ECLI:NL:OGHACMB:2026:21

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
AUA2025H00019
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 4 voorbereidingsbesluit 31 januari 2020Art. 2.3 ROP 2019Art. 29 lid 7 Landsverordening ruimtelijke ontwikkelingsplanningArt. 30 Landsverordening ruimtelijke ontwikkelingsplanningArt. 8 Natuurbeschermingsverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering aanlegvergunning wegen nabij Hooiberg wegens strijd met ROP 2019 en ecologische waarden

Wolfgang Thiede heeft een aanvraag ingediend voor een aanlegvergunning voor wegen en terreinverharding in het kader van de ontwikkeling van het Aruba Vacation Park nabij Hooiberg. De minister wees de aanvraag af omdat deze in strijd is met het Ruimtelijk Ontwikkelingsplan 2019 (ROP 2019) en het voorbereidingsbesluit van 31 januari 2020, die bescherming bieden aan het gebied vanwege ecologische en landschappelijke waarden.

Het Gerecht verklaarde het beroep van Wolfgang Thiede ongegrond en het Hof bevestigt deze uitspraak. Het Hof oordeelt dat de aanvraag terecht is geweigerd omdat de aanleg van wegen leidt tot onevenredige schade aan beschermde flora, fauna en landschappelijke elementen zoals rooien en rotsformaties. Het betoog dat sprake is van een bestaande situatie of dat de verkavelingsplannen uit 1994 en 1997 onherroepelijk zijn, wordt verworpen.

Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de aangehaalde vergelijkbare projecten niet gelijk zijn aan de onderhavige situatie. Het Hof stelt dat de minister het advies van de Dienst Natuur en Milieu terecht heeft gevolgd en dat de aanvraag moet worden getoetst aan het geldende voorbereidingsbesluit. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerecht bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de aanlegvergunning bevestigd.

Uitspraak

AUA2025H00019
Datum uitspraak: 11 februari 2026
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
Wolfgang Thiede und Partner N.V., gevestigd in Aruba (hierna: Wolfgang Thiede),
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 27 december 2024 in zaak nr. AUA202400895, in het geding tussen:
appellante
en
de minister van Algemene Zaken, Innovatie, Overheidsorganisatie, Infrastructuur en Ruimtelijke Ordening (hierna: de minister)
Procesverloop
Op 21 januari 2021 heeft Wolfgang Thiede een aanvraag ingediend om een aanlegvergunning voor het aanleggen van wegen en andere terreinverharding.
Wolfgang Thiede heeft bezwaar gemaakt en beroep ingesteld tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op de aanvraag onderscheidenlijk op het daartegen gemaakte bezwaar.
Bij beschikking op bezwaar van 20 oktober 2021 heeft de minister een reële beschikking genomen waarin hij de aanvraag heeft afgewezen.
Bij beschikking op bezwaar van 7 februari 2024, genomen na een eerdere uitspraak van het Gerecht, heeft de minister de aanvraag opnieuw geweigerd (hierna: de bestreden beschikking).
Bij uitspraak van 27 december 2024 heeft het Gerecht het door Wolfgang Thiede daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft Wolfgang Thiede hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Wolfgang Thiede heeft een nader stuk ingediend.
Het Hof heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 oktober 2025. Wolfgang Thiede werd vertegenwoordigd door mrs. D.W. Ormel en M. Franken, advocaten. De directeur van Wolfgang Thiede, A.C.D. Rood, was ook aanwezig. De minister werd vertegenwoordigd door mrs. D.C.A. Crouch en J. Schaeffer, advocaten. Ir. G.R. Boekhoudt, werkzaam bij de Directie Infrastructuur en Planning, was ook aanwezig.
Overwegingen
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over de door Wolfgang Thiede gewenste ontwikkeling van percelen ten oosten van de Hooiberg. Zij ontwikkelt ter plaatse het ‘Aruba Vacation Park’, waarvan de aanleg uit vier fasen bestaat. Voor de ontwikkeling zijn in 1994 en 1997 goedgekeurde verkavelingsplannen afgegeven. In 2009 hebben gewijzigde plannen van Wolfgang Thiede, vastgelegd in het ‘Masterplan’, geleid tot aanpassingen van deze verkavelingsplannen.
1.1. Fase 1 van het park en een deel van fase 4 zijn gerealiseerd. Op 21 januari 2021 heeft Wolfgang Thiede een aanvraag ingediend voor een aanlegvergunning voor het aanleggen van wegen en andere terreinverharding. Een aanlegvergunning was nodig omdat vanaf 21 december 2018 als gevolg van voorbereidingsbesluiten voor de activiteiten waarop de aanvraag ziet, een aanlegvergunning vereist was. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat de aanvraag in strijd is met het op 1 september 2021 in werking getreden Ruimtelijk Ontwikkelingsplan met voorschriften (ROPv) en deze afwijzing in bezwaar gehandhaafd. Het Gerecht heeft deze beschikking op bezwaar vernietigd bij uitspraak van 30 augustus 2023 in zaak nr. AUA202103581 en bepaald dat de aanvraag moet worden getoetst aan het Ruimtelijk Ontwikkelingsplan 2019 (ROP 2019) en het voorbereidingsbesluit van 31 januari 2020. Vervolgens heeft de minister in de bestreden beschikking de aanvraag opnieuw geweigerd.
De overwegingen van het Gerecht
2. Het Gerecht neemt, gelet op de eerdere uitspraak van het Gerecht van 30 augustus 2023, tot uitgangspunt dat de minister de aanvraag van 21 januari 2021 voor een aanlegvergunning moet toetsen aan enerzijds het ROP 2019 en anderzijds het voorbereidingsbesluit van 31 januari 2020. Hoewel het ROP 2019 geen voor burgers en belanghebbenden bindende voorschriften bevat, heeft het wel betekenis, omdat daaraan een ruimtelijke beleidsvisie kan worden ontleend die kan worden gebruikt bij het maken van ruimtelijke keuzen bij het voorbereiden en nemen van beslissingen met ruimtelijke impact zoals aanlegvergunningen. Het gebied waar de aanvraag op ziet, heeft in het ROP 2019 de aanduiding “Woongebied met waarden“. De grootschalige ontwikkeling die Wolfgang Thiede voor ogen heeft, staat haaks op het ROP 2019 omdat daarin is aangegeven dat in het gebied “Hooiberg en omgeving“ geen ontwikkelingen, anders dan landschappelijke en natuurontwikkelingen, zijn toegestaan.
2.1. Anders dan Wolfgang Thiede stelt, wordt geen afbreuk gedaan aan eerder vergunde rechten en is geen sprake van een bestaande situatie zoals bedoeld in het ROP 2019. Omdat de percelen van Wolfgang Thiede geheel of grotendeels zijn gelegen in de ecologische hoofdstructuur, is op grond van het ROP 2019 daar geen nieuwe bebouwing toegestaan. Voor de percelen van Wolfgang Thiede zijn na 2009/2010 geen bouwvergunningen afgegeven. Het aanleggen van wegen was tot 2018 zonder vergunning mogelijk. Dat is met de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit van 21 december 2018 gewijzigd omdat daarin een aanlegvergunningstelsel is opgenomen. Dat betekent dat sinds 2018 niet meer kan worden gesproken van een bestaande situatie. Door vanaf 1994 en 1997 geen gebruik meer te maken van de verkregen toestemming om wegen aan te leggen en daarmee te wachten tot 2021, heeft Wolfgang Thiede het risico gelopen dat de planologische inzichten en spelregels zouden wijzigen en dat is precies wat er is gebeurd. Dat betekent, aldus het Gerecht, dat de bestreden weigering geen inbreuk maakt op de bestaande situatie zoals bedoeld in het ROP 2019.
2.2. De aanvraag ziet op vergunningplichtige werkzaamheden. Op grond van artikel 5, vierde lid, van het voorbereidingsbesluit van 31 januari 2020 wordt de aanlegvergunning alleen geweigerd als de ecologische, landschap-, natuur- of cultuurhistorische waarden door de aanleg onevenredig worden geschaad. Het oordeel van de minister is gebaseerd op een advies van de Dienst Natuur en Milieu (DNM) van 1 maart 2021, waarin de waarden in het gebied worden geïnventariseerd en beschreven. Wolfgang Thiede heeft geen contra-expertise ingediend waaruit blijkt dat de geïnventariseerde waarden op onjuiste wijze zijn vastgesteld. De minister mocht dan ook uitgaan van het advies van de DNM en heeft zich gelet op de omvang van de werkzaamheden waar de aanvraag op ziet, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat realisering van de wegen en de overige terreinverhardingen leiden tot een onevenredige aantasting van de ter plaatse aanwezige waarden. Verder volgt het Gerecht niet het betoog van Wolfgang Thiede dat als de aanleg van de wegen zou leiden tot een dergelijke aantasting, de minister dan toch in ieder geval voor gebieden aan de rand van de percelen waar die onevenredige aantasting zich niet voordoet vergunning had moeten verlenen.
2.3. Anders dan Wolfgang Thiede heeft aangevoerd, slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet. Niet gebleken is dat het bij de door Wolfgang Thiede genoemde projecten om gelijke gevallen gaat.
2.4. Het beroep op de overgelegde luchtfoto waaruit zou blijken dat op perceel 1-R-210 geen bomen of andere begroeiing meer aanwezig zijn zodat moet worden aangenomen dat de minister voor het rooien daarvan een aanlegvergunning heeft verleend, slaagt ook niet.
Beoordeling door het Hof
3. Het Hof zal hierna het hoger beroep van Wolfgang Thiede bespreken. Daartoe zal het Hof eerst ingaan op het ter zitting van het Hof gevoerde betoog dat het voorbereidingsbesluit van 31 januari 2020 ten onrechte is verlengd. Vervolgens zal het Hof de beroepsgronden bespreken die inhouden dat de eis van een aanlegvergunning voor het project van Wolfgang Thiede niet mag worden gesteld. Daarna bespreekt het Hof de gronden die inhouden dat de minister de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Ten slotte wordt de grond besproken dat de afwijzing van de aanvraag in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Het Gerecht heeft op al deze punten de beroepsgronden verworpen.

Is het voorbereidingsbesluit onrechtmatig verlengd?

3.1.
Ter zitting van het Hof heeft Wolfgang Thiede aangevoerd dat zij geen aanlegvergunning nodig heeft, omdat het voorbereidingsbesluit van 29 januari 2021 een tweede verlenging van het voorbereidingsbesluit van 21 december 2018 inhoudt. Een tweede verlenging is evenwel in strijd met artikel 29, zevende lid, van de Landsverordening ruimtelijke ontwikkelingsplanning (Lro) en daarom geldt geen voorbereidingsbescherming meer. Daargelaten of de goede procesorde zich niet tegen het op dit moment nog innemen van dit standpunt verzet, is het Hof met de minister van oordeel dat de aanvraag van Wolfgang Thiede kan en ook moet worden getoetst aan het voorbereidingsbesluit van 31 januari 2020. In de uitspraak van het Gerecht van 30 augustus 2023, waartegen geen hoger beroep is ingesteld, is bepaald dat de aanvraag van Wolfgang Thiede moet worden getoetst aan het voorbereidingsbesluit van 31 januari 2020. Dit voorbereidingsbesluit is verlengd met het voorbereidingsbesluit van 29 januari 2021. De minister heeft ter zitting onweersproken verklaard dat het voorbereidingsbesluit van 31 januari 2020 wijzigingen bevat ten opzichte van het voorbereidingsbesluit van 21 december 2018. Daarom is het besluit van 31 januari 2020 een nieuw voorbereidingsbesluit dat zich voor verlenging leent en ook daadwerkelijk met het besluit van 29 januari 2021 is verlengd. Daarom is van een tweede verlenging geen sprake. De aanvraag kan dus ook worden getoetst aan het voorbereidingsbesluit van 31 januari 2020.
3.1.1.
Het betoog faalt.
Betekenis van de verkavelingsplannen van 1994 en 1997 voor de bestreden beschikking
3.2.
Wolfgang Thiede betoogt dat de verkavelingsplannen van 1994 en 1997 onherroepelijk zijn, dat deze formele rechtskracht hebben en dat zij deze plannen moet kunnen uitvoeren. Dat het haar door de bestreden beschikking onmogelijk wordt gemaakt uitvoering aan deze plannen te geven is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
3.2.1.
Omdat het verkavelingsplan 1994 – dat ziet op fase 1 – inmiddels is uitgevoerd, beperkt het Hof zich in het navolgende tot het verkavelingsplan 1997. Het Hof begrijpt dit betoog van Wolfgang Thiede zo, dat een naderhand vastgesteld ROP noch een ROPv ertoe kan leiden dat zij wordt belet in de uitvoering van haar plan. Nu de aanleg van wegen en terreinverharding noodzakelijk is om de verkavelingsplannen uit te voeren, had de minister haar de aangevraagde aanlegvergunning moeten verlenen. Wolfgang Thiede wijst in dit verband op artikel 2.3, aanhef en onder e, van het ROP 2019 waarin is bepaald dat bestaande goedgekeurde verkavelingsplannen op basis van de Lro en de daaraan door de minister verbonden voorwaarden na de vaststelling van het ROPv hun werking behouden. Indien verkavelingsplannen nog niet vervallen zijn en de voorwaarden in strijd zijn met dit ROPv, gaan de verkavelingsplannen en de voorwaarden in de visie van Wolfgang Thiede voor op de voorschriften van het ROPv.
3.2.2.
Het Hof laat in het midden of uit artikel 2.3, aanhef en onder e, van het ROP 2019 voortvloeit dat een aanvraag voor een bouwvergunning overeenkomstig het verkavelingsplan 1997 en met voorbijgaan aan de eisen van het ROP 2019 moet worden ingewilligd. Dat is een vraag die eventueel aan de orde kan komen in het geval een daartoe strekkende aanvraag voor een bouwvergunning wordt ingediend. Het Hof laat ook in het midden of het feit dat het ROP 2019 zich niet verzet tegen het verlenen van een bouwvergunning overeenkomstig een goedgekeurd verkavelingsplan, ertoe leidt dat de minister in strijd met het voorbereidingsbesluit van 31 januari 2020 een aanlegvergunning moest verlenen. De wegen en overige verharding waarvoor Wolfgang Thiede een aanlegvergunning heeft aangevraagd strekken namelijk niet tot uitvoering van het verkavelingsplan 1997, maar van het in januari 2008 voorgestelde ‘Masterplan’, dat voorziet in een andere wegenstructuur. Wolfgang Thiede heeft overleg gevoerd met de minister. Zij stelt dat de minister zou hebben aangegeven dat wijziging van de verkavelingsplannen niet noodzakelijk was, maar feit blijft dat het ‘Masterplan’ afwijkt van de verkavelingsplannen. Bij de aanbieding daarvan op 10 januari 2008 heeft de vertegenwoordiger van Wolfgang Thiede het ‘Masterplan’ als een ‘alternatief verkavelingsplan fase 3’ aangeduid. Dat betekent dat de aanlegvergunning niet strekt tot uitvoering van het verkavelingsplan 1997, maar van een gewijzigde situatie ten opzichte van dat plan. Denkbaar is dat wijziging van het verkavelingsplan op het moment dat het werd voorgelegd aan de minister niet noodzakelijk werd geacht omdat destijds geen aanlegvergunning voor dit soort werkzaamheden was vereist. Vanaf 2018 was dat, met het oog op het nieuwe regime dat uiteindelijk is neergelegd in het ROPv, anders omdat toen een aanlegvergunningplicht in het leven werd geroepen. Overigens heeft Wolfgang Thiede zelf aangegeven dat zij de minister heeft gevraagd het verkavelingsplan voor fase 3 aan te passen, zodat het kennelijk niet meer haar bedoeling is de verkavelingsplannen of in ieder geval het plan voor fase 3 uit te voeren.
3.2.3.
Het betoog faalt.

Is sprake van een bestaande situatie?

3.3.
Wolfgang Thiede stelt dat sprake is van een bestaande situatie en wijst daarbij op de toelichting op het ROP 2019. Daarin staat onder meer:
‘Bestaande situaties
Het ROP 2019 houdt rekening met bestaande legale situaties. In het ROP 2019 is opgenomen dat deze mogen worden voortgezet. Het ROP 2019 is er niet op gericht om bestaande legale ontwikkelingen stop te zetten, waardoor er mogelijk schade ontstaat.
[…]
Ook wordt er rekening gehouden met valide juridische toezeggingen. Deze kunnen en mogen ook worden nagekomen. Het is dan wel aan de initiatiefnemer om aan te geven dat dergelijke toezeggingen aanwezig zijn.’
3.3.1.
Zoals hiervoor al is overwogen, zijn de aangevraagde wegen en overige verharding bedoeld om fase 2 en 3 van het project te kunnen realiseren. Voor de bouwwerken in fase 2 en 3 zijn geen bouwvergunningen aangevraagd. Verder is, zoals het Gerecht terecht heeft overwogen, geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot het aanleggen van wegen ter voorbereiding van de realisering van (bouwaanvragen voor) bouwwerken in fase 2 en 3. Onder die omstandigheden is er wat fase 2 en 3 betreft geen sprake van een bestaande situatie. Het Hof voegt daaraan toe dat het enkele feit dat een bepaalde activiteit planologisch is toegestaan, onvoldoende is om te spreken van een bestaande situatie. Van een bestaande situatie is alleen sprake als een rechthebbende van een bestaande mogelijkheid gebruik heeft gemaakt en dat is hier niet het geval. Anders dan Wolfgang Thiede heeft betoogd wordt Wolfgang Thiede door het Gerecht geen passieve risicoaanvaarding tegengeworpen. Het Gerecht heeft slechts geoordeeld dat Wolfgang Thiede door sinds 2009 geen gebruik te maken van de mogelijkheid om wegen aan te leggen, het risico heeft genomen dat de regelgeving zou wijzigen. Om die reden is er, aldus het Gerecht, geen (inbreuk op een) bestaande situatie. Het Hof onderschrijft dit oordeel van het Gerecht.
3.3.2.
Evenmin is er naar het oordeel van het Hof sprake van juridisch bindende toezeggingen. Dat de minister in 2009 heeft ingestemd met het ‘Masterplan’ of dat zelfs heeft goedgekeurd, maakt dat niet anders. Daarbij is van belang dat voor zover in 2009 is ingestemd met het ‘Masterplan’, dit betrekking lijkt te hebben op alleen de activiteit waarvoor destijds een bouwvergunning is verleend. Dat betreft een deel van fase 4, namelijk een restaurantgebouw met voorzieningen. Het Hof ziet in de vele door Wolfgang Thiede overgelegde stukken onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister in 2009 door in te stemmen met het ‘Masterplan’ de toezegging heeft gedaan dat Wolfgang Thiede fase 2 en 3 zonder meer mocht realiseren, ook indien de regelgeving zou wijzigen. Hierbij betrekt het Hof ook dat Wolfgang Thiede nadien nog meermalen zelf om wijziging van het verkavelingsplan heeft gevraagd. Van een juridisch afdwingbare toezegging is dan ook, anders dan Wolfgang Thiede betoogt, geen sprake.
3.3.3.
Het Hof voegt daar nog het volgende aan toe. Het Hof sluit niet uit dat de minister de verwachting heeft gewekt dat hij zou meewerken om fase 2 en 3 door Wolfgang Thiede te laten realiseren. Maar als dat al het geval zou zijn, staat dat er niet aan in de weg om geruime tijd later op grond van nieuwe planologische inzichten andere regels vast te stellen, in ieder geval voor zover het gaat om regels ter bescherming van natuurwaarden. In artikel 30 van Pro de Lro is voorzien in een mogelijkheid voor het indienen van een aanvraag voor planschade. Ook het ROPv houdt er blijkens paragraaf 8.1 van de toelichting rekening mee dat als gevolg van wijziging in de regelgeving een belanghebbende voor vergoeding van planschade in aanmerking kan komen. Ook om die reden kan niet worden gesproken van een bestaand geval dan wel een juridische toezegging die aan toepassing van het ROPv in de weg staat.
3.3.4.
Het betoog faalt.

Mocht de aanlegvergunning worden geweigerd?

3.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor de aanleg van de wegen en overige terreinverharding gelet op het voorbereidingsbesluit van 31 januari 2020 een aanlegvergunning is vereist. Artikel 5, vierde lid, van dit besluit bepaalt: “De aanlegvergunning wordt alleen geweigerd indien de ecologische, landschappelijke, natuur of cultuurhistorische waarden onevenredig geschaad worden”. Wolfgang Thiede betwist dat de waarden op de percelen waar de aanleg is voorzien onevenredig worden geschaad. Daarover oordeelt het Hof als volgt.
3.4.1.
De minister heeft bij de bestreden beschikking de aanvraag, zoals ook door het Gerecht was bepaald, getoetst aan de beleidsuitgangspunten in het ROP 2019. Het perceel ligt in een gebied dat wordt aangeduid als “Woongebied met waarden”. In paragraaf 1.6.2 van het ROP 2019 wordt over het gebied gezegd dat sprake is van landschappelijke, cultuurhistorische waarden, zoals het stelsel van rooien, de rotsformaties, de Hooiberg, en open landschappelijke en groene ruimten (ecologische hoofdstructuur). Het gebiedsbeleid staat in paragraaf 1.6.4. Daarin staat dat op grond van dit beleid in Hooiberg en omgeving geen nieuwe ontwikkelingen anders dan landschappelijke en natuurontwikkelingen zijn toegestaan. De percelen waarop de aanvraag ziet, maken deel uit van het gebied Hooiberg en omgeving. Niet in geschil is verder dat de percelen zich in de ecologische hoofdstructuur bevinden.

Het advies van de DNM

3.4.2. Het oordeel van de minister dat sprake zal zijn van onevenredige schade aan de waarden berust op het onderzoek van de DNM van 1 maart 2021. In dat rapport wordt verslag gedaan van een op 26 februari 2021 uitgevoerde inventarisatie van de waarden op de percelen. In het rapport staat dat er bij die inventarisatie 27 soorten flora en dertien soorten fauna zijn vastgesteld, waaronder negen beschermde soorten op grond van het Landsbesluit bescherming inheemse flora en fauna. Verder is de aanwezigheid vastgesteld van een aantal grote bomen die van belang zijn voor dieren, omdat zij door verdamping zorgen voor een vochtiger en koeler microklimaat en voor schaduw. Verder wordt in het advies opgemerkt dat de aanvraag niet ziet op het vellen van bomen en begroeiing, terwijl dat wel nodig is om de gronden bouwrijp te maken en voor de aanleg van een wegenstelsel. De conclusie van het advies is dat het gebied een hoge ecologische waarde heeft en in zijn natuurlijke staat behouden moet worden, wat ook geldt voor de ter plaatse aanwezige rotsformaties, bolder en rooien, die ook het ecosysteem dienen.
3.4.3. Wolfgang Thiede heeft gesteld dat de door haar aangevraagde vergunning weliswaar ziet op een onderdeel van de ecologische hoofdstructuur, maar dat deze door de uitvoering van de vergunning niet wordt aangetast. Dit wordt door de minister betwist. De minister stelt dat de bescherming van de natuurwaarden is geregeld in de Natuurbeschermingsverordening, maar door het opnemen van de ecologische hoofdstructuur in het ROP 2019 een plek heeft gekregen in de regels over ruimtelijke planning. Bij de ecologische hoofdstructuur gaat het om hoogwaardig gebied, waar verschillende soorten, zowel beschermd als niet beschermd, voorkomen. De voorgenomen aanleg van wegen en terreinverharding is voorzien op een perceel dat is gelegen in de ecologische hoofdstructuur. Het Hof volgt dit betoog van de minister.
3.4.4. Evenals het Gerecht is het Hof van oordeel dat de minister het advies van de DNM van 1 maart 2021 aan de bestreden beschikking ten grondslag mocht leggen. In hoger beroep heeft Wolfgang Thiede een rapport van het architectenbureau Archiosa overgelegd, waarin de bevindingen van de DNM in dit advies worden betwist. Het rapport is evenwel niet opgesteld door iemand die deskundig is op het terrein van landschappelijke, natuur- of cultuurhistorische waarden. Het rapport is opgesteld door L.A. Ponson, met de aanduiding meester-architect. Verder heeft de DNM op dit rapport door middel van twee korte adviezen gereageerd. Daaruit blijkt in ieder geval dat het rapport van Archiosa op het gebied van ecologische waarden gebreken vertoont. Het Hof is gelet hierop van oordeel dat het rapport van Archiosa onvoldoende grondslag biedt voor het betoog van Wolfgang Thiede dat de minister het advies van de DNM niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen.
3.4.5. Het betoog faalt.

Ontheffingsmogelijkheid

3.4.6. Wolfgang Thiede heeft betoogd dat voor de aangetroffen soorten op grond van artikel 8 van Pro de Natuurbeschermingsverordening een ontheffing kan worden verleend. Wolfgang Thiede heeft evenwel niet aannemelijk gemaakt dat, gegeven de aanwezige waarden, haar deze ontheffing zal worden verleend.
3.4.7. Het betoog faalt.

Aantasting rooien

3.4.8. De minister heeft de stelling van Wolfgang Thiede dat de vergunning de aanwezige rooien niet aantast, betwist. Volgens de minister worden de aanwezige rooien wel aangetast. Door Boekhoudt, directeur bij de DNM, is verklaard dat een rooi is bedoeld voor de afvoer van water, maar als ruimtelijke eenheid meer functies heeft. Een rooi herbergt beschermde soorten, zorgt voor recycling van materiaal voor het gebied en is omdat een rooi in het dal ligt koeler. Het bouwen op een rooi of aan een rooi of bij een rooi, heeft effecten. Wordt vlak bij of in de buurt van een rooi gebouwd, dan heeft dat effect op de rooi bij regen. Een rooi heeft als primaire functie de afvoer van water. Waar gebouwd wordt, is verharding en dat geeft grotere ‘run off’ doorgeleiding naar de rooi, waardoor het water in grotere hoeveelheid en met hogere snelheid aankomt. Dat leidt benedenstrooms tot overstromingen of erosie. Het Hof ziet geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen. Daarom volgt het Hof niet het standpunt van Wolfgang Thiede dat de aanleg van wegen en terreinverharding niet tot schade aan rooien leidt. Gelet op de betekenis van rooien voor het gebied leidt de aangevraagde vergunning tot onevenredige schade.
3.4.9. Het betoog faalt.

Gebied met waarden

3.4.10. Voor zover Wolfgang Thiede heeft betoogd dat in ieder geval geen sprake is van ecologische, landschappelijke, natuur- of cultuurhistorische waarden op het gedeelte van het perceel waarop fase 2 ziet, merkt het Hof op dat de aanvraag op beide percelen (fase 2 en fase 3) ziet en dat een aanvraag als deze als geheel moet worden beoordeeld. Dat neemt niet weg dat Wolfgang Thiede de mogelijkheid heeft om een nieuwe aanvraag voor fase 2 in te dienen. Zoals ter zitting ook is besproken, ligt het op grond van de lange voorgeschiedenis van dit dossier, voor de hand dat in dat geval door de minister wordt bezien of langs deze weg een oplossing van het geschil kan worden bereikt. Het Hof betrekt daarbij dat uit de stukken blijkt dat Wolfgang Thiede op verschillende momenten in het verleden daartoe contact met de minister heeft gezocht.
3.4.11. Het betoog faalt.

Tussenconclusie

3.4.12. De conclusie is dat de minister met verwijzing naar artikel 5, vierde lid, van het voorbereidingsbesluit van 31 januari 2020 de aanvraag heeft mogen weigeren.

Gelijkheidsbeginsel

3.5.
Wolfgang Thiede voert verder aan dat het Gerecht ten onrechte haar beroep op het gelijkheidsbeginsel niet heeft gehonoreerd. Zij wijst in het bijzonder op de projecten ‘Nosvali Residences’ en ‘Bona Vista Hills’. Naar het oordeel van het Hof is in die gevallen geen sprake van gelijke gevallen. Bij ‘Nosvali Residences’ gaat het om een gebied dat in het ROP 2019 is aangewezen als landelijk gebied. Daaruit blijkt dat daar geen sprake was van ecologische, landschappelijke, natuur- of cultuurhistorische waarden die onevenredig geschaad werden. In het geval van ‘Bona Vista Hills’ is sprake van werkzaamheden die zijn begonnen voordat een aanlegvergunningplicht gold.
3.5.1.
Het betoog faalt.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
bevestigtde aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Drop
voorzitter
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026.