AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vaststelling schadevergoeding total loss auto na verkeersongeval in Aruba
In deze zaak staat de vaststelling van de schadevergoeding voor een total loss verklaarde auto centraal na een verkeersongeval in Aruba op 10 oktober 2016. De auto van de benadeelde partij werd getaxeerd op een dagwaarde van Afl. 71.850 met een restwaarde van Afl. 23.000, en verkocht voor Afl. 26.000. De verzekeraar Citizens trad in de rechten van de benadeelde en vorderde vergoeding van de nieuwwaarde minus verkoopopbrengst.
Het Gerecht in eerste aanleg stelde de schade vast op Afl. 22.850, gebaseerd op een lagere dagwaarde dan de taxatie. Het hof vernietigde dit oordeel deels en stelde de schade vast op Afl. 45.850, uitgaande van de onbetwiste dagwaarde van Afl. 71.850 minus de verkoopopbrengst van Afl. 26.000. Het beroep van Citizens op vergoeding van de nieuwwaarde werd verworpen omdat de verzekeraar niet meer rechten kan uitoefenen dan de benadeelde zelf had.
Daarnaast verzocht de aansprakelijke partij om matiging van de schadevergoeding wegens persoonlijke omstandigheden. Het hof wees dit af vanwege de beperkte draagkracht en onverantwoordelijk gedrag, zoals het ontbreken van een verzekering en rijden zonder rijbewijs. Het hof veroordeelde de aansprakelijke partij tot betaling van Afl. 45.850 plus wettelijke rente en proceskosten.
Uitkomst: Het hof stelt de schadevergoeding vast op Afl. 45.850 plus wettelijke rente en wijst het beroep op matiging af.
Uitspraak
Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: AUA202202174 – AUA2024H00384
Uitspraak: 9 juni 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
NETHERLANDS ANTILLES & ARUBA ASSURANCE COMPANY (NA&A) N.V.,
h.o.d.n. Citizens Insurance,
gevestigd in Aruba,
in eerste aanleg eiseres,
thans appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
gemachtigde: mr. D.C.A. Crouch,
tegen
[GEÏNTIMEERDE],
wonend in Aruba,
in eerste aanleg gedaagde,
thans geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellante in het incidenteel hoger beroep,
gemachtigde: mr. S.A. Kock.
Partijen worden hierna Citizens en [geïntimeerde] genoemd.
1.De zaak in het kort
Dit geding heeft betrekking op de vraag op welk bedrag de schade moet worden vastgesteld van een bij een ongeval total loss verklaarde auto.
In eerste aanleg is deze schade begroot op de dagwaarde minus de verkoopopbrengst van het wrak. Het hof oordeelt dat juist, maar gaat uit van een andere dagwaarde dan het Gerecht en kent om die reden een hoger bedrag aan schadevergoeding toe. Het beroep van de aansprakelijke partij op matiging wordt door het Hof verworpen.
2.Het verloop van de procedure
1.1
Bij op 7 oktober 2024 ingekomen akte is Citizens in hoger beroep gekomen van het op 28 augustus 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) en het op 24 september 2024 gewezen herstelvonnis.
1.2
Bij op 14 oktober 2024 ingekomen memorie van grieven heeft Citizens zeven grieven tegen het vonnis en het herstelvonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis en het herstelvonnis zal vernietigen maar uitsluitend voor het toegewezen bedrag van
Afl. 22.850, in zoverre opnieuw recht zal doen en [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van primair Afl. 47.743,75 en subsidiair Afl. 45.850, vermeerderd met de proceskosten en nakosten met de wettelijke rente daarover.
1.3
Bij op 18 december 2024 ingekomen memorie van antwoord in het principaal hoger beroep heeft [geïntimeerde] de grieven van Citizens bestreden en geconcludeerd tot verwerping van het hoger beroep. In het door haar ingestelde incidenteel hoger beroep heeft zij een verzoek tot matiging gedaan.
1.4
Citizens heeft op 14 januari 2025 een memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep ingediend en daarin verzocht het beroep op matiging te verwerpen.
1.5
Op 9 december 2025 hebben beide partijen pleitnotities ingediend.
1.6
Vonnis is nader bepaald op vandaag.
3.De beoordeling
De feiten
3.2
Het geding bij het Gerecht ging over de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] voor de schade van [schadelijdende partij] (hierna: [schadelijdende partij]) en de hoogte van meerdere schadeposten. In het vonnis van het Gerecht is geoordeeld dat [geïntimeerde] verplicht is om de schade die [schadelijdende partij] heeft geleden te vergoeden. In hoger beroep is dat niet bestreden, maar zijn nog slechts twee kwesties aan de orde, namelijk hoe hoog de schade aan de auto van [schadelijdende partij] is en of de schadevordering van [schadelijdende partij] moet worden gematigd. Om die reden volstaat het Hof met het weergeven van de daarvoor van belang zijnde feiten.
3.2.1
Op 10 oktober 2016 vond een verkeersongeval plaats in Aruba. Daarbij waren drie auto’s betrokken, waaronder die van [geïntimeerde] en die van [schadelijdende partij].
3.2.2
De schade van [schadelijdende partij] is getaxeerd door een schade-expert ([schade-expert], hierna: [schade-expert]). Volgens de expert was de auto van [schadelijdende partij] total loss. De dagwaarde is door hem bepaald op Afl. 71.850. Daarop is door hem in mindering gebracht een bedrag van Afl. 23.000 als geschatte restwaarde van de auto. De schade is door hem vastgesteld op Afl. 48.850 (71.850 – 23.000).
3.2.3
De beschadigde auto van [schadelijdende partij] is verkocht voor Afl. 26.000.
3.2.4
De auto van [schadelijdende partij] was all risk verzekerd bij Citizens. Ingevolge de polisvoorwaarden had [schadelijdende partij] recht op een nieuwe auto. [schadelijdende partij] heeft een nieuwe auto gekocht bij een garage. Door Citizens is aan deze garage betaald Afl. 73.743,75 (kosten nieuwe auto). Volgens Citizens is de schade daarom dat bedrag minus de verkoopopbrengst van het beschadigde voertuig van Afl. 26.000, derhalve Afl. 47.743,75.
3.2.5
Citizens is getreden in de rechten van [schadelijdende partij] jegens [geïntimeerde].
De vordering van Citizens en de beslissing van het Gerecht
3.3.1
Citizens heeft, voor zover nog van belang, gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld aan haar te betalen als autoschade het hiervoor genoemde bedrag van Afl. 47.743,75.
3.3.2
Het Gerecht heeft, in het vonnis van 28 augustus 2024, de dagwaarde van de auto van [schadelijdende partij] bepaald op Afl. 48.850. Daarop is in mindering gebracht de verkoopopbrengst van het beschadigde motorvoertuig van Afl. 26.000. De schade is bepaald op Afl. 22.850 (48.850 – 26.000). Voor meer is geen grond aanwezig geoordeeld omdat [schadelijdende partij] jegens [geïntimeerde] niet voor meer aansprakelijk is.
3.3.3
In het herstelvonnis van 24 september 2024 is de vordering tot herstel van het eerdere vonnis afgewezen.
Vergoeding op basis van nieuwwaarde
3.4.1
In haar grieven 1 en 5 stelt Citizens dat als uitgangspunt bij de vaststelling van de schade moet worden genomen het gegeven dat [schadelijdende partij] op basis van de polisvoorwaarden recht had op een nieuwe auto. Die nieuwe auto heeft
Afl. 73.743,75 gekost. Het Gerecht had daarom van dat bedrag moeten uitgaan bij de vaststelling van de schade. Daarop kon in mindering strekken de verkoopopbrengst van Afl. 26.000, zodat Afl 47.743,75 als schadevergoeding resteerde.
3.4.2
Deze grieven slagen niet. [geïntimeerde] was jegens [schadelijdende partij] gehouden tot vergoeding van de waarde van het motorvoertuig op de dag van het ongeval (zie de Arubaanse zaak HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:208, 3.3.4). Die waarde is door de deskundige, onbetwist, vastgesteld op Afl. 71.850. Dat Citizens ingevolge haar polisvoorwaarden tot uitkering van een hoger bedrag gehouden was doet hieraan niet af. Citizens kan immers als in de rechten van [geïntimeerde] gesubrogeerde partij (artikel 7:962 lid 1 BWPro) niet meer rechten uitoefenen jegens [geïntimeerde] dan [schadelijdende partij] jegens [geïntimeerde] had.
De berekening van de schade
3.5.1
In de overige grieven komt Citizens op tegen het oordeel van het Gerecht dat de dagwaarde van de auto van [schadelijdende partij] Afl. 48.850 was.
3.5.2
Het Gerecht heeft zich bij de bepaling van die dagwaarde gebaseerd op het taxatierapport van [schade-expert]. In dat taxatierapport is de dagwaarde echter niet, zoals het Gerecht oordeelt, op Afl. 48.850 begroot, maar op Afl. 71.850. Citizens noch [geïntimeerde] heeft die dagwaarde betwist. Het Hof neemt deze daarom tot uitgangspunt.
3.5.3
Op die dagwaarde moet, dat is niet in geschil, in mindering gebracht worden de werkelijke verkoopopbrengst van het beschadigde voertuig van Afl. 26.000. Dan resteert als vast te stellen schadevergoeding Afl. 45.850. De overige grieven van Citizens slagen in zoverre.
Het herstelvonnis
3.6.1
Volgens Citizens had het Gerecht het verzoek van Citizens tot herstel van het vonnis van 28 augustus 2024 moeten toewijzen omdat daarin sprake is van een kennelijke fout: de deskundige heeft de dagwaarde van de auto bepaald op
Afl. 71.850 en niet, zoals in het vonnis staat, op Afl. 48.850.
3.6.2
Ingevolge artikel 66 lid 4 RvPro staat tegen de weigering een vonnis te herstellen geen hoger beroep open. Gronden voor doorbreking van dit appelverbod zijn gesteld noch gebleken. In haar hoger beroep tegen het herstelvonnis wordt Citizens niet-ontvankelijk verklaard.
De matiging van het schadebedrag
3.7.1
In haar incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde] verzocht het schadebedrag te matigen omdat zij geen baan heeft, moeder is van twee minderjarige kinderen waarvoor de vader geen alimentatie betaalt, zij inwonend is bij haar ouders en slechts beperkt onderstand ontvangt.
3.7.2
Ingevolge artikel 6:109 BWPro kan de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding matigen indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden.
3.7.3
Uitgaande van de juistheid van wat [geïntimeerde] stelt kan worden vastgesteld dat haar draagkracht beperkt is. Dat betekent echter nog niet dat het onaanvaardbaar is dat zij veroordeeld wordt tot volledige schadevergoeding. Daarbij komt dat [geïntimeerde] zich onverantwoordelijk heeft gedragen door haar auto niet te verzekeren, hoewel dat wettelijk verplicht is, en door zonder rijbewijs en te hard te rijden. Het beroep op matiging wordt verworpen.
Slotsom
3.8.1
De grieven in het principaal hoger beroep slagen gedeeltelijk. Het incidenteel hoger beroep slaagt niet. Het vonnis van 28 augustus 2024 wordt deels vernietigd. In het hoger beroep tegen het herstelvonnis wordt Citizens niet-ontvankelijk verklaard.
3.8.2
Als grotendeels in het ongelijk gestelde partij wordt [geïntimeerde] veroordeeld in de proceskosten van Citizens in het principaal en het incidenteel hoger beroep. Die kosten bedragen:
principaal hoger beroep:
- Afl. 1.707 aan verschotten (Afl. 207 betekening akte van hoger beroep en memorie van grieven en Afl. 1.500 griffierecht)
- Afl. 3.750 aan salaris gemachtigde (2,5 punten tarief 4 à Afl. 1.500 per punt);
incidenteel hoger beroep:
- Afl. 750 aan salaris gemachtigde (1 punt à 0,5 x tarief 4 à Afl. 1.500 per punt).
B E S L I S S I N G
Het Hof:
verklaart Citizens niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen het herstelvonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 24 september 2024;
vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 28 augustus 2024, maar uitsluitend voor zover daarbij, in de hoofdzaak, in het dictum is bepaald:
veroordeelt [geïntimeerde] om aan Citizens te betalen Afl. 26.077,86, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2017 tot de dag van voldoening;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [geïntimeerde] om aan Citizens te betalen Afl. 45.850, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2017 tot de dag van voldoening;
bevestigt het vonnis van 28 augustus 2024 voor het overige;
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten aan de zijde van Citizens gevallen en begroot die kosten
- in het principaal hoger beroep op Afl. 1.707 aan verschotten en Afl. 3.750 aan salaris gemachtigde,
- in het incidenteel hoger beroep op Afl. 750 aan salaris gemachtigde,
deze bedragen vermeerderd met de nakosten conform liquidatietarief en met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na dit vonnis;
verklaart dit vonnis ten aanzien van de uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, W.P.M. ter Berg en H.E. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 9 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.