In deze civiele zaak draait het om de vraag of SAH recht heeft op betaling van al het geleverde staal aan RHC, dan wel slechts op betaling van het staal dat daadwerkelijk in de gebouwen van het bouwproject is verwerkt. Het Gerecht in eerste aanleg oordeelde dat alleen het verwerkte staal betaald hoeft te worden en wees de vordering van SAH tot betaling van het meerdere af, terwijl de reconventionele vordering van RHC tot terugbetaling van teveel betaalde bedragen werd toegewezen.
SAH kwam in hoger beroep met negen grieven, stellende dat de overeenkomst betaling van al het geleverde staal inhield en dat het verwerkte staal geen onderdeel van de overeenkomst vormde. RHC handhaafde haar standpunt dat betaling slechts verschuldigd is voor het in de gebouwen verwerkte staal, conform de betekenis van 'buigstaat' in de offertes. Het Hof volgde de uitleg van RHC en oordeelde dat de offertes de basis van de overeenkomst vormden, waarbij de prijs per kilo staal was vastgesteld.
Een deskundigenbericht was gelast om vast te stellen hoeveel staal daadwerkelijk was verwerkt, maar SAH betaalde het voorschot niet, waardoor het rapport niet kon worden uitgebracht. Het Hof oordeelde dat SAH hierdoor haar bewijs niet kon leveren en dat de gevolgen van deze nalatigheid voor haar moesten komen. De vordering van SAH werd daarom afgewezen en de vordering van RHC toegewezen. Tevens werd SAH veroordeeld in de proceskosten, inclusief de kosten van de deskundigen.