Deze zaak betreft de verdeling van twee onroerende zaken in Sint Maarten die deel uitmaken van de onverdeelde nalatenschappen van twee overleden erfgenamen. De appellanten, erfgenamen en curator, vorderden een verdeling van deze percelen op de door hen voorgestelde wijze.
In eerste aanleg wees het Gerecht de vorderingen toe, maar het Hof vernietigt dit vonnis vanwege een onjuiste omschrijving van de percelen. Het Hof wijst de vorderingen vervolgens toe met een verbeterde omschrijving.
De geïntimeerde, mede-gerechtigde tot de nalatenschap, werkte niet mee aan de verdeling ondanks meerdere verzoeken. Het Hof oordeelt dat de appellanten een gerechtvaardigd belang hebben bij hun vordering en dat de verdeling niet in strijd is met het algemeen belang. De verdeling wordt vastgesteld waarbij het ene perceel gezamenlijk aan de appellanten wordt toegewezen en het andere perceel wordt verdeeld in noordelijke en zuidelijke helft tussen geïntimeerde en een appellant.
De proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. Het vonnis van het Gerecht wordt vernietigd en vervangen door dit arrest.