Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGHACMB:2026:145

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
AUA2025H00282
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:157 BWTitel 17 Boek 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep alimentatie en vakantieregeling na echtscheiding ouders minderjarige kinderen

Partijen zijn gescheiden en hebben twee minderjarige kinderen die bij de vrouw wonen. De vrouw vordert in hoger beroep een hogere partner- en kinderalimentatie en een vakantieregeling. Het Gerecht in eerste aanleg had lagere alimentatiebedragen vastgesteld en de vakantieregeling bepaald.

Het Hof stelt vast dat de vrouw vanwege haar medische situatie niet kan werken en daardoor een grotere behoefte aan partneralimentatie heeft. De man heeft een lagere draagkracht dan eerder aangenomen, mede door een daling van zijn omzet en verkoop van onroerend goed. De vrouw heeft de feiten onvoldoende betwist.

Het Hof bepaalt de kinderalimentatie voor de oudste op Afl. 860 en voor de jongste op Afl. 650, en de partneralimentatie op Afl. 490 per maand, ingaand 1 juli 2026. De vakantieregeling wordt niet vastgesteld omdat het niet in het belang van de kinderen is; de man lijkt zich neer te leggen bij het feit dat de kinderen geen omgang willen. De beschikking wordt vernietigd en opnieuw beslist zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het Hof vernietigt de eerdere beschikking en stelt nieuwe alimentatiebedragen vast, wijst de vakantieregeling af.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: AUA202404111 – AUA2025H00282
Uitspraak: 9 juni 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak van:
[DE VROUW],
wonende in Aruba,
in eerste aanleg verzoekster, thans appellante,
gemachtigde: mr. N.S. Gravenstijn,
tegen
[DE MAN],
wonende in Aruba,
in eerste aanleg verweerder, thans geïntimeerde,
procederende in persoon.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige kinderen:
[kind 1],geboren op [datum] en
[kind 2],geboren op [datum].
Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.
De kinderen worden [kind 1] en [kind 2] genoemd.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Bij op 11 november 2025 ingekomen beroepschrift, met producties, is de vrouw in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gegeven en op 29 september 2025 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba. Hierbij heeft de vrouw vier grieven tegen de beschikking aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof de beschikking zal vernietigen en haar alimentatieverzoeken alsnog geheel zal toewijzen en een vakantieregeling zal vaststellen, kosten rechtens.
1.2
De man heeft verweer gevoerd bij op 25 maart 2026 per e-mail ingekomen verweerschrift, met producties.
1.3
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad op 30 maart 2026. Vooraf heeft de voorzitter in aanwezigheid van de griffier eerst [kind 1] en vervolgens [kind 2] gesproken. Bij de mondelinge behandeling is de vrouw verschenen met haar gemachtigde. Ook de man is verschenen. Namens de Voogdijraad was G. Hoogvliets aanwezig gedurende het deel van de behandeling waarin de vakantieregeling aan de orde was. De gemachtigde van de vrouw heeft producties in het geding gebracht die vooraf waren toegezonden. Zij heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, waarvan exemplaren zijn overgelegd. De man heeft geen gebruik gemaakt van pleitaantekeningen. Alle aanwezigen hebben het woord gevoerd.
1.4
Beschikking is bepaald op vandaag.

2.De beoordeling

Feiten
2.1
In [jaartal] zijn partijen met elkaar getrouwd. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren. De oudste is inmiddels meerderjarig; [kind 1] en [kind 2] zijn nog minderjarig. [kind 1] en [kind 2] wonen bij de vrouw; de man woont elders.
Verzoeken
2.2
In dit geding heeft de vrouw echtscheiding verzocht en nevenverzoeken gedaan. Onder meer heeft zij verzocht om partneralimentatie van Afl. 2.000 per maand, kinderalimentatie voor [kind 1] van Afl. 860 per maand en kinderalimentatie voor [kind 2] van Afl. 825 per maand.
2.3
Verder hebben partijen het Gerecht verzocht een vakantieregeling vast te stellen, die regelt wanneer en hoe de man omgang met [kind 1] en [kind 2] zal hebben gedurende de schoolvakanties.
Beslissingen van het Gerecht
2.4
Bij beschikking van 31 maart 2025 heeft het Gerecht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en verdere beslissingen gegeven. Over de alimentatieverzoeken heeft het Gerecht iedere beslissing aangehouden.
2.5
Bij de bestreden beschikking van 29 september 2025 heeft het Gerecht de partneralimentatie bepaald op Afl. 261, de kinderalimentatie voor [kind 1] op Afl. 860 per maand en de kinderalimentatie voor [kind 2] op Afl. 525 per maand.
2.6
Aan deze beslissingen heeft het Gerecht de volgende overwegingen ten grondslag gelegd, verkort weergegeven. De behoefte van [kind 2] wordt vastgesteld op Afl. 525 per maand en die van [kind 1] op Afl. 912 per maand (2.9). De vaste lasten van de vrouw overtreffen haar inkomen met Afl. 261 per maand (2.16). De man heeft een draagkracht van Afl. 2.373 per maand (2.21). Het Gerecht heeft de partneralimentatie bepaald op het bedrag waarmee de vaste lasten van de vrouw haar inkomen overtreffen, de kinderalimentatie voor [kind 1] op het verzochte bedrag en de kinderalimentatie voor [kind 2] op het bedrag van haar behoefte.
2.7
Verder heeft het Gerecht bij de bestreden beschikking als vakantieregeling vastgesteld dat de man gedurende de schoolvakanties, voor zover het werk dat toelaat, rond twee of drie uur in de middag [kind 1] en [kind 2] zal ophalen om activiteiten met hen te ondernemen.
2.8
Deze beslissing heeft het Gerecht gemotiveerd met de overweging dat de man deze regeling heeft voorgesteld en dat de vrouw niet op dat voorstel heeft gereageerd (2.24).
Beoordeling door het Hof
Alimentatie
2.9
Voor de vaststelling van partner- en kinderalimentatie gelden wettelijke maatstaven (met name art. 1:157 BW Pro en titel 17 Boek 1 BW). Aan die wettelijke maatstaven is het Hof gebonden. Het Hof is niet gebonden aan richtlijnen die door de Gerechten worden vastgesteld, maar kan die wel tot richtsnoer nemen, met name als beide partijen zich aan die richtlijnen conformeren.
2.1
Enerzijds acht het Hof het voldoende aannemelijk dat de vrouw thans niet in staat is loonvormende arbeid te verrichten, gelet op haar medische gesteldheid en pijnklachten. De man heeft aangevoerd dat dit eerder anders was, maar niet of onvoldoende betwist dat de situatie nu zo is. Dit betekent dat de vrouw een grotere behoefte aan partneralimentatie heeft dan Afl. 261 per maand.
2.11
Het Hof wil ook wel aannemen dat [kind 2] in beginsel een grotere behoefte heeft dan Afl. 525 per maand. Zij is elf jaar oud en gaat volgend jaar naar de middelbare school.
2.12
Anderzijds heeft de man overtuigend aangetoond dat zijn draagkracht lager is dan het door het Gerecht aangenomen bedrag van Afl. 2.373 per maand.
2.12.1
Het Gerecht heeft dat bedrag als volgt berekend:
Te besteden per maand in 2023
volgens [adviesbureau] (afgerond) 3.773
Behoefte eigen levensonderhoud 1.400
------- -
2.373
Bij de berekening van het bedrag van Afl. 3.773 is [adviesbureau] onder meer uitgegaan van een omzet van [bedrijf] in 2023 van Afl. 110.318 en een opbrengst uit onroerend goed in 2023 van Afl. 54.403, een en ander overeenkomstig de belastingaangifte van de man over 2023.
2.12.2
Bij het verweerschrift in hoger beroep heeft de man een belastingaangifte over 2024 overgelegd waarin een bruto-omzet van Afl. 69.306 wordt genoemd (in 2023 Afl. 110.318) en een opbrengst uit onroerend goed van Afl. 60.312 (in 2023 Afl. 54.403). De man heeft aangevoerd dat 2023 een topjaar was voor zijn onderneming (een [aard onderneming]) en 2024 een gemiddeld jaar. Verder heeft hij aangevoerd dat hij de appartementen na 2024 heeft verkocht en dat hij daar dus geen huurinkomsten meer uit geniet. Hij heeft daarnaast een stuk grond verkocht. Zo heeft hij bewerkstelligd dat zowel het huis waarin de vrouw met [kind 1] en [kind 2] woont, als het huis waarin de man woont, hypotheekvrij zijn geworden. De inkomsten uit de eenmanszaak van zijn nieuwe partner zijn onvoldoende om een netto maandloon van Afl. 3.000 aan de man te betalen. Zijn nieuwe partner is een belastingschuld aan het opbouwen, aldus de man.
2.12.3
De vrouw heeft de feitelijke omstandigheden waarop de man zich beroept in het verweerschrift niet of onvoldoende gemotiveerd betwist.
2.13
Bij het afwegen van alle omstandigheden komt het Hof tot de volgende bedragen:
Kinderalimentatie voor [kind 1] Afl. 860
Kinderalimentatie voor [kind 2] Afl. 650
Partneralimentatie Afl. 490
------------ +
Totaal Afl. 2.000
De man moet geacht worden deze bedragen te kunnen dragen; de vrouw moet geacht worden met deze bedragen te kunnen voorzien in de kosten van haar levensonderhoud en in de kosten van de opvoeding en verzorging van de kinderen, ook al zal dat niet meer kunnen gebeuren op de wijze waarop het gebeurde toen partijen nog getrouwd waren. Het Hof acht deze bedragen in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
2.14
Alimentatie pleegt van maand tot maand te worden opgebracht en uitgegeven. Daarom zal het Hof de partner- en kinderalimentatie tot en met 30 juni 2026 bepalen op het totaalbedrag dat de man heeft betaald of dat op hem is verhaald. De nieuwe bedragen gaan dus in op 1 juli 2026.
Vakantieregeling
2.15
Het Hof acht het niet in het belang van [kind 1] en [kind 2] dat nu een vakantieregeling wordt vastgesteld. Het Hof zal dat daarom niet doen. Bij de mondelinge behandeling leek de man zich erbij neer te leggen dat de kinderen op dit moment geen omgang met hem willen hebben.
Slotsom
2.16
Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk. De beschikking waarvan beroep dient te worden vernietigd. Alsnog dient te worden beslist als in het dictum te vermelden. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] op Afl. 860,- per maand, met ingang van 1 juli 2026 bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] op Afl. 650,- per maand, met ingang van 1 juli 2026 bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
kent aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud ten laste van de man toe van Afl. 490,- per maand, met ingang van 1 juli 2026 bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] en de door hem te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw over de periode vanaf 1 oktober 2025 tot en met 30 juni 2026 op hetgeen de man daarvoor heeft betaald of daarvoor op hem is verhaald;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C.C. Lewin, E.M. van der Bunt en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 9 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.