ECLI:NL:OGHACMB:2026:187

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
H-13/25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:259 Wetboek van StrafrechtArt. 2:260 Wetboek van StrafrechtArt. 2:262 Wetboek van StrafrechtArt. 2:291 lid 3 Wetboek van StrafrechtArt. 3 Vuurwapenverordening 1930
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen gekwalificeerde doodslag bij woningoverval met vrijspraak voor doodslag in andere zaak

In hoger beroep tegen het vonnis van 29 januari 2025 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba op 14 juli 2026 uitspraak gedaan. De verdachte werd vrijgesproken van de doodslag op Shon Fiel wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs, mede vanwege twijfel over getuigenverklaringen en onvoldoende onderbouwing van telefoongegevens.

Voor de doodslag op Reiger, gepleegd tijdens een gewapende woningoverval waarbij de verdachte samen met medeverdachten het slachtoffer schoot en goederen stal, werd de verdachte veroordeeld voor medeplegen gekwalificeerde doodslag en het bezit van vuurwapens. Het Hof oordeelde dat de doodslag in direct verband stond met de diefstal met geweld en dat de verdachte voorwaardelijk opzet had.

De straf werd vastgesteld op 15 jaar gevangenisstraf, rekening houdend met de ernst van het delict, de leeftijd van de verdachte (19 jaar), zijn persoonlijke omstandigheden en het ontbreken van eerdere veroordelingen. Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan de benadeelde partij Reiger en haar minderjarige zoon, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel gekoppeld aan vervangende hechtenis bij niet-betaling.

De vorderingen van de benadeelde partij Shon Fiel werden afgewezen wegens de vrijspraak. Het vonnis vernietigde het eerdere vonnis van het Gerecht en deed opnieuw recht, waarbij de verdachte werd vrijgesproken van de feiten onder 1 en 3 en veroordeeld voor de feiten onder 2 primair en 4.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van doodslag op Shon Fiel, veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf voor medeplegen gekwalificeerde doodslag op Reiger en veroordeeld tot schadevergoeding aan benadeelden Reiger en diens zoon.

Uitspraak

Zaaknummer: H13/25
Parketnummers: 500.00164/24 en 500.00170/24
Uitspraak: 14 juli 2026 Tegenspraak
Vonnis
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, (hierna: het Gerecht) van 29 januari 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[naam verdachte]
geboren op [datum] op [land],
wonende in Curaçao,
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis terzake van het onder 1 impliciet subsidiair, 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen gegeven op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 juni 2026.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. E.V.A. Bos, en van wat door de verdachte en zijn raadsman, mr. U. Dickens, advocaat te Curaçao, naar voren is gebracht. Voorts heeft het Hof kennisgenomen van wat namens de benadeelde partijen [naam benadeelde partij onderzoek Shon Fiel] en [naam benadeelde partij onderzoek Reiger] en haar minderjarige zoon in het kader van hun vorderingen tot schadevergoeding naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep onder aanvulling van de bewijslevering zal bevestigen.
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 en 3 tenlastegelegde wegens onvoldoende wettig bewijs. Ten aanzien van het onder 2 en 4 tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het Hof voor wat betreft de bewezenverklaring en de kwalificatie.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het Hof tot een andere bewezenverklaring komt dan het Gerecht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na de in eerste aanleg toegelaten wijziging tenlastelegging – ten laste gelegd dat hij:
feit 1
op of omstreeks 23 september 2023 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en - al dan niet – met voorbedachten rade [slachtoffer onderzoek Shon Fiel] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en - al dan niet - na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen, (gericht) op die [slachtoffer onderzoek Shon Fiel] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer onderzoek Shon Fiel] is overleden;
(artikel 2:262/259 Wetboek van Strafrecht)

feit 2

primair

op of omstreeks 31 mei 2024 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer onderzoek Reiger] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet (vanaf korte afstand) eenmaal met een vuurwapen, (gericht) op die [slachtoffer onderzoek Reiger] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer onderzoek Reiger] is overleden, welke voren omschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld en/of een afpersing tegen die [slachtoffer onderzoek Reiger] en/of [naam benadeelde partij onderzoek Reiger] en/of [zoon benadeelde partij onderzoek Reiger], en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat/ die feit(en) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of zijn mededader(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;
(artikel 2:260 Wetboek Pro van Strafrecht)
subsidiair
op of omstreeks 31 mei 2024 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto van het merk [automerk 1] en/of een of meerdere mobiele telefoons en/of een of meerdere (gouden) kettingen en/of een gouden muntrand met gouden tientje en/of een (gouden) armband en/of een Nintendo Switch, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer onderzoek Reiger] en/of [naam benadeelde partij onderzoek Reiger] en/of [zoon benadeelde partij onderzoek Reiger], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer onderzoek Reiger] en/of [naam benadeelde partij onderzoek Reiger] en/of [zoon benadeelde partij onderzoek Reiger], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s);
  • zich - voorzien van een geheel of gedeeltelijk bedekt hoofd/ gezicht en/of gewapend met een of meer vuurwapens - naar/in de woning van voornoemde [slachtoffer onderzoek Reiger] en/of [naam benadeelde partij onderzoek Reiger] (gelegen aan de [straatnaam 1]) heeft/hebben begeven en/of;
  • (vervolgens) met een vuurwapen op en/of in de richting (van het lichaam) van die [slachtoffer onderzoek Reiger] heeft/hebben geschoten en/of;
  • (vervolgens) die [naam benadeelde partij onderzoek Reiger] bij haar shirt heeft/hebben vast gepakt en tegen die [naam benadeelde partij onderzoek Reiger] heeft/hebben gezegd/ geschreeuwd: “waar is het geld" (althans woorden van gelijke (dreigende) aard/ strekking) om vervolgens die [naam benadeelde partij onderzoek Reiger] op de grond te laten vallen / gooien en/of;
  • de betreffende woning heeft/hebben doorzocht en/of (alles) overhoop
heeft/hebben gehaald) en/of;
  • (vervolgens) met zijn hand de mond van die [naam benadeelde partij onderzoek Reiger] dicht heeft/hebben gehouden en/of vervolgens tegen die [naam benadeelde partij onderzoek Reiger] heeft hebben gezegd/ geschreeuwd: "stil blijven" (althans woorden van gelijke (dreigende) aard/ strekking) en/of;
  • een vuurwapen op/in het lichaam die [naam benadeelde partij onderzoek Reiger] gericht, althans een vuurwapen aan die [naam benadeelde partij onderzoek Reiger] heeft getoond en/of een vuurwapen tegen het hoofd van die [naam benadeelde partij onderzoek Reiger] heeft gericht/ vastgehouden en/of;
  • (vervolgens) die [naam benadeelde partij onderzoek Reiger] heeft/hebben vast gepakt en/of;
  • meegetrokken en/of vervolgens tegen die [naam benadeelde partij onderzoek Reiger] heeft hebben gezegd/ geschreeuwd; "waar zijn de sleutels" (althans woorden van gelijke (dreigende) aard/ strekking);
ten gevolge van welk(e) bovenomschreven feit(en) die [slachtoffer onderzoek Reiger] is overleden;
(artikel 2:291 lid 3 Wetboek Pro van Strafrecht)

feit 3

op of omstreeks 23 september 2023, althans in de maand september 2023 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s) en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad;
(artikel 3 jo Pro 11 van de Vuurwapenverordening 1930)

feit 4

in of omstreeks de periode van 31 mei 2024 tot en met 9 juni 2024, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s) en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.
(artikel 3 j° 11 van de Vuurwapenverordening 1930)
Vrijspraak van de feiten 1 en 3 (onderzoek Shon Fiel)
Standpunt van de procureur-generaal
De procureur-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 3 ten laste gelegde. Zij heeft zich daarbij aangesloten bij de bewijsvoering van het Gerecht en aangevoerd dat de in hoger beroep ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde getuigenverklaring van [getuige 2] het bewijs verder versterkt. Volgens de procureur-generaal is nu, meer dan in eerste aanleg, sprake van wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Volgens de raadsman moeten de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] van het bewijs worden uitgesloten omdat ze onvoldoende betrouwbaar zijn. Daarnaast leveren de historische verkeersgegevens geen steunbewijs op, omdat niet kan worden vastgesteld dat het onderzochte telefoonnummer (al vanaf maanden eerder dan de tenlastegelegde datum) aan de verdachte kan worden toegeschreven.
Feiten en omstandigheden
Op 23 september 2023 rijdt [slachtoffer onderzoek Shon Fiel] (hierna: [slachtoffer onderzoek Shon Fiel]) samen met zijn vriendin, [getuige 1] (hierna: [getuige 1]), en een vriend, [getuige 2] (hierna: [getuige 2]), naar Otrabanda om een verjaardag bij te wonen. Als zij zijn aangekomen op de [adres 2], seint een man naar [slachtoffer onderzoek Shon Fiel]. [Slachtoffer onderzoek Shon Fiel] stapt uit de auto en spreekt korte tijd met deze man. Kort daarna hoort [getuige 1] een schot. [Slachtoffer onderzoek Shon Fiel] keert vervolgens gewond terug naar de auto en zegt dat de man hem heeft neergeschoten. Vrijwel direct daarna verliest hij het bewustzijn. Ze rijden daarop de auto naar het ziekenhuis, waar [getuige 1] en [slachtoffer onderzoek Shon Fiel] worden afgezet. In het ziekenhuis blijkt dat [slachtoffer onderzoek Shon Fiel] is geraakt door een schot in de linkerborst, ter hoogte van zijn hart. Hij overlijdt daar aan de gevolgen van zijn verwondingen. [Slachtoffer onderzoek Shon Fiel] is 25 jaar oud geworden.
In het ziekenhuis laat de vader van [getuige 1] haar een foto zien van de persoon die volgens berichten op Facebook de schutter zou zijn. Daarbij is een verbalisant aanwezig. [Getuige 1] reageert zichtbaar geëmotioneerd. De verbalisant herkent de persoon op de foto als de verdachte.
Op een later moment neemt [getuige 1] tweemaal deel aan een meervoudige fotoconfrontatie. Bij beide confrontaties wijst zij de verdachte aan als de man die kort vóór de schietpartij met [slachtoffer onderzoek Shon Fiel] sprak op de [adres 2]. [Getuige 1] heeft ook verklaringen afgelegd in deze zaak, zowel als verdachte en als getuige. Zij geeft als signalement van de man met wie [slachtoffer onderzoek Shon Fiel] sprak: "
Hij had een kleine afro, zijn haren stonden omhoog, maar hij had geen grote afro of zo."
[Getuige 2] heeft bij de politie verklaard niets te hebben gezien. [Getuige 3] heeft daarentegen als getuige verklaard dat [getuige 2] hem daags na de schietpartij heeft verteld dat de verdachte de schutter was. In hoger beroep is [getuige 2] als getuige gehoord bij de rechter-commissaris. Hij heeft toen verklaard dat hij aanvankelijk uit angst niet durfde te verklaren, maar daartoe inmiddels wel bereid was. Volgens [getuige 2] is [slachtoffer onderzoek Shon Fiel] na het schot teruggekeerd naar de auto en heeft hij daar herhaaldelijk gezegd dat de verdachte hem had beschoten.
De politie heeft onderzoek verricht naar de historische verkeersgegevens van een telefoonnummer dat volgens de politie aan de verdachte kan worden toegeschreven. Uit dit onderzoek volgt dat dit telefoonnummer zich ten tijde van het schietincident bevond binnen het dekkingsgebied van de plaats delict. In een proces-verbaal heeft de politie in een analyse uiteengezet waarom het telefoonnummer aan de verdachte wordt toegeschreven. Volgens die analyse heeft de verdachte het telefoonnummer gebruikt vanaf 1 januari 2023 tot en met 23 september 2023. De politie baseert deze toerekening onder meer op belcontacten tussen het betreffende telefoonnummer en de moeder en stiefvader van de verdachte.
Beoordeling door het Hof
Het Hof stelt voorop dat de verdachte de betrokkenheid bij de schietpartij van meet af aan heeft ontkend. De vraag is of de inhoud van het dossier voldoende steun biedt voor het scenario dat de verdachte degene is geweest die op [slachtoffer onderzoek Shon Fiel] heeft geschoten. Het Hof beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Het dossier bevat als belangrijk belastend bewijsmiddel de herkenning van de verdachte door [getuige 1]. Het Hof stelt vast dat aan [getuige 1] al in het ziekenhuis door haar vader een foto is getoond van de persoon die volgens berichten op Facebook de schutter zou zijn. Uit het dossier blijkt echter niet welke foto aan [getuige 1] is getoond, noch uit welke Facebookbron deze afkomstig was. Hierdoor kan niet worden vastgesteld welke afbeelding zij voorafgaand aan de meervoudige fotoconfrontaties heeft gezien. Evenmin kan worden uitgesloten dat de confrontatie met de Facebook-post van invloed is geweest op de door haar gedane latere herkenningen bij de meervoudige fotoconfrontaties. Daarbij acht het Hof van belang dat [getuige 1] ten overstaan van de rechter-commissaris over de eerste meervoudige fotoconfrontatie heeft verklaard dat zij enigszins twijfelde, omdat de haardracht van de verdachte volgens haar afweek van die van de man die zij op de dag van het schietincident had gezien. Over de tweede fotoconfrontatie heeft zij bij de rechter-commissaris verklaard dat zij toen wel zekerheid had, omdat de haardracht op die foto overeenkwam met haar herinnering. Bij de rechter-commissaris heeft de getuige tot slot verklaard dat de man op de foto van de eerste foto-confrontatie (naar het Hof begrijpt: die zij had herkend als de schutter) vlechten had en bij de tweede herkenning haar had zoals ze had gezien op de bewuste avond van het schietincident.
Het Hof heeft beide fotoconfrontaties bekeken en constateert dat het verschil in haardracht tussen de foto's niet zonder meer duidelijk is. Voorts stelt het Hof vast dat de haardracht van de verdachte op de getoonde foto's, waaronder ook de tweede foto, niet strookt met het door [getuige 1] opgegeven signalement. Vlechten (op de foto van de verdachte in de eerste fotoserie) en door de getuige beschreven ‘opstaand haar’ / een kleine ‘afro’ (op de foto van de verdachte in de tweede fotoserie) ziet het Hof namelijk niet. Dit doet naar het oordeel van het Hof afbreuk aan de waarde van de herkenningen. Voorts stelt het Hof vast dat de processen-verbaal van de meervoudige fotoconfrontaties op onderdelen vragen onbeantwoord laten. Zo is niet gerelateerd op grond van welke concrete uiterlijke kenmerken [getuige 1] de verdachte heeft herkend. Tegen deze achtergrond, en mede in aanmerking genomen dat [getuige 1] voorafgaand aan de fotoconfrontatie reeds een foto heeft gezien van een persoon die volgens berichten op sociale media de schutter zou zijn geweest, is het Hof terughoudend bij de waardering van de uitkomsten van deze herkenningen.
Het Hof heeft voorts acht geslagen op het onderzoek naar de historische verkeersgegevens van een telefoonnummer dat door de politie aan de verdachte wordt toegeschreven. De politie heeft op grond van diverse bevindingen aangenomen dat de verdachte van dit telefoonnummer gebruik maakte tot en met de dag van het schietincident. Het Hof constateert echter dat uit de historische printgegevens volgt dat de contacten waarop deze toerekening is gebaseerd eindigen op 22 april 2023 (de dag waarop vanaf dat nummer het laatst contact is opgenomen met de stiefvader van de verdachte). Zonder nadere motivering, die ontbreekt, kan uit die gegevens niet worden afgeleid dat de verdachte het telefoonnummer vijf maanden later, ten tijde van het incident op 23 september 2023, nog gebruikte. Het Hof acht de toerekening van het telefoonnummer aan de verdachte op dat moment daarom onvoldoende onderbouwd.
Ten slotte betrekt het Hof de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] in zijn beoordeling. [Getuige 2] heeft pas in hoger beroep, bijna twee jaar na de schietpartij, verklaard dat [slachtoffer onderzoek Shon Fiel] na het schot de naam "
[naam verdachte]" zou hebben uitgesproken. Deze verklaring wijkt af van de verklaring van [getuige 1], die heeft verklaard dat [slachtoffer onderzoek Shon Fiel] heeft gezegd dat hij was neergeschoten en vervolgens vrijwel direct het bewustzijn verloor. Voor deze afwijking biedt het dossier geen afdoende verklaring. De verklaring van [getuige 3] maakt dit niet anders. [Getuige 3] heeft deze verklaring pas ongeveer anderhalve maand na het schietincident afgelegd. Bovendien berust zijn verklaring op mededelingen die [getuige 2] hem zou hebben gedaan, terwijl uit het dossier blijkt dat al zeer kort na het schietincident, toen [slachtoffer onderzoek Shon Fiel] nog in het ziekenhuis verbleef, op Facebook een foto werd gedeeld waarop kennelijk de foto van de verdachte als de vermeende schutter werd getoond. Daarnaast deed volgens [getuige 1] al in een vroeg stadium de naam van verdachte als de schutter de ronde. Tegen die achtergrond kan niet worden uitgesloten dat de door [getuige 3] genoemde naam (mede) afkomstig was uit de informatie die inmiddels in de omgeving en via sociale media was verspreid.
Het Hof is van oordeel dat de hiervoor genoemde omstandigheden, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende grond bieden om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat de verdachte degene is geweest die op [slachtoffer onderzoek Shon Fiel] heeft geschoten. Het Hof acht het onder 1 ten laste gelegde daarom niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Nu ook niet kan worden vastgesteld dat een van de wapens die in juni 2024 bij de huiszoeking zijn aangetroffen in enig verband staan met het schietincident op 23 september 2023 en ook overigens niet kan worden vastgesteld dat verdachte in september 2023 al beschikte over een vuurwapen, zal verdachte ook worden vrijgesproken van het aan hem onder 3 tenlastegelegde.
Bewezenverklaring
Het Hof acht – op grond van de inhoud van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in onderzoek Reiger onder 2 primair en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 2

primair

hij op
of omstreeks31 mei 2024 in Curaçao, tezamen en in vereniging met
een ander ofanderen
, althans alleen,opzettelijk [slachtoffer onderzoek Reiger] van het leven heeft beroofd, immers
heeft/hebben verdachte en
/ofzijn mededader
(s
)met dat opzet (vanaf korte afstand)
eenmaalmet een vuurwapen,
(gericht)op die [slachtoffer onderzoek Reiger] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer onderzoek Reiger] is overleden, welke voren omschreven doodslag werd gevolgd
envergezeld
en/of voorafgegaanvan enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld
en/of een afpersingtegen die [slachtoffer onderzoek Reiger] en/of [benadeelde partij onderzoek Reiger]
en/of[zoon benadeelde partij onderzoek Reiger], en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat
/diefeit
(en) voor te bereiden en/ofgemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of zijn mededader
(s
)straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

feit 4

hij in
of omstreeksde periode van 31 mei 2024 tot en met 9 juni 2024, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen
, althans alleen, een of meervuurwapen(s) en
/ofmunitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn
verbeterd. Omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de
bewezenverklaring (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de
verdediging.
Bewijsmiddelen
Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring. [1]
Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.
Ten aanzien van het in onderzoek Reiger onder 2 primair en 4 ten laste gelegde:
1.
Een proces-verbaal van aangifte van 4 juni 2024 in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant[
verbalisant 1]
, doorgenummerde pagina’s 58-61.
Dit proces-verbaal houdt in als verklaring van
[naam benadeelde partij onderzoek Reiger], voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Op 31 mei 2024 rond 23:25 uur zaten wij op de achter porch en wij hoorden de krabpaal van de katten omvallen. [Naam slachtoffer], mijn man, liep naar de woonkamer. Ik hoor een mannenstem ‘hey’ zeggen en daarna hoor ik een schot. Ik zie [naam slachtoffer] vallen en zag drie personen, die zijn alle kamers afgegaan. Eentje kwam naar mij toe, greep me bij mijn shirt en vroeg voor geld. Hij is verder gegaan en kort daarna komt diezelfde dader terug. Hij plaatste zijn hand op mijn mond en ik zag dat deze dader zwarte wollen handschoenen droeg. Op een gegeven moment dacht ik dat ze weg waren. Toen kwamen ze nog een keer terug. Hij heeft mij weer opgepakt en vroeg waar de sleutels waren. Toen had ik de heksleutels en die van de auto aan hem gegeven. Ik kon niks, zijn telefoon was ook weg. Weggenomen goed: oranje [automerk 1], mobiele telefoon merk Samsung, mobiele telefoon merk IPhone 11.
2.
Een proces-verbaal van aangifte van 4 juni 2024 in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant[
verbalisant 2]
, doorgenummerde pagina’s 63-65.
Dit proces-verbaal houdt in als verklaring van
[naam benadeelde partij onderzoek Reiger], voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
In aanvulling op mijn aangifte. Ik ben erachter gekomen dat er meer spullen weg zijn, dit betreft de volgende goederen:
o gouden ketting met hanger
o gouden armband
Ook zou ik, na het lezen van mijn eerste aangifte nog iets aan willen vullen. Op het moment dat de inbrekers terugkwamen, nadat ze de eerste keer weg waren gegaan, zag ik 1 persoon op mij aflopen met een pistool in zijn rechterhand, met het pistool op mij gericht. Hierop begon ik te gillen en voelde ik dat de man zijn hand voor mijn mond deed. Ik heb de hele tijd naar de loop gekeken.
3.
Een geschrift, zijnde een autopsierapport van 4 juni 2024 (corrected version 10 december 2024), opgesteld door dr. [naam deskundige], forensisch patholoog, losbladig.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de patholoog:
Autopsy [slachtoffer onderzoek Reiger]
Conclusions:
1 perforating ("in-out") gunshot trajectory could be found on the body: Slightly ascending gunshot (ca. 5-10 degrees) from the frontal left to the right back with entry on the lower left frontal thorax below the 12. rib, perforating the diaphragm on both sides, lacerating the bottom side of the liver and perforating the right lobe of the liver including the liver root, containing the big vessels of the liver (liver artery and liver veins) and causing a contusion of the lower lobe of the right lung with exit on the posterior thorax between the ribs 10 and 11.
Cause of death:Internal bleeding to death due to a gunshot.
4.
De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 25 juni 2026.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik op 31 mei 2024 samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de woning aan de [straatnaam 1] ben geweest waarbij de mannelijke bewoner is neergeschoten. Met [medeverdachte 2] bedoel ik [volle naam medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] is [volle naam medeverdachte 1].
Ik was die dag bij mijn oma en [medeverdachte 1] kwam mij halen. Hij zei dat hij en een andere jongen wat gingen stelen. Ik ben meegegaan. Wij zijn bij de mini-market gestopt om [medeverdachte 3] (het Hof begrijpt: [volledige naam medeverdachte 3] op te halen. Ik kreeg daar een wapen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hadden ook een wapen en ik dacht “oké, dan heb ik er ook een nodig”. [Medeverdachte 1] zei dat het wapen was om alles rustig te houden. Ik heb het wapen vanaf het moment dat ik het kreeg in mijn hand gehouden. Ter plaatse gekomen heb ik gezichtsbedekking opgedaan. Ik had het wapen in mijn hand toen ik over het hek van de woning sprong. De andere twee hadden ook een wapen in hun hand. [Medeverdachte 1] ging als eerste de woning in. De deur was open en hij duwde de deur open met de voet. Ik volgde hem de woning in. Ik hoorde een schot en zag de man op de grond liggen. Ik zag mevrouw toen ze naar haar man wilde gaan.
Na dit gebeuren ben ik met [medeverdachte 1] naar de [adres 2] gegaan en ik ben sindsdien daar gebleven. Het klopt dat in de kamer waar ik sliep wapens en munitie zijn aangetroffen. Het vuurwapen met de 18 scherpe patronen erin was van mij. Dat is het wapen dat is aangetroffen bij het raam, dat is het wapen dat ik bij mij had op 31 mei 2024. Sinds die dag had ik het vuurwapen bij mij. Het andere wapen dat in de kamer is aangetroffen, die met 15 patronen, was van [medeverdachte 1]. De andere patronen waren ook van [medeverdachte 1].
5.
Een proces-verbaal van zoeking, adres[
adres 2]
naast [huisnummer] van 9 juni 2024 in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3], doorgenummerde pagina’s 58-67 (onderzoek Shon Fiel).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven als verklaring van de verbalisant voornoemd:
Op 9 juni 2024 werd de woning adres [adres 2] naast [huisnummer] binnengetreden ter aanhouding van de verdachte [verdachte] en aldaar werd de verdachte aangetroffen. Tijdens de zoeking werden verschillende voorwerpen aangetroffen:
Sofa
Een zwarte tas met een zwart vuistvuurwapen met 15 scherpe patronen in de patroonhouder.
Raam
Een niet verscholen en binnen handbereik zwart vuistvuurwapen met 18 scherpe patronen in de patroonhouder.
Koelkast
Twee scherpe patronen
Nabij deur naar achteren
Een zak inhoudende 51 scherpe patronen en een zakje inhoudende 16 scherpe patronen.
6.
Een proces-verbaal forensisch onderzoek aan een op een vuurwapen gelijkend voorwerp van 1 juli 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de verbalisant [verbalisant 4], doorgenummerde pagina’s 124-125.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven als verklaring van de verbalisant voornoemd:
Het op 9 juni 2024 op de [adres 2] naast [huisnummer] in beslag genomen voorwerp is een pistool van het merk Caracal model F samen met 18 scherpe patronen. Het pistool is een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 en het pistool en de scherpe patronen zijn deugdelijk.
7.
Een proces-verbaal forensisch onderzoek aan een op een vuurwapen gelijkend voorwerp van 1 juli 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de verbalisant [verbalisant 4], doorgenummerde pagina’s 127-128.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven als verklaring van de verbalisant voornoemd:
Het op 9 juni 2024 op de [adres 2] naast [huisnummer] in beslag genomen voorwerp is een pistool van het merk Caracal model C samen met 15 scherpe patronen. Het pistool is een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 en het pistool en de scherpe patronen zijn deugdelijk.
8.
Een proces-verbaal forensisch onderzoek aan een op scherpe patronen gelijkende voorwerpen van 1 juli 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de verbalisant [verbalisant 4], doorgenummerde pagina’s 130-131.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven als verklaring van de verbalisant voornoemd:
De op 9 juni 2024 op de [adres 2] naast [huisnummer] in beslag genomen voorwerpen zijn 67 scherpe patronen van het kaliber 9x19mm. Deze patronen zijn geschikt om door een vuurwapen van hetzelfde kaliber te worden geschoten en zijn deugdelijk.
9.
Een proces-verbaal forensisch onderzoek aan een op scherpe patronen gelijkende voorwerpen van 1 juli 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de verbalisant [verbalisant 4], doorgenummerde pagina’s 133-134.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven als verklaring van de verbalisant voornoemd:
De op 9 juni 2024 op de [adres 2] naast [huisnummer] in beslag genomen voorwerpen zijn 2 scherpe patronen van het kaliber 9mm. Deze patronen zijn geschikt om door een vuurwapen van hetzelfde kaliber te worden geschoten en zijn deugdelijk.
10.
Een proces-verbaal van horen bij inverzekeringstelling van verdachte van 13 juni 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de verbalisant [verbalisant 5], doorgenummerde pagina’s 433-434.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven als verklaring van
[medeverdachte 1]:
Ik beken dat ik betrokken was bij het voorval (
het Hof begrijpt gelet op het dossier: de overval op 31 mei 2024 op de [adres 1])en dat ik degene was die de man had geschoten.
11.
Een proces-verbaal van 2e verhoor verdachte [medeverdachte 1] van 19 juni 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7], doorgenummerde pagina’s 459-472.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven als verklaring van de verbalisanten voornoemd, of van één van hen:
Vraag: was je bij
(het Hof begrijpt: medeverdachte [verdachte])op de dag dat hij bij de [adres 2] werd aangehouden?
Antwoord: ja, ik was samen met [verdachte]. Het vuurwapen dat ik bij de overval te [adres] had gebruikt lag bij het raam naast de sofa waarop ik zat. Het andere vuurwapen is van [verdachte].
Het vuurwapen heb ik gebruikt tijdens de beroving op de [adres] en ik heb de bewoner daarmee neergeschoten. Ik had mijn vuurwapen geladen toen ik in de kamer aankwam. Ik wist dat er personen thuis moeten zijn. Wij hadden allemaal een vuurwapen. [Medeverdachte 2] had ook een vuurwapen bij zich. Vraag: had je [medeverdachte 2] met een vuurwapen tijdens deze beroving gezien? Antwoord: ja, het was geen revolver. Het was een pistool.
12.
Een proces-verbaal van 4e verhoor van verdachte [medeverdachte 1] van 4 juli 2024 in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 6], doorgenummerde pagina’s 483-495.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven als verklaring van
[medeverdachte 1]:
O: Tijdens de zoeking te [adres 2], het appartement dat jij had gehuurd, waren naast de twee vuurwapens, onder andere ook twee zakken gevuld met munitie aangetroffen.
(..)
V: wat kan je over vermeld aangetroffen munitie vertellen?
A: deze zijn allemaal van mij
V: waarom had je zoveel munitie bij je?
A: ik heb ze gevonden en had ze gekocht.
Bewijsoverwegingen
De feiten 2 primair en 4 (onderzoek Reiger)
Feitelijke gang van zaken
Op grond van de inhoud van bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, stelt het Hof de volgende gang van zaken vast.
In de avond van 31 mei 2024 zijn de verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] gezamenlijk in een pick-up op pad gegaan met het doel een woningoverval te plegen. Reeds vooraf was een woning uitgekozen. [Medeverdachte 1] heeft verklaard dat het plan een beroving betrof en dat hij daarom een vuurwapen had meegenomen.
Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat [medeverdachte 1] de woning reeds op de dag voorafgaand aan de overval en op de dag van de overval meerdere malen heeft verkend om vast te stellen hoeveel personen zich daar bevonden en wie hij tijdens de overval mogelijk zou aantreffen.
Eenmaal aangekomen bij de woning zagen de verdachten dat beide auto's van de bewoners in de carport stonden en dat de voordeur openstond. Het Hof leidt hieruit af dat voor de verdachten kenbaar was dat de bewoners thuis waren. [Medeverdachte 1] heeft dit ook bevestigd door te verklaren dat hij wist dat zich personen in de woning moesten bevinden en dat hij daarom, nadat hij de woonkamer had betreden, zijn vuurwapen heeft doorgeladen.
Vervolgens zijn de verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], (deels) gemaskerd en alle drie voorzien van een vuurwapen, gezamenlijk de woning binnengedrongen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de vuurwapens waren meegenomen om "de boel rustig te houden". Hieruit leidt het Hof af dat de aanwezigheid van vuurwapens onderdeel uitmaakte van het gezamenlijke plan en dat ieder van de verdachten wist dat de anderen eveneens bewapend waren.
Nadat de verdachten door de bewoners werden geconfronteerd, heeft [medeverdachte 1] het slachtoffer [slachtoffer onderzoek Reiger] met een vuurwapen neergeschoten. Vervolgens hebben de verdachten hun voorgenomen overval onverminderd voortgezet. De echtgenote van het slachtoffer is onder bedreiging met een vuurwapen gedwongen geld en autosleutels af te geven, terwijl de woning werd doorzocht op waardevolle goederen. Ook de slaapkamer van het minderjarige zoontje werd daarbij doorzocht. Uiteindelijk zijn de verdachten gezamenlijk gevlucht met onder meer een auto en diverse sieraden.
Gekwalificeerde doodslag
Het Hof stelt voorop dat voor gekwalificeerde doodslag is vereist dat de doodslag in een zodanig onmiddellijk verband staat met een ander strafbaar feit dat beide feiten als één geheel kunnen worden beschouwd en dat de doodslag is gepleegd met het oogmerk om dat andere feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, dan wel om bij betrapping straffeloosheid of het bezit van het gestolene te verzekeren.
Naar het oordeel van het Hof is aan die vereisten voldaan. De doodslag vond plaats tijdens de uitvoering van de woningoverval en stond daarmee zowel in causaal als in temporeel opzicht in onmiddellijk verband met de diefstal met geweld. Daarbij acht het Hof van belang dat de verdachten, nadat het slachtoffer was neergeschoten, hun plan niet hebben afgebroken, maar de woning verder hebben doorzocht, de echtgenote met een vuurwapen hebben bedreigd en de weggenomen goederen hebben buitgemaakt. Hieruit volgt dat het schieten kennelijk diende om de uitvoering van de overval mogelijk te maken dan wel de vlucht en het bezit van de buit veilig te stellen.
Medeplegen en voorwaardelijk opzet
Het Hof is voorts van oordeel dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de gekwalificeerde doodslag.
De verdachte is niet slechts aanwezig geweest, maar heeft een wezenlijke en onmisbare bijdrage geleverd aan de uitvoering van het gezamenlijke plan. De verdachten zijn gezamenlijk naar de woning gegaan, gezamenlijk uit de pick-up gestapt, gezamenlijk – (deels) gemaskerd en met getrokken vuurwapens - de woning binnengedrongen, hebben gezamenlijk de woning doorzocht en zijn gezamenlijk met de buit gevlucht. Van een duidelijke taakverdeling waarbij uitsluitend één verdachte verantwoordelijk was voor het gebruik van geweld is niet gebleken. Integendeel, de rollen waren naar oordeel van het Hof inwisselbaar en alle drie de verdachten traden als gewapende overvallers op.
Het Hof acht ook bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer. De verdachte is willens en wetens met twee eveneens bewapende medeverdachten een woning binnengegaan waarvan hij wist dat de bewoners thuis waren. Onder deze omstandigheden was de kans dat de bewoners zich zouden verzetten, dat een gewapende confrontatie zou ontstaan en dat één van de vuurwapens zou worden gebruikt met mogelijk dodelijke gevolgen, naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk. Door desondanks aan het gezamenlijke plan uitvoering te geven heeft de verdachte die aanmerkelijke kans bewust aanvaard.
Het Hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde doodslag.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het onder feit 2 primair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:260 juncto Pro 1:123 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Medeplegen van gekwalificeerde doodslag.
Het onder feit 4 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening juncto 1:123 van het Wetboek van Strafrecht en strafbaar gesteld in artikel 11 van Pro die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Medeplegen van overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
Oplegging van straf
Het Gerecht heeft de verdachte voor het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het vonnis zal worden bevestigd.
De raadsman heeft een strafmaatverweer gevoerd en bepleit dat gelet op de leeftijd van de verdachte en omdat niet bewezenverklaard kan worden wat de verdachte onder 1 en 3 is tenlastegelegd, de in eerste aanleg opgelegde straf te matigen.
Het Hof overweegt als volgt.
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor een doodslag als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 tot 12 jaren gegeven, voor een gekwalificeerde doodslag een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren en voor vuurwapenbezit op straat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 21 tot 24 maanden.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan gekwalificeerde doodslag. Hij is met zijn mededaders, allen gewapend, in de late avond naar een woning gegaan met het doel daar een overval te plegen. De verdachte en zijn mededaders zijn vervolgens met getrokken vuurwapens de woning binnengedrongen. Toen zij door de bewoners werden betrapt, heeft één van de mededaders de mannelijke bewoner met een vuurwapen neergeschoten. Desondanks hebben de verdachte en zijn mededaders hun plan onverminderd voortgezet. Terwijl het slachtoffer zwaargewond op de grond lag en later aan zijn verwondingen overleed, hebben zij de woning doorzocht en goederen weggenomen. De echtgenote van het slachtoffer heeft machteloos moeten toezien hoe haar man stervende was, terwijl zij werd belet hem hulp te verlenen en zij zelf verkeerde in doodsangst. Hun minderjarige zoon lag op dat moment in bed. Hij hoorde het schot en hield zich uit angst slapende terwijl ook zijn kamer werd doorzocht. Uiteindelijk zijn de verdachte en zijn mededaders met de buit, bestaande uit onder meer een auto, telefoons en sieraden gevlucht. Door het handelen van de verdachte en zijn mededaders is het slachtoffer het meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen. Het overlijden van het slachtoffer heeft voor zijn nabestaanden onherstelbaar en blijvend leed veroorzaakt. Ter terechtzitting is op indringende wijze duidelijk geworden welke ingrijpende gevolgen dit misdrijf voor hen heeft gehad. De impact was en is enorm. Feiten als de onderhavige veroorzaken bovendien gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Het Hof rekent dit de verdachte zwaar aan.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en (scherpe) munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens brengt ernstige risico's voor de veiligheid van personen met zich. Dat gevaar heeft zich in deze zaak op uiterst tragische wijze verwezenlijkt.
Het baart het Hof ernstige zorgen hoe gemakkelijk de verdachte zich heeft laten overhalen om mee te doen aan een gewapende overval en – na afloop daarvan – zich niet heeft ontdaan van de vuurwapens die hij en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] hadden gebruikt, doch dat zij deze bij zich hebben gehouden. Ze lagen voor het grijpen in de woning waarin zij verbleven.
Bij de straftoemeting heeft het Hof ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het Hof heeft acht geslagen op de strafkaart van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.
Ten tijde van het plegen van de feiten was de verdachte slechts 19 jaar oud. Het Hof houdt er rekening mee dat de hersenontwikkeling op die leeftijd nog niet is voltooid en dat jongeren in het algemeen gevoeliger zijn voor beïnvloeding door anderen. Het Hof heeft gezien de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep de indruk gekregen dat daar bij de verdachte sprake van is (geweest).
Het Hof heeft acht geslagen op de over de verdachte in zowel 2024 als 2026 uitgebrachte rapportages. De verdachte lijkt niet te lijden aan een psychische stoornis en wordt door de deskundigen als volledig toerekeningsvatbaar beoordeeld. Wel wordt de kans op recidive door de psycholoog hoog ingeschat en worden interventies ter beperking van die kans geadviseerd, zoals cognitieve gedragstherapie, emotieregulatie en sociale vaardigheidstraining. In het meest recente rapport van de psycholoog wordt zijn antisociale persoonlijkheidsontwikkeling genoemd als reden voor zijn beperkte vaardigheden om relaties aan te gaan of te onderhouden. De deskundigen zien geen redenen voor het toepassen van het jeugdstrafrecht. Dit alles geeft het Hof dan ook geen aanleiding om toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht. Wel acht het Hof het, mede gelet op de inhoud van die rapportages en de van de verdachte gekregen indruk, wenselijk dat nu in detentie en later in het kader van een eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling wordt ingezet op passende behandeling en begeleiding, gericht op het vergroten van de weerbaarheid van de verdachte tegen negatieve beïnvloeding door anderen.
Alles afwegend acht het Hof een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren passend en geboden.
Vorderingen benadeelde partijen
Onderzoek Shon Fiel (het onder 1 tenlastegelegde)
De benadeelde partij [naam benadeelde partij onderzoek Shon Fiel] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt NAf 9.050,34 aan materiële schade (begrafeniskosten) en NAf 20.000,00 als voorschot immateriële schade (shockschade).
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen.
Het Hof overweegt als volgt.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard aan het onder 1 en 3 tenlastegelegde handelen waardoor de schade zou zijn ontstaan. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Onderzoek Reiger (het onder 2 tenlastegelegde)
De benadeelde partij [naam benadeelde partij onderzoek Reiger] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De volgende posten zijn opgevoerd tot een totaal van NAf 42.642,35:
NAf 21.120,00 gestolen sieraden;
NAf 429,90 reparatie Samsung galaxy S7 Edge;
NAf 645,58 waarde gestolen motor;
NAf 447,17 Nintendo;
NAf 20.000,00 voorschot immateriële schade.
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep deels toegewezen. De vordering is in hoger beroep gehandhaafd tot de oorspronkelijke hoogte.
Het Hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [naam benadeelde partij onderzoek Reiger] als gevolg van verdachtes onder feit 2 primair bewezenverklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Dit betreft de posten 1, 2 en 4. Het Hof stelt vast dat deze schade, met uitzondering van de emotionele schade als gevolg van het verlies van de sierraden, genoegzaam met stukken is onderbouwd. De vordering, die niet inhoudelijk door de raadsman is betwist, komt dan ook in zoverre voor toewijzing in aanmerking.
Voor zover de vordering betrekking heeft op schadepost 3, ontbreekt het vereiste rechtstreekse verband met het aan de verdachte ten laste gelegde feit. Deze schade ziet immers op de diefstal van een motor, welk feit niet aan de verdachte is ten laste gelegd. De benadeelde partij zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.
De totaal toegewezen materiële schade bedraagt daarmee NAf 18.210,31, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024.
Voor het overige zal de vordering, voor zover het materiële schade betreft, niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schadevergoeding
Het Hof stelt voorop dat een vordering tot schadevergoeding kan worden toegewezen als de schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geeft een limitatieve opsomming van de gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:
lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting in de persoon op andere wijze;
Blijkens de onderbouwing van de voegingsformulieren heeft de gemachtigde van de benadeelde partij met name ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ ten grondslag gelegd aan de vordering.
Van de in artikel 6:106 lid Pro 1, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen.
Mevr. [benadeelde partij onderzoek Reiger] heeft een gewelddadige overval in haar woning meegemaakt waarbij haar echtgenoot is doodgeschoten en voor haar ogen is gestorven. Ook mevr. [benadeelde partij onderzoek Reiger] zelf is bedreigd met vuurwapens en er zijn geweldshandelingen met haar verricht. In dit geval is sprake van zowel een onrechtmatige daad tegen mevr. [naam benadeelde partij onderzoek Reiger] zelf als van een directe confrontatie met de gevolgen van het tegen haar echtgenoot gepleegde delict.
Bij de vordering is een verklaring van een psycholoog gevoegd die geestelijk letsel vaststelt in de vorm van een andere gespecificeerde trauma- of stressor gerelateerde stoornis. Uit het addendum van het schadevergoedingsrapport van 12 juni 2026 volgt dat mevr. [naam benadeelde partij onderzoek Reiger] een traumabehandeling heeft moeten ondergaan, die recentelijk is afgesloten. Het gevorderde bedrag van NAf 20.000,00 voor de immateriële schade, dat evenmin door de raadsman is betwist, komt het Hof alleszins billijk voor en zal geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024.
De benadeelde partij [naam benadeelde partij onderzoek Reiger] heeft zich ook namens haar zoon [naam zoon benadeelde partij onderzoek Reiger] (hierna: [zoon]) in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van NAf 20.000,00 als voorschot voor de geleden immateriële schade. De minderjarig zoon lag tijdens de overval in bed en heeft het schot gehoord waaraan zijn vader korte tijd later is komen te overlijden en heeft zijn moeder horen schreeuwen. Hij is direct geconfronteerd met de gevolgen van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten. Toen de overvallers zijn kamer doorzochten en daarbij ook zijn matras optilden heeft hij zich slapend gehouden. Het behoeft geen uitleg dat dit uitermate bedreigende en traumatische ervaringen zijn geweest. Volgens de bij de vordering gevoegde verklaring van een psycholoog zijn er traumaklachten. Uit het addendum van het schadevergoedingsrapport van 23 juni 2026 volgt dat [zoon] een traumabehandeling heeft ondergaan, thuis is begeleid en ook EMDR-therapie heeft gevolgd om het gebeurde een plaats te kunnen geven. Er zijn nog zorgen en er is nog begeleiding nodig. Om die reden acht het Hof het gevorderde, en niet betwiste, bedrag van NAf 20.000,00 voor de immateriële schade billijk en dit zal dan ook geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024.
Het Gerecht stelt vast dat verdachte het onder 2 primair bewezenverklaarde feit samen met anderen heeft gepleegd en dat verdachte en de medeverdachten naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. Het Gerecht zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte/medeverdachten deze al heeft/hebben betaald, en andersom.
Het Gerecht ziet bij de vorderingen -voor zover toegewezen- aanleiding een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van Pro het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen.
Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.
De proceskosten van de benadeelde partijen zullen ten laste van de verdachte worden gebracht. Tot op heden zijn die proceskosten begroot op nihil.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:62 en 1:136, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het Hof:
vernietigt het vonnis van het Gerecht en doet opnieuw recht;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 3 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de
15 (vijftien) jaren;
beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde partij onderzoek Shon Fiel] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [naam benadeelde partij onderzoek Reiger] geleden schade toe tot een bedrag van
NAf 38.210,31 (zegge: achtendertigduizend tweehonderdtien gulden en eenendertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 mei 2024 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde partij onderzoek Reiger] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van
NAf 38.210,31 (zegge: achtendertigduizend tweehonderdtien gulden en eenendertig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 226 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024 tot aan de dag van de voldoening;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [naam benadeelde partij onderzoek Reiger] namens [zoon] geleden schade toe tot een bedrag van
NAf 20.000,00 (zegge: twintigduizend gulden),vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 mei 2024 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde partij onderzoek Reiger] namens [zoon] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van
NAf 20.000,00 (zegge: twintigduizend gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 135 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024 tot aan de dag van de voldoening;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichtingen tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre komen te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partijen daarmee zijn verplichtingen tot betaling aan het Land in zoverre komen te vervallen;
bepaalt ten aanzien van de vorderingen, voor zover toegewezen, dat indien en voor zover (een van) de mededader(s) van de verdachte voormelde bedragen heeft betaald aan de benadeelde partijen of het Land, de verdachte in zoverre is bevrijd van voormelde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partijen of aan het Land.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.W. van ‘t Westeinde, voorzitter, mr. M.L.A. Angela en mr. P.P.C.M. Waarts, leden van het Hof, bijgestaan door mr. S. Pesch, griffier, en op 14 juli 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.

Voetnoten

1.Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao d.d. 22 augustus 2024, geregistreerd onder de onderzoeksnaam “Reiger” en de aanvulling daarop d.d. 27 oktober 2024.