Deze zaak betreft de afwikkeling van een huurovereenkomst over een perceel land in Sint Maarten. Het Gerecht in eerste aanleg had geoordeeld dat de huurders het perceel moesten ontruimen en achterstallige huur en schadevergoeding moesten betalen. Het Hof bevestigt de ontruiming en de toekenning van schadevergoeding, maar wijst de huurvordering af vanwege verjaring.
De huurovereenkomst was oorspronkelijk gesloten in 1997 en verlengd in 2002, met een nieuwe overeenkomst in 2007 voor tien jaar. De huurprijs was jaarlijks met 15% verhoogd. De verhuurder had het perceel in erfpacht van het Land Sint Maarten. De huurders betwistten onder meer de identiteit van de verhuurder, de toepasselijkheid van de huurprijsverhoging, en stelden dat de huurvordering verjaard was.
Het Hof oordeelde dat de huurovereenkomst rechtsgeldig was en dat de verhuurder gerechtigd was tot incasso. De huurprijsverhoging was duidelijk en niet onredelijk. De brief van december 2016, die de huurders niet ontvingen, kon niet als stuiting van verjaring worden aangemerkt. Daarom was de huurvordering verjaard. De gebruiksvergoeding na afloop van de huurovereenkomst werd wel toegewezen. De vordering tot schadevergoeding wegens voortijdige opzegging werd afgewezen omdat de huurovereenkomst rechtsgeldig was geëindigd. De proceskosten werden grotendeels aan de huurders opgelegd.