer kan betalen.
2.4
Het Gerecht heeft het verzoek afgewezen op grond van misbruik van bevoegdheid.
2.5
Summierlijk is gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die aantonen dat Lovers in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen en van het vorderingsrecht van Vanddis. Er is dus voldaan aan de maatstaf van art. 5 lid 3 Faillissementsbesluit 1931 (hierna: Fb).
2.6
Ter beoordeling staat of, zoals het Gerecht heeft aangenomen, Lovers misbruik maakt van de bevoegdheid dit faillissementsverzoek te doen.
2.7
Vanddis heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat werknemers, klanten en leveranciers het vertrouwen in Lovers dreigen te verliezen en dat Lovers haar machines niet langer goed kan onderhouden. Vanddis heeft belang bij een snel faillissement met de mogelijkheid van een snelle doorstart. Dit belang heeft zij niet alleen als schuldeiser, maar ook als aandeelhouder en als borg voor de bankschulden van Lovers. Door het beslag zijn de bankschulden direct opeisbaar geworden. Daarnaast heeft de Ontvanger beslag gelegd op alle roerende zaken van Lovers, waaronder de vrachtwagens en machines. Aan het einde van de maand zal Lovers de salarissen niet meer kunnen betalen. Zij kan ook geen ingrediënten voor haar producten meer kopen. Alle vermogensbestanddelen van Lovers zijn bezwaard met pand of hypotheek. Vanddis en Lovers hebben getracht tot een minnelijke regeling met LIUSA te komen, maar LIUSA verlangt te veel zekerheid. Lovers heeft geprobeerd een bankgarantie te krijgen, maar de bank verlangt een garantstelling van Vanddis en Vanddis is niet meer bereid die te geven. Opheffing van het beslag zal de financiële problemen niet geheel oplossen, aldus Vanddis.
2.8
Lovers heeft het betoog van Vanddis (vrijwel) geheel onderschreven. Zij is geen opheffingskortgeding begonnen, omdat zij als procesrisico inschat dat de rechter in die procedure zal oordelen dat niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door LIUSA als beslaglegger ingeroepen recht en dat een belangenafweging niet tot toewijzing van de opheffingsvordering dient te leiden.
2.9
LIUSA heeft bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop Vanddis en Lovers haar afschilderen. Zij voert aan dat zij zich redelijk heeft opgesteld. LIUSA heeft echter ook aangevoerd dat zij niet de indruk heeft dat Vanddis met dit faillissementsverzoek misbruik van bevoegdheid maakt.
2.1
Gelet op hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, acht het Hof onvoldoende aannemelijk dat Vanddis de bevoegdheid om het faillissement van Lovers te verzoeken voor een ander doel gebruikt dan waarvoor deze bevoegdheid is verleend. Voldoende aannemelijk is dat Lovers daadwerkelijk in financiële problemen verkeert. Uit de enkele omstandigheid dat Lovers ervan heeft afgezien om een opheffingskortgeding aanhangig te maken, kan nog geen misbruik van bevoegdheid worden afgeleid. Ook de omstandigheid dat partijen niet bij wijze van minnelijke regeling tot opheffing van het beslag zijn gekomen, is daarvoor onvoldoende. Ook voor het overige is in dit summiere onderzoek onvoldoende aannemelijk geworden dat voldaan is aan de maatstaf voor misbruik van bevoegdheid (art. 3:13 BW). Het Hof neemt daarom geen misbruik van bevoegdheid aan.
2.11
Dat betekent dat het Hof het faillissement zal uitspreken.
2.12
Het Hof zal geen rechter-commissaris benoemen, omdat de wet daarin voorziet (art. 11 lid 1 in verbinding met art. 13 Fb).
2.13
Het Hof zal op de voet van art. 11 lid 2 Fb een curator aanstellen. Het Hof zal de suggestie van Vanddis volgen om mr. Nagelmakers als zodanig aan te stellen. Lovers en LIUSA hebben te kennen gegeven daartegen geen bezwaar te hebben. Mocht de rechter-commissaris om welke reden dan ook een andere curator verkiezen, dan kan zij gebruik maken van haar bevoegdheid van art. 69 Fb. De curator kan hier desgewenst ook om verzoeken.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
vernietigt de uitspraak waarvan beroep;
verklaart Lovers in staat van faillissement;
stelt aan tot curator: mr. B.M. Nagelmakers, advocaat in Curaçao.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, E.A. Saleh en J.A. van Voorthuizen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 14 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.