ECLI:NL:OGHACMB:2026:59

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
SXM2024H00059
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verjaring vordering tot betaling investeringen in joint venture resort

In deze zaak vordert appellante betaling van USD 1.378.380,98 uit hoofde van een joint venture die partijen in 1996 zijn aangegaan voor de exploitatie van een resort. Appellante baseert haar vordering op een handgeschreven notitie uit 2001 en e-mails uit 2012-2017 waarin volgens haar toezeggingen tot betaling zijn gedaan.

Het Gerecht in eerste aanleg oordeelde dat de vordering verjaard is en wees de vordering af. Het Hof bevestigt dit oordeel, waarbij het verjaringsverweer deels wordt gehonoreerd. De handgeschreven notitie wordt niet als voldoende bewijs van een betalingsverplichting erkend en de e-mails bevatten geen duidelijke toezegging tot betaling van het volledige gevorderde bedrag.

De verjaringstermijn van vijf jaar is door beslaglegging in 2022 gestuit voor de e-mail van 2017, maar niet voor eerdere correspondentie. Het Hof oordeelt dat de vordering niet toewijsbaar is en veroordeelt appellante in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vordering tot betaling van investeringen is verjaard en wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van een nieuwe betalingsverplichting.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: SXM202200982 en SXM2024H00059
Uitspraak: 18 maart 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[appellante],
wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg eiseres,
thans appellante,
gemachtigden: mrs. G. Hatzmann en E. Bokkes,
tegen

1. [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

beiden wonende in [woonplaats],
in eerste aanleg gedaagden,
thans geïntimeerden,
gemachtigde: mr. C.J. Koster.
Partijen worden hierna aangeduid als [appellante], [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2]. De laatste twee worden ook gezamenlijk aangeduid als [geïntimeerden]

1.De zaak in het kort

Deze zaak gaat over een vordering tot betaling van USD 1.378.380,98 in hoofdsom. Volgens [appellante] is sprake van een afspraak of toezegging haar vordering te voldoen. Het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: het Gerecht) heeft de vordering verjaard geoordeeld waar het betreft de gestelde afspraak en deze voor wat betreft de gestelde toezegging afgewezen. Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

2.Het verloop van de procedure

2.1
Bij op 14 mei 2024 ingekomen akte van appel is [appellante] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 2 april 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht.
2.2
Bij op 25 juni 2024 ingekomen memorie van grieven (met producties) heeft [appellante] één grief aangevoerd tegen het vonnis van het Gerecht. Ook heeft zij de eis gewijzigd. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep vernietigt en alsnog, uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van [appellante], zoals gewijzigd, toewijst, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.
2.3 [
geïntimeerden] hebben op 27 augustus 2024 een memorie van antwoord ingediend. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis van het Gerecht bevestigt met veroordeling van [appellante] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.
2.4
Op de daarvoor bepaalde dag hebben de advocaten van beide partijen pleitnotities ingediend.
2.5
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.

3.De beoordeling

Feiten
3.1.1 Partijen zijn op 16 februari 1996 schriftelijk een "joint venture" aangegaan. De joint venture heeft blijkens de overeenkomst tot doel dat partijen het resort [het resort] in Simpson Bay overnemen en exploiteren.
3.1.2 [appellante] heeft als productie 3 bij het verzoekschrift een document met het opschrift ‘loan amortization’ (verder: de loan amortization) in het geding gebracht. Daarop staat als datum vermeld 11 april 2001 en is met de hand bijgeschreven de volgende tekst:
"
Total Principal $ 1.095.450,00
Total interest $ 282.930,98
Due As of 3-31-01 $ 1.378.380,98
No [het resort] Payment deducted(...)"
3.1.3 [geïntimeerden] heeft in de periode van 2012 tot en met 2017 vanaf het e-mailadres
[e-mailadres] meerdere mailberichten gestuurd naar [appellante].
3.1.4 Tot verhaal van haar vordering heeft [appellante] ten laste van [geïntimeerden] op of omstreeks 21 juli 2022 beslag gelegd op de aandelen die [geïntimeerden] hielden in [bedrijf] Dat beslag is aan hen overbetekend op 21 juli 2022.
De wijziging van eis
3.2.1 [appellante] heeft de eis in hoger beroep gewijzigd. [geïntimeerden] hebben daartegen geen bezwaar gemaakt. De wijziging is ook niet in strijd met de eisen van de goede procesorde. Die gewijzigde eis zal daarom worden beoordeeld.
3.2.2 De gewijzigde eis houdt in, kort weergegeven:
Primair
Veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van USD 1.378.380,98, althans een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met rente, beslagkosten en buitengerechtelijke kosten;
Subsidiair
- Veroordeling van [geïntimeerde 1] tot betaling van USD 1.378.380,98, althans een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met rente, beslagkosten en buitengerechtelijke kosten, onder de voorwaarde dat [het resort] resort zal zijn verkocht en met bepaling dat de vordering van [appellante] door [geïntimeerden] dient te worden voldaan uit de verkoopopbrengst daarvan;
Primair en subsidiair
Veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.
De vordering van [appellante], het verweer van[geïntimeerden]
en het vonnis van het Gerecht
3.3.1 Wat [appellante] in eerste aanleg heeft gesteld kan als volgt worden samengevat. [geïntimeerden] hebben zich in 2001 verplicht tot betaling aan haar van de gevorderde hoofdsom. Dat blijkt uit een door [geïntimeerde 1] bijgeschreven tekst op de loan amortization van 11 april 2001. In de periode van 2012 tot en met 2017 heeft [geïntimeerde 1] bovendien meerdere e-mails gestuurd aan [appellante] en daarin herhaaldelijk gezegd dat [appellante] een deel van haar investering zou terug krijgen, welke mededelingen telkens opnieuw en afzonderlijk een verbintenis tot betaling van het gevorderde inhielden..
3.3.2 [geïntimeerden] hebben betwist dat de handgeschreven tekst van [geïntimeerde 1] afkomstig is. Zij hebben ook betwist dat de e-mails een duidelijke en bepaalbare toezegging bevatten tot betaling van de gevorderde hoofdsom of een ander bedrag. Ook hebben zij zich op verjaring beroepen.
3.3.3 Het Gerecht heeft het beroep op verjaring gehonoreerd voor zover dat is gebaseerd op de handgeschreven tekst op de loan amortization van 11 april 2001. Uit de e-mails waarop [appellante] zich beroept blijkt echter wel van een toezegging van [geïntimeerde 1] dat [appellante] een deel van haar investering zou terug krijgen. De vordering van [appellante] is echter beperkt tot de volledige hoofdsom. Daarom wordt de vordering tegen [geïntimeerde 1] afgewezen. De vordering tegen [geïntimeerde 2] wordt afgewezen omdat alle e-mails afkomstig zijn van [geïntimeerde 1].
De grief van [appellante]
3.4.1 [appellante] stelt en biedt te bewijzen aan dat de handgeschreven notitie op de loan amortization van 11 april 2001 wel degelijk van [geïntimeerde 1] is. Daaruit blijkt dat hij het op die notitie genoemde bedrag (zijnde de gevorderde hoofdsom) schuldig heeft erkend jegens [appellante].
3.4.2 [appellante] stelt ook dat de betalingstoezeggingen van [geïntimeerde 1] in de periode van 2012 tot en met 2017 telkens en opnieuw een verbintenis tot nakoming van die toezegging opleveren. Duidelijk was ook om welk bedrag het telkens ging: dat was het bedrag dat [geïntimeerde 1] zelf in de handgeschreven notitie had genoemd. Bovendien had het Gerecht altijd minder kunnen toewijzen dan gevorderd.
Bevoegdheid en toepasselijk recht
3.5.1 Het Hof heeft, ambtshalve oordelend over de eigen bevoegdheid, geen reden anders te oordelen dan het Gerecht heeft gedaan over zíjn bevoegdheid.
3.5.2 Blijkens de wederzijdse stellingnames hebben partijen gekozen voor toepasselijkheid van het recht van Sint Maarten. Het Hof zal partijen in die keuze volgen.
Verjaring
3.6.1 Het Gerecht heeft geoordeeld dat de nakomingsvordering van [appellante], voor zover gebaseerd op de handgeschreven tekst op de loan amortization van 11 april 2001, is verjaard. [appellante] herhaalt weliswaar haar stelling dat die tekst door [geïntimeerde 1] is geschreven en dat deze een erkenning van haar vordering inhoudt, maar tegen het oordeel van het Gerecht over de verjaring komt zij niet op. Ambtshalve heeft het Hof tegen dat oordeel geen bedenkingen. Of [geïntimeerde 1] daadwerkelijk zelf de tekst in kwestie heeft bijgeschreven op de loan amortization is dus ook in hoger beroep in het kader van het verjaringsverweer niet van belang. Voor zover de grief ziet op dat bijschrijven faalt deze om die reden.
3.6.2 Voor zover de vordering van [appellante] gebaseerd is op gedane toezeggingen heeft het Gerecht het in eerste aanleg door [geïntimeerden] ook met betrekking tot de gestelde toezeggingen gedane beroep op verjaring impliciet verworpen. Dat beroep op verjaring is door [geïntimeerden] in hoger beroep herhaald en moet dus beoordeeld worden.
3.6.3 [geïntimeerden] hebben aangevoerd dat de vordering van [appellante] haar oorsprong vond in de joint venture tussen partijen die in 2007 is geëindigd, dat die vordering terecht verjaard is geoordeeld door het Gerecht en dat de correspondentie tussen partijen in de jaren 2012 tot en met 2017 die verjaring niet ongedaan kon maken: verjaard is verjaard, aldus [geïntimeerden]
3.6.4 Als de correspondentie tussen partijen aldus moet worden uitgelegd dat daarin niets anders wordt gedaan dan het telkens bevestigen van de eerder, in 2001, al ontstane gehoudenheid van [geïntimeerden] tot betaling, kan het zijn dat [geïntimeerden] met hun stelling ‘verjaard is verjaard’ het gelijk aan hun zijde hebben. Of dat zo is kan echter in het midden worden gelaten, zoals hierna zal blijken.
3.6.5 [geïntimeerden] hebben ook aangevoerd dat de vordering, voor zover gebaseerd op een in de genoemde correspondentie gelegen zelfstandige betalingstoezegging, is verjaard. Het inleidend verzoekschrift in deze zaak is door [appellante] ingediend op 18 augustus 2022. De laatste e-mail waaruit de gestelde toezegging zou blijken dateert van 13 augustus 2017. De verjaringstermijn is ook hier vijf jaar. Die termijn was dus, gerekend vanaf 13 augustus 2017, verstreken, aldus [geïntimeerden]
3.6.6 [appellante] heeft daar tegenin gebracht dat de verjaringstermijn die op 13 augustus 2017 was gaan lopen is gestuit door het beslagexploit van 21 juli 2022.
3.6.7 Niet in geschil is dat, ook hier, een verjaringstermijn van vijf jaren geldt nu het gaat om een vordering tot nakoming van een gestelde verbintenis tot betaling. Tot verhaal van haar vordering heeft [appellante] ten laste van [geïntimeerden] op of omstreeks 21 juli 2022 beslag gelegd op de aandelen die [geïntimeerden] hielden in [bedrijf] Dat beslag is aan hen overbetekend op 21 juli 2022. Uit deze beslaglegging blijkt ondubbelzinnig dat [appellante] zich het recht op nakoming van de door haar gestelde betalingsverbintenis van [geïntimeerden] voorbehield. De verjaring van haar vordering voor zover gebaseerd op het mailbericht van 13 augustus 2017 werd aldus tijdig, namelijk binnen vijf jaar na die datum, gestuit. In zoverre wordt het verjaringsverweer verworpen.
3.6.8 Voor zover de vordering tot betaling is gebaseerd op correspondentie van vóór 13 augustus 2017 is deze, zo volgt uit het voorgaande verjaard. In zoverre slaagt het verjaringsverweer.
Minder toewijzen dan gevorderd
3.7.1 De eerste rechter heeft geoordeeld dat in de diverse mailberichten van [geïntimeerde 1] aan [appellante] de toezegging is vervat dat [geïntimeerde 1] ervoor zou zorgen dat [appellante] een
deelvan haar investering zou terugkrijgen. De vordering is vervolgens niettemin afgewezen omdat de vordering van [appellante] slechts het
volledigebedrag van USD 1.379.380,98 vermeldt. Enig bedrag wordt bovendien in de mailberichten niet genoemd.
3.7.2 Uit deze overweging van de eerste rechter blijkt dat hij zich niet vrij heeft geacht te beoordelen of een lager bedrag zou kunnen worden toegewezen. [appellante] bestrijdt de juistheid van dat oordeel met het argument dat de rechter altijd vrij is minder toe te wijzen dan gevorderd is.
3.7.3 Bij beoordeling van een op een bepaald bedrag gefixeerde vordering is de rechter gebonden aan de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en dient hij te beoordelen of uitleg van het petitum ertoe leidt dat dit ook het mindere inhoudt. Indien daarvan sprake is kan de rechter minder toewijzen dan gevorderd is. Aan deze voorwaarden is voldaan. De eerste rechter had dus wel de vrijheid te onderzoeken of minder toewijsbaar was dan het gevorderde bedrag. De grief slaagt.
Toezegging?
3.8.1 Het slagen van de grief in combinatie met de gedeeltelijke honorering van het verjaringsverweer heeft tot gevolg dat onderzocht moet worden of de eerste rechter gevolgd kan worden in het oordeel dat sprake is van een toezegging.
3.8.2 De gestelde betalingstoezegging ligt, voor zover in hoger beroep nog van belang gegeven het deels gehonoreerde verjaringsverweer, volgens [appellante] (memorie van grieven sub 2.2.10) vast in een mailbericht van [geïntimeerde 1] aan [appellante] van 13 augustus 2017, in het bijzonder in de daarin voorkomende passage ‘
So it will get sold so just please hand in here’.
3.8.3 In deze e-mail zegt [geïntimeerde 1] dat hij doende is het hotel te verkopen. De geciteerde passage bevestigt dat: ‘
So it will get sold’. Wat nu precies de betekenis is van het volgende deel van het citaat ‘
so just please hand in here’ heeft [appellante] niet toegelicht. Zuiver kijkend naar die woorden geldt bovendien dat deze rijkelijk vaag zijn. Een uitdrukkelijke mededeling dat [geïntimeerde 1] zich verplicht aan [appellante] het gevorderde bedrag of een gedeelte daarvan te betalen, kan in die woorden bezwaarlijk gelezen worden. Dat [geïntimeerde 1] heel goed wist dat [appellante] de vordering pretendeerde te hebben die inzet is van deze procedure maakt dat niet anders.
3.8.4 [appellante] heeft evenmin toegelicht dat en waarom het genoemde citaat in het licht van de overige contacten tussen partijen, zoals daarvan blijkt uit de oorspronkelijke joint ventureovereenkomst, de aan [geïntimeerde 1] toegeschreven tekst op de loan amortization van 11 april 2001 en de diverse in het inleidend verzoekschrift onder 6 genoemde mailberichten, niet anders kan worden begrepen dan als een onvoorwaardelijke toezegging het gevorderde of een deel daarvan aan [appellante] te betalen. Van belang daarbij is ook dat zonder verdere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom [geïntimeerde 1] in 2017 zich alsnog zou willen verbinden tot betaling van een eerder, in 2006, al verjaarde vordering.
3.8.5 Al met al is de stelling dat sprake is van een toezegging die een bepaalde betalingsverplichting van [geïntimeerden] inhield of teweegbracht onvoldoende onderbouwd. Aan bewijslevering wordt om die reden niet toegekomen.
Slotsom
3.9.1 De grief slaagt. De vordering van [appellante] is niettemin terecht afgewezen door het Gerecht omdat het verjaringsverweer van [geïntimeerden] deels slaagt en het Hof, anders dan het Gerecht, onvoldoende onderbouwd acht dat het mailbericht van 13 augustus 2017 een toezegging bevat die een bepaalde betalingsverplichting van [geïntimeerden] inhoudt.
3.9.2. [appellante] is de overwegend in het ongelijk gestelde partij en wordt daarom veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerden] Deze bedragen:
- verschotten Cg 464,69 (betekening memorie van antwoord)
- salaris gemachtigde Cg 22.500 (2,5 punt à Cg 9.000 per punt, tarief 11)
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het vonnis van 2 april 2024;
veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure aan de zijde van [geïntimeerden] gevallen en begroot deze op Cg 464,69 aan verschotten en Cg 22.500 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis;
verklaart dit vonnis ten aanzien van de uitgesproken veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst of het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, W.P.M. ter Berg en H.E. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 18 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.