ECLI:NL:OGHACMB:2026:173

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
CUR2025H00022
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 264 lid 1 RvArt. 339 lid 1 Rv-NLArt. 343 Rv-NL
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over sterker gebruiksrecht op perceel domeingrond en opstal in Curaçao

Partijen, [de man] en [de vrouw], zijn betrokken bij een civiel geschil over het gebruiksrecht van een perceel domeingrond en de daarop gebouwde opstal te Curaçao. Het Gerecht in eerste aanleg oordeelde dat [de vrouw] een sterker recht heeft dan [de man]. [De man] ging in hoger beroep en voerde zeventien grieven aan tegen dit vonnis.

Het Hof constateert dat partijen een affectieve relatie hadden en dat de huurrechten en het gebruiksrecht van de opstal oorspronkelijk toekwamen aan de erfgenamen van [erflater]. Beide partijen hebben bedragen gestort voor de verkrijging van deze rechten, maar de overdracht is niet tot stand gekomen. [De vrouw] vordert onder meer bevestiging van haar sterker recht en eigendom, terwijl [de man] de overdracht aan haar betwist.

Het Hof oordeelt dat het geschil niet kan worden beslist zonder nadere inlichtingen en een mondelinge behandeling wordt gelast. Daarbij zal ook worden geprobeerd een minnelijke regeling te treffen. Tot die tijd worden verdere beslissingen aangehouden. De mondelinge behandeling is vastgesteld op 23 november 2026.

Uitkomst: Het Hof gelast een mondelinge behandeling voor nadere inlichtingen en schikking en houdt verdere beslissingen aan.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: CUR202401055 en CUR2025H00022
Uitspraak: 30 juni 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[DE MAN],
verblijvend in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde,
thans appellant,
gemachtigde: mr. A.K. [notaris],
tegen
[DE VROUW],
verblijvend in Curaçao,
in eerste aanleg eiseres,
thans geïntimeerde,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna aangeduid als [de man] en [de vrouw].

1.De zaak in het kort

Deze zaak gaat over de vraag welke van partijen een sterker recht heeft op het gebruik van een (huur)perceel domeingrond en het daarop gebouwde huis. Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht) heeft geoordeeld dat [de vrouw] een sterker recht heeft dan [de man]. Het Hof acht zich nog onvoldoende ingelicht. Het gelast daarom een mondelinge behandeling.

2.Het verloop van de procedure

2.1
Bij op 31 januari 2025 ingekomen akte (aangevuld op 14 februari 2025) is [de man] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 13 januari 2025 uitgesproken vonnis van het Gerecht (ECLI:NL:OGEAC:2025:96), zoals hersteld op 20 januari 2025 en 30 januari 2025.
2.2
Bij op 14 maart 2025 ingekomen memorie van grieven (met producties) heeft [de man] zeventien grieven aangevoerd tegen het vonnis van het Gerecht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep, zoals hersteld, vernietigt en alsnog de vorderingen van [de vrouw] afwijst met veroordeling van [de vrouw] in de kosten van beide instanties.
2.3 [
de vrouw] heeft op 23 juni 2025 een memorie van antwoord (met producties) ingediend. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van het Gerecht bevestigt met veroordeling van [de man] in de proceskosten.
2.4 [
de vrouw] heeft op 25 september 2025 productie 25 in het geding gebracht.
2.5
Op de daarvoor bepaalde dag (30 september 2025) hebben beide partijen pleitnotities ([de man] met producties) ingediend.
2.6
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.

3.De beoordeling

Feiten
3.1.1
Het Hof gaat uit van de volgende feiten. Daarbij is rekening gehouden met wat [de man] in zijn grieven 1 tot en met 3 heeft opgemerkt. Die grieven zijn daarmee behandeld.
3.1.2
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
3.1.3 [
erflater] en zijn echtgenote [echtgenote erflater] waren rechthebbende op de huurrechten van een perceel domeingrond, plaatselijk bekend als [adres], [registratienummer] en het gebruiksrecht van de daarop gebouwde opstal. [erflater] is op 1 oktober 2006 overleden en zijn echtgenote na hem. De genoemde rechten vielen in hun nalatenschappen. Rechthebbenden zijn daardoor geworden hun gezamenlijke erfgenamen.
3.1.4 [
de man] heeft in 2019 een bedrag van NAf 36.000 gestort op de derdengeldrekening van notaris [notaris] ten behoeve van de aankoop van het gebruiksrecht op de opstal op [adres] van de erfopvolgers van de huurder van die grond. Dat geld is inmiddels niet meer beschikbaar.
3.1.5
Op 10 januari 2022 is door het Gerecht vonnis gewezen in de zaak met AR-nummer 202102240. Partijen in die procedure waren twee groepen erfgenamen: groep A en groep B. Op verzoek van groep A heeft het Gerecht bij verstek groep B veroordeeld om “hun medewerking te verlenen aan de overdracht van de huurrechten op het perceel te [adres], [registratienummer] aan [de vrouw]”.
3.1.6
Op 21 oktober 2022 heeft [de vrouw] een bedrag van NAf 36.000 gestort op de derdengeldrekening van haar advocaat ten behoeve van de overdracht van de huurrechten en het gebruiksrecht van de opstal op [adres] door de erfgenamen aan haar. Die overdracht heeft niet plaatsgevonden.
3.1.7
Op 25 november 2022 is tussen (bepaalde) erfgenamen en [de man] een overeenkomst gesloten. Die overeenkomst strekte ertoe dat de erven de huurrechten op het perceel [adres] overdroegen aan [de man]. Dat geldt ook voor het recht op gebruik van de opstal. De koopprijs bedroeg NAf 46.000.
De vorderingen van [de vrouw] en de beslissingen van het Gerecht
3.2.1 [
de vrouw] heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang, in eerste aanleg gevorderd dat voor recht verklaard wordt dat [de man] de huurrechten en de (gebruiksrechten op de) opstal op [adres] aan haar heeft geschonken.
3.2.2
Het Gerecht heeft beoordeeld wie van partijen een sterker recht heeft op het gebruik van de opstal op het perceel [adres]. Beslist is dat [de vrouw] een sterker recht heeft dan [de man] en dat [de man] dat, sterkere, recht van [de vrouw] moet respecteren zolang Domeinbeheer niet anders heeft beslist. [de man] is veroordeeld in de proceskosten.
Ontvankelijkheid hoger beroep
3.3.1 [
de vrouw] stelt dat [de man] de beroepstermijn met één maand heeft overschreden en om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep. Zij stelt in dat verband dat het hoger beroep op 14 februari 2025 is ingesteld en dat de dagvaarding binnen drie maanden (dus uiterlijk op 13 april 2025) door [de vrouw] had moeten zijn ontvangen. Zij ontving de akte van hoger beroep en de memorie van grieven echter pas op 13 mei 2025.
3.3.2
Het Hof volgt [de vrouw] hierin niet. Blijkens het door de griffie daarop geplaatste stempel is de akte van hoger beroep ingediend op 31 januari 2025. Dat is binnen zes weken (artikel 264 lid 1 Rv Pro) na de datum waarop het vonnis van het Gerecht is uitgesproken. Voor de betekening van de akte van hoger beroep en de memorie van grieven is in de wet geen termijn bepaald. Die betekening vond plaats op 13 mei 2025. Van overschrijding van enige termijn was geen sprake. Voor niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep bestaat geen grond. De gedachte van [de vrouw] dat de dagvaarding binnen drie maanden moet zijn ontvangen, is gebaseerd op het procesrecht van Europees Nederland (art. 339 lid 1 en Pro art. 343 Rv Pro-NL) en niet op dat van Curaçao.
Wijziging van eis
3.3.1 [
de vrouw] heeft haar eis in haar memorie van antwoord gewijzigd in die zin dat zij ook vordert:
- dat [de man] wordt veroordeeld tot terugbetaling van door haar gemaakte kosten;
- dat de koopovereenkomst tussen [de man] en de erfgenamen [erflater] ongeldig wordt verklaard.
In haar pleitnota in hoger beroep heeft zij haar eis opnieuw gewijzigd. Zij vordert nu:
1. Het hoger beroep van [de man] ongegrond te verklaren en het vonnis van het Gerecht te bevestigen.
2. Te verklaren voor recht dat [de vrouw] de rechtmatige en enige eigenaar is van de opstal [adres] in Curaçao en de enige huurder van de daarbij behorende huurgrond; en te bepalen dat appellant binnen een door het Hof te bepalen termijn het thans onrechtmatig op zijn naam geschreven koopcontract op naam van [de vrouw] laat overschrijven.
3. Te bepalen dat [de man] het contract met Aqualectra onverwijld op naam
van [de vrouw] laat overschrijven, zodat zij haar zaken zelfstandig en volledig kan athandelen.
4. De vordering van [de man] tot eigendom en/of terugbetaling van schenkingen af te wijzen als zijnde zonder rechtsgrond.
5. [ de man] te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6. [ de man] te veroordelen tot vergoeding van de door [de vrouw] geleden
schade, zowel materieel als immaterieel, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
3.3.2
De in de memorie van antwoord opgenomen wijzigingen van eis zijn tijdig gedaan. De goede procesorde verzet zich niet tegen het toelaten daarvan. Voor de in de pleitnota in hoger beroep opgenomen wijzigingen van eis, voor zover deze afwijken van wat eerder als eis werd geformuleerd, ligt dat anders. Die zijn in een zo laat stadium van de procedure gedaan dat [de man] er niet op heeft kunnen reageren. Daardoor verzet de goede procesorde zich tegen toelating daarvan. Beoordeeld wordt daarom de eis zoals in eerste aanleg ingesteld en bij memorie van antwoord gewijzigd.
Terugbetaling van gemaakte kosten en ongeldig verklaren koopovereenkomst
3.4.
Overige aspecten daargelaten geldt dat door [de vrouw] niet is onderbouwd welke kosten door [de man] moeten worden terugbetaald en waarom. Dat onderdeel van haar (gewijzigde) eis is om die reden niet toewijsbaar.
De grieven van [de man]
3.5.1
Met zijn grieven 4 tot en met 15 komt [de man] op tegen het oordeel van het Gerecht dat [de vrouw] een sterker recht heeft op het gebruik van de opstal dan hij. Die grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
De inhoud van de eis van [de vrouw]
3.5.2
Het Gerecht heeft in de overwegingen 4.1 en 4.2 van het vonnis uiteengezet het beoordelingskader voor situaties van huurrechten van grond van een ander (meestal en hier: de overheid) en daarop gebouwde opstallen. Het heeft de vordering van [de vrouw] vervolgens aldus opgevat dat [de vrouw] vastgesteld wil zien dat zij een sterker recht op gebruik van de opstal op [adres] heeft dan [de man].
3.5.3 [
de man] stelt dat het Gerecht daarmee is afgeweken van de eis van [de vrouw], die inhield een verklaring voor recht dat de huurrechten en het gebruiksrecht van de opstal op [adres] aan haar zijn geschonken. Dit faalt reeds omdat in elk geval in hoger beroep voldoende duidelijk is dat [de vrouw] haar volgens haar sterkere recht vastgesteld wil zien. Het doet er dan niet meer toe of dat in eerste aanleg voldoende duidelijk was. Ten overvloede overweegt het Hof dat het zich verenigt met de uitleg die het Gerecht aan de vordering gegeven heeft. Gegeven het geschetste en door het Hof juist geachte beoordelingskader heeft het Gerecht de eis slechts ‘vertaald’ naar dat juridisch kader. Inhoudelijk is daarbij vervolgens beoordeeld of van (de door [de vrouw] gestelde, maar door [de man] betwiste) onvoorwaardelijke schenking sprake is geweest. Op die manier heeft het Gerecht de eis geen andere en met name geen ruimere inhoud gegeven dan daarin, voor [de man] kenbaar, besloten lag.
De feitelijke situatie
3.5.4 [
de vrouw] voert aan dat zij met de erfgenamen is overeengekomen dat de huurrechten en het gebruiksrecht van de opstal op [adres] tegen betaling door haar van NAf 36.000 aan haar zouden worden overgedragen op 25 november 2022. Daartoe had zij een (van derden geleend) bedrag van NAf 36.000 gestort onder haar advocaat. Deze beoogde overdracht van rechten is echter niet doorgegaan omdat de erven, eveneens op 25 november 2022, alsnog met [de man] hebben gecontracteerd, nu voor een bedrag van NAf 46.000.
3.5.5 [
de man] betwist het eerste (overeenkomst tussen [de vrouw] en de erfgenamen), maar erkent het tweede (zijn overeenkomst met de erfgenamen). Uit zijn stellingen volgt dat het tot uitvoering van die overeenkomst met hem nog steeds niet is gekomen.
3.5.6
Op dit moment zijn de erfgenamen dus nog rechthebbenden op de huurrechten en het gebruiksrecht van de opstal. Het kan zijn dat [de vrouw] feitelijk al gebruik maakt van het perceel (en dus de huurrechten) en de opstal (door daaraan werkzaamheden te verrichten en/of daarin te verblijven), maar dat doet hieraan niet af. Ook in haar eigen visie zijn die rechten nog niet overgedragen omdat de erfgenamen aan de overdracht, plotseling, niet meer wilden meewerken en het daardoor ook niet is gekomen tot betaling van de koopsom van NAf 36.000.
3.5.7
Dat neemt niet weg dat de rechter kan en mag vaststellen welke van de twee partijen in dit geding een sterker gebruiksrecht heeft dan de andere partij. Levering van de huurrechten en het gebruiksrecht van de opstal op [adres] aan een van partijen is daartoe niet nodig.
Inlichtingen en minnelijke regeling
3.5.8
Voordat daarover definitief wordt geoordeeld wil het Hof nadere inlichtingen van partijen ontvangen. Het wil de zaak en een mogelijke oplossing ook met hen bespreken. Om die reden zal een mondelinge behandeling worden bepaald.
3.5.9
Ten behoeve van die mondelinge behandeling wordt het volgende opgemerkt. Deze opmerkingen hebben een voorlopig karakter. Partijen kunnen daarop reageren tijdens die mondelinge behandeling. Op basis van wat dan besproken wordt zal, indien nodig, een definitief oordeel volgen.
3.5.10
Vooralsnog lijkt het erop dat partijen aanvankelijk samen optrokken bij hun pogingen om de huur- en gebruiksrechten op [adres] te verkrijgen en dat [de man] met het oog daarop een bedrag van NAf 36.000 onder notaris [notaris] heeft gestort. Ook lijkt het erop dat (bepaalde) erfgenamen aan het verkrijgen van die rechten wilden meewerken. Op zeker moment is de affectieve relatie tussen partijen geëindigd. Van belang is wat toen tussen hen is afgesproken over de huur- en gebruiksrechten en wat nu redelijk is tussen hen.
3.5.11
Het lijkt er ook op dat het feitelijk [de vrouw] is geweest die de opstal en het perceel in gebruik heeft genomen door het perceel te bewerken, de opstal te verbouwen/herstellen en op het perceel woonachtig te worden. Dat heeft zij deels gedaan met geld dat geleend was van [de man].
3.5.12
Tijdens de mondelinge behandeling wil het Hof onderzoeken of wat hiervoor (3.5.9 tot en met 3.5.11) werd overwogen juist is. Ook wil het in ieder geval de volgende vragen met partijen bespreken:
a. Heeft [de vrouw] geld geleend van [de man] (€ 25.000?).
b. Zo ja, welk bedrag was dit, is het (geheel of gedeeltelijk) terugbetaald en waarom heeft [de man] deze lening verstrekt?
c. Heeft [de man] zijn huidige gebruiksplannen voor [adres] voorafgaand aan het verbreken van de affectieve relatie tussen partijen kenbaar gemaakt aan [de vrouw]? Zo ja, waaruit blijkt dit?
d. Wie heeft [adres] nu het meest nodig?
e. Hoeveel heeft elk van partijen op dit moment geïnvesteerd in [adres]?
f. Welke positie nemen de erfgenamen op dit moment in?
Slotsom
3.6.
Het Hof bepaalt een mondelinge behandeling op de hieronder vermelde datum. Het doel is dat partijen inlichtingen verstrekken. Ook zal een minnelijke regeling beproefd worden. Partijen dienen in persoon te verschijnen, desgewenst vergezeld van hun gemachtigde (wat [de vrouw] betreft: als zij die alsnog zou inschakelen). In afwachting van de resultaten van de mondelinge behandeling wordt iedere verdere beslissing aangehouden.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bepaalt een mondelinge behandeling op
maandag 23 november 2026 om 13:30 uurin het Kas di Korte in Curaçao tot het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een schikking;
bepaalt dat partijen daarbij in persoon aanwezig dienen te zijn, desgewenst vergezeld van hun gemachtigden;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. W.P.M. ter Berg, G.C.C. Lewin en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 30 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.