ECLI:NL:OGHACMB:2025:340

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
H-88/24
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SvArt. 3 lid 1 Opiumlandsverordening 1960Art. 11 lid 1 Opiumlandsverordening 1960Art. 1:123 SrArt. 1:124 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplichtigheid uitvoer harddrugs vanuit Curaçao tot 5 jaar gevangenisstraf

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft op 18 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen verdachte die werd verdacht van medeplichtigheid aan medeplegen van uitvoer van harddrugs uit Curaçao.

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot 9 jaar gevangenisstraf, maar stelde hoger beroep in. Het Hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk voor het deel gericht tegen een beschermde vrijspraak en vernietigde het vonnis voor het overige. Na inhoudelijke beoordeling sprak het Hof verdachte vrij van een voorbereidingsfeit wegens onvoldoende bewijs, maar achtte hem wettig en overtuigend schuldig aan medeplichtigheid aan uitvoer van circa 140, 172 en 819 kilo cocaïne in drie afzonderlijke transporten.

De bewijsvoering bestond uit verklaringen van een medeverdachte, camerabeelden, telefoon- en SKY ECC-berichten, en andere objectieve gegevens. Het Hof oordeelde dat de verdachte als beveiligingsmedewerker van de haven de toegangspoort opende voor voertuigen met drugs, in strijd met het protocol, en daarmee een cruciale ondersteunende rol vervulde. De straf werd vastgesteld op vijf jaar gevangenisstraf, rekening houdend met de ernst van de feiten en persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf voor medeplichtigheid aan medeplegen van uitvoer van circa 1131 kilo cocaïne vanuit Curaçao.

Uitspraak

Zaaknummer: H-88/24

Parketnummers: 500.00327/23 en 500.00119/23
Uitspraak: 18 december 2025 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 7 juni 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteland],
thans [verblijfplaats] gedetineerd.
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis van het onder 3 van parketnummer 500.00327/23 (
zaaksdossier Crow ZD-03) ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair, 2 primair van parketnummer 500.00327/23 (
zaaksdossier Sparrow) en het onder 1 primair en 2 van parketnummer 500.00119/23 (
zaaksdossiers Anker en Crow ZD-01) ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van voorarrest.
(Alleen) de verdachte heeft hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Nu de verdachte onbeperkt hoger beroep heeft ingesteld, is het appel mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van het onder 3 van parketnummer 500.00327/23 ten laste gelegde. Deze vrijspraak betreft een beschermde vrijspraak waartegen voor de verdachte geen hoger beroep open staat. Het Hof zal de verdachte derhalve niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gerichte vrijspraak.
Omvang van het hoger beroep
Nu alleen de verdachte hoger beroep heeft ingesteld, is het vonnis waarvan beroep aldus slechts aan inhoudelijke beoordeling in hoger beroep onderworpen voor zover het betrekking heeft op de beslissingen ten aanzien van het onder 1 primair, 2 primair van parketnummer 500.00327/23 en het onder 1 primair en 2 van parketnummer 500.00119/23 ten laste gelegde.
Al wat hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het inhoudelijk oordeel van het Hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,
mr. S. Verheijen, en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. A.S.M. Blonk, naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsvrouw heeft ter zake van feit 2 van de tenlastelegging met parketnummer 500.00119/23 (
zaaksdossier Crow ZD-01) de nietigheid van de dagvaarding bepleit. Voorts heeft zij de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte bepleit. Subsidiair heeft zij algehele vrijspraak bepleit en meer subsidiair heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het Hof (deels) tot andere beslissingen komt.
Geldigheid van de inleidende dagvaarding
De raadsvrouw heeft net als in eerste aanleg bepleit dat de inleidende dagvaarding ten aanzien van het in zaaksdossier Crow ZD-01 (tenlastelegging met parketnummer 500.00119/23) ten laste gelegde nietig zal worden verklaard. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de tenlastelegging niet voldoet aan de eisen, gesteld in artikel 285, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het is onduidelijk welke handelingen worden bedoeld en wanneer deze zouden moeten hebben plaatsgevonden. Evenmin is duidelijk welk transport zou worden voorbereid. Dit maakt de tenlastelegging onvoldoende duidelijk en onbegrijpelijk en is het voor de verdachte onmogelijk zich daartegen te verweren.
Het Hof is van oordeel dat dit verweer niet kan slagen en overweegt daartoe als volgt.
Artikel 285 Sv Pro vereist dat de opgave van het feit dusdanig moet zijn dat de verdachte daaruit redelijkerwijs kan begrijpen waarvan hij wordt verdacht. Hierbij moet ook worden vermeld omstreeks welke tijd en waar het feit begaan zou zijn.
Uit vaste rechtspraak blijkt dat dit vereiste moet worden bezien in de context van het onderliggende strafdossier. Van belang is derhalve dat er bij de verdachte bij kennisneming van de feiten en omstandigheden uit het strafdossier redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten. Hierbij dient ten aanzien van voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumlandsverordening te worden opgemerkt dat niet vereist is dat reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf deze handelingen dienen.
Het Hof is van oordeel dat in de tenlastelegging, tegen de achtergrond van de inhoud van het dossier, voldoende specifiek is beschreven tegen welke voorbereidingshandelingen de verdachte zich moet verdedigen. Het dossier bevat onder andere getapte telefoongesprekken van medeverdachten, maar ook enkele waaraan de verdachte aan heeft deelgenomen. Deze gesprekken zijn in een bepaald tijdsbestek te plaatsen en de inhoud daarvan kan in verband worden gebracht met enkele feitelijke opsommingen (de ‘streepjes’ op pagina 8 van de vordering wijziging tenlastelegging) van voorbereidingshandelingen in de tenlastelegging, zoals het uitwisselen van informatie en het als beveiligingsmedewerker openen van de toegangspoort van de haven van Curaçao.
De inhoud van deze gesprekken, maar ook van andere bewijsmiddelen, zoals mastgegevens van telefoonlocaties, is ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep aan de verdachte voorgehouden en met hem besproken, waarbij de verdachte er geen blijk van heeft gegeven (bepaalde onderdelen van) de tenlastelegging niet te begrijpen. Ook blijkens de pleitnotities van de verdediging heeft de verdachte begrepen waartegen hij zich moest verdedigen en heeft hij zich bij monde van zijn raadsvrouw ook inhoudelijk daartegen verdedigd.
Nu de tenlastelegging ook overigens voldoet aan de daaraan in de wet gestelde vereisten, wordt het verweer verworpen.
Normschendingsverweren mede strekkend tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, dan wel dat bepaalde bevindingen dienen te worden uitgesloten van het bewijs.
Samengevat en zakelijk weergegeven, heeft de raadsvrouw in dat verband naar voren gebracht dat er gesprekken missen in het dossier en dat gesprekken verkeerd zijn weergegeven en verkeerd zijn vertaald. Dit dient tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te leiden, subsidiair tot bewijsuitsluiting. Ook het gegeven dat verbalisanten eigen conclusies en gissingen met betrekking tot hun waarneming van de camerabeelden/screenshots relateren moet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie leiden. Subsidiair zijn deze waarnemingen gelet op de kwaliteit van de camerabeelden/screenshots onmogelijk, wat tot bewijsuitsluiting dient te leiden.
Standpunt procureur-generaal
De procureur-generaal heeft zich in het requisitoir op het standpunt gesteld dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte en heeft in dat verband naar voren gebracht zich te kunnen vinden in de overwegingen van het Gerecht ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Oordeel Hof
Foutieve vertalingen
De verdediging van enkele medeverdachten heeft (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep) meerdere voorbeelden gegeven van vertalingen van berichten die naar haar oordeel onjuist zijn. De raadsvrouw van de verdachte heeft zich daarbij aangesloten. De officier van justitie heeft daarop in eerste aanleg gereageerd, door de berichten nader te laten onderzoeken. Daaruit is naar voren gekomen dat bepaalde berichten (deels) anders konden of dienden te luiden. Het Hof gaat bij de bewijswaardering van deze berichten ook van deze nieuwe vertalingen uit. Of dit (steeds) een normschending oplevert, is naar het oordeel van het Hof niet in algemene zin te zeggen. Vertalingen vinden vaak immers plaats in een bepaalde context. Tekstberichten zoals hier aan de orde bevatten daarbij doorgaans maar zelden grammaticaal correcte en volledige zinnen, iets waarmee een vertaler rekening dient te houden. Ook kunnen tekstberichten taalfouten bevatten waardoor een letterlijke vertaling een onlogische inhoud op kan leveren. Enige interpretatie of een bepaalde ‘vertaalslag’ door een tolk kan met andere woorden soms passend zijn. Daarbij is het in dit geval ook nog zo dat veel berichten die zijn vertaald, taal bevatten met afkortingen, zogenoemde straattaal en/of zogenoemd versluierd taalgebruik. Tekstberichten zoals hier aan de orde laten zich kortom niet steeds gemakkelijk (letterlijk) vertalen. De door de politie ingezette beëdigde tolken hebben vertalingen gegeven en na nader onderzoek naar aanleiding van verweren van de verdediging (van medeverdachten) zijn er vertalingen bijgekomen.
Dat sprake is geweest van het doelbewust onjuist (doen) vertalen van berichten en/of het doelbewust opmaken van onjuiste processen-verbaal dienaangaande, is het Hof niet gebleken. Hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht, maakt dit niet anders.
Het Hof ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht en gelet op het voorgaande geen grond om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.
Nu de (gestelde) normschendingen inzake de vertalingen na het nader onderzoek (voor zover nodig
)zijn hersteld, ziet het Hof ook geen aanleiding voor bewijsuitsluiting. Bij de waardering van deze berichten voor het bewijs, zal het Hof behoedzaam met de berichten omgaan en voor zover nodig motiveren waarom bepaalde berichten naar zijn oordeel voor het bewijs kunnen worden gebezigd.
Weergave gesprekken
Ten aanzien van de inhoud van de (crypto)communicatie stelt het Hof voorop dat het daarmee bij de beoordeling van de tenlastelegging behoedzaam is omgegaan, gelet op de aard en inhoud van de communicatie, de onvolledigheid van (delen van) die communicatie en mogelijke (op onderdelen) met vertaling gepaard gaande ruis. De aanzienlijke hoeveelheid aan berichten die door de medeverdachten zijn verzonden kennen echter een chronologisch verloop dat goed te volgen is, waarbij ook foto’s zijn verzonden van blokken met logo’s, dozen (met opschrift), sporttassen, gesealde pakketten, containers en containerzegels en waarbij – vanwege de hoeveelheid berichten – de duiding van een eenzijdig bericht (telkens) steun vindt in opvolgende berichten. Het Hof ziet ook ter zake dit verweer geen grond om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging dan wel de processen-verbaal betreffende de (crypto)communicatie van het bewijs uit te sluiten.
Camerabeelden
Het Hof heeft met de verdediging geconstateerd dat sommige processen-verbaal conclusies bevatten of stelligheden die niet direct zijn te relateren aan bevindingen – waaronder (screenshots van) camerabeelden - die in de betreffende processen-verbaal zijn opgenomen. Dat is storend en kan afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van de betreffende processen-verbaal, iets waar de politie en, in zijn toezicht daarop, de officier van justitie, alert op dienen te zijn.
Het Hof heeft geconstateerd dat in meerdere processen-verbaal wordt verwezen naar andere processen-verbaal, waarin minder stellig wordt gerelateerd over bepaalde bevindingen omtrent (screenshots van) camerabeelden en geen conclusies zijn opgenomen. In zoverre bevat het dossier dus (ook) een meer genuanceerde inhoud van hetgeen het onderzoek heeft opgeleverd. Het Hof zal geen gebruik maken van (gedeelten van) processen-verbaal voor zover daarin conclusies of meningen zijn opgenomen, ze worden (in ieder geval op die onderdelen) uitgesloten van het bewijs.
Voor bewijsuitsluiting van de (screenshots van de) camerabeelden omwille van de kwaliteit ziet het Hof geen aanleiding nu de voor het bewijs gebruikte (screenshots van) camerabeelden naar het oordeel van het Hof van voldoende kwaliteit zijn om de in de processen-verbaal beschreven waarnemingen te kunnen doen.
De verweren worden verworpen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de op de terechtzitting in eerste aanleg van 8 maart 2024 op vordering van de officier van justitie toegestane wijzigingen tenlastelegging in de zaken met parketnummers 500.00327/23 en 500.00119/23. Van die vorderingen wijziging tenlastelegging is als bijlage I een kopie aan dit vonnis gehecht. De daarin vermelde tenlasteleggingen gelden als hier overgenomen.
De verdenking komt er – kort en zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog aan de orde – op neer dat de verdachte:
Feiten 1 en 2 500.00327/23
zich in de periode van 1 november 2020 tot en met 18 januari 2021 in Curaçao als medepleger of medeplichtige (opzettelijk) schuldig heeft gemaakt aan de uitvoer uit Curaçao van ongeveer 140 en 172 kilo cocaïne (twee transporten), dan wel daartoe met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd (
zaaksdossier Sparrow);
Feit 1 500.00119/23
zich in de periode van 1 augustus 2022 tot en met 2 september 2022 in Curaçao als medepleger of medeplichtige (opzettelijk) schuldig heeft gemaakt aan de uitvoer uit Curaçao van ongeveer 819 kilo cocaïne, dan wel daartoe met anderen (of als medeplichtige) voorbereidingshandelingen heeft gepleegd
(zaaksdossier Anker);
Feit 2 500.00119/23
in de periode van 21 juli 2021 tot en met 30 juli 2021 in Curaçao met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor de (opzettelijke) uitvoer uit Curaçao van verdovende middelen (
zaaksdossier Crow ZD-01).
Vrijspraak van feit 2 (500.00119/23; zaaksdossier Crow ZD-01)
Dit dossier bevat de resultaten van een onderzoek naar aanwijzingen voor voorbereidingshandelingen van een drugstransport (uitvoer) vanuit de haven van Curaçao omstreeks de maand juli 2021.
Standpunt procureur-generaal
De procureur-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat voornoemde beslissing en overweging daartoe van het Gerecht dient te worden bevestigd.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bij pleidooi vrijspraak bepleit vanwege gebrek aan concreet wettig en overtuigend bewijs.
Oordeel Hof
Het verwijt aan de verdachte betreft een incident dat heeft plaatsgehad eind juli 2021 waarbij [medeverdachte 1] cocaïne, verpakt in twee sporttassen, (naar zijn zeggen met een ‘contactpersoon’) in een container heeft geplaatst. De cocaïne bleek in een verkeerde container te zijn geplaatst en [medeverdachte 1] heeft ze de volgende dag er weer uitgehaald. Naar zijn zeggen heeft hij de cocaïne toen terug gegeven aan zijn contactpersoon. [medeverdachte 1] is voor betrokkenheid bij dit feit onherroepelijk veroordeeld.
De resultaten van dit onderzoek bestaan, samengevat en zakelijk weergegeven, uit de inhoud van getapte telefoongesprekken, telefoonlocaties aan de hand van mastgegevens en de verklaringen van [medeverdachte 1].
Het Hof is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte dit vermeende drugstransport met anderen zou hebben voorbereid of daartoe medeplichtig is geweest, ook niet indien de resultaten in onderling verband en samenhang worden beschouwd.
De verklaringen van [medeverdachte 1] ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte bij (het mogelijk maken van) het plaatsen van de drugs in een container in de haven, acht het Hof onvoldoende duidelijk en overtuigend om de betrokkenheid van de verdachte hierbij vast te kunnen stellen. Ook op grond van andere bevindingen, kan het Hof die betrokkenheid niet in voldoende mate vaststellen.
De verdachte zal derhalve ter zake dit feit worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het Hof acht – op grond van de inhoud van de (in het geval van cassatie) in een bijlage II bij dit vonnis op te nemen bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1 subsidiair 500.00327/23; zaaksdossier Sparrow
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en een of meerdere andere
(onbekend gebleven
)personen in de periode van 2 november 2020 tot en met 18 november 2020 te Curaçao, tezamen en in vereniging, opzettelijk hebben uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van Pro de Opiumlandsverordening 1960 een hoeveelheid van ongeveer 140.000 gram van een materiaal bevattende cocaïne,
zijndeeen middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening Pro 1960,
bijhet plegen van welk misdrijf hij, verdachte, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid heeft verschaft,
hebbende hij, verdachte, op een of meer tijdstippen in voornoemde periode:
- een toegangspoort geopend en een of meer (onbevoegd(e)) personen en (een) voertuig(en) toegelaten en toegang gegeven tot het haventerrein en nagelaten
(een)bezoeker(s) van het haventerrein en/of
(een)voertuig(en) te documenteren in afwijking van de gebruikelijke werkwijze;
Feit 2 subsidiair 500.00327/23; zaaksdossier Sparrow
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en een of meerdere andere
(onbekend gebleven
)personen in de periode van 3 december 2020 tot en met 18 januari 2021 te Curaçao, tezamen en in vereniging, opzettelijk hebben uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van Pro de Opiumlandsverordening 1960 een hoeveelheid van ongeveer 172.000 gram van een materiaal bevattende cocaïne,
zijndeeen middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening Pro 1960,
bijhet plegen van welk misdrijf hij, verdachte, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, heeft verschaft,
hebbende hij, verdachte, op een of meer tijdstippen in voornoemde periode:
  • een toegangspoort geopend en een of meer (onbevoegd(e)) personen en (een) voertuig(en) toegelaten en toegang gegeven tot het haventerrein en nagelaten
  • geholpen de zeecontainer te sluiten;
Feit 1 subsidiair 500.00119/23; zaaksdossier Anker
[medeverdachte 1] en een of meerdere andere perso(o)n(en)
op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2022 tot en met 2 september 2022 te Curaçao, tezamen en in vereniging, opzettelijk heeft uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van Pro de Opiumlandsverordening 1960, een hoeveelheid van ongeveer 819.000 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening Pro 1960,
bij entot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid heeft verschaft,
hebbende hij, verdachte in voornoemde periode:
  • als beveiligingsmedewerker van de haven van Curaçao een toegangspoort geopend en een of meer onbevoegd(e) perso(o)n(en) of mededader(s) en
  • nagelaten (een) bezoeker(s) van het haventerrein en/of voertuig(en) te documenteren in afwijking van de gebruikelijke werkwijze en/of nagelaten activiteit op het haventerrein te controleren en/of te registreren.
Het Hof acht niet bewezen wat de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (
cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverwegingen en bespreking van verweren – algemene overwegingen vooraf
Bruikbaarheid verklaringen [medeverdachte 1]
De raadsvrouw heeft zich ter zitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de getuige [medeverdachte 1] het ondervragingsrecht in dusdanige mate beperkt is geweest, dat de verklaringen dienen te worden uitgesloten van het bewijs.
De procureur-generaal acht de verklaringen van de getuige wel bruikbaar voor het bewijs.
Oordeel Hof
De getuige, tevens medeverdachte, [medeverdachte 1] is veelvuldig gehoord door de politie. Hij heeft in die verhoren ten aanzien van de diverse beschuldigingen zichzelf belast en ook over anderen, waaronder de verdachte, belastende verklaringen afgelegd. Deze verklaringen zijn op onderdelen soms specifiek, soms meer algemeen.
De getuige is gedurende het strafproces in eerste aanleg in het bijzijn van de verdediging gehoord door de rechter-commissaris en op de terechtzitting. Bij beide gelegenheden heeft hij sommige vragen van de raadsvrouw wel en sommige vragen niet beantwoord. De getuige heeft op een algemene vraag van de rechter-commissaris wel geantwoord dat hij zijn politieverklaringen heeft doorgelezen en daar bij blijft. Ook heeft hij op concrete vragen van de raadsvrouw geantwoord dat de verdachte op de hoogte was van de handelingen die werden verricht met betrekking tot de illegale drugstransporten en dat hij bij zijn eerdere verklaring blijft dat de bewaker op de hoogte moet zijn, omdat de hele operatie anders niet mogelijk zou zijn. Het betroffen afspraken die van te voren waren gemaakt, aldus de getuige. De rechter-commissaris heeft sommige vragen van de raadsman van een medeverdachte belet (geen vragen van de raadsvrouw van de verdachte). Ter zitting in eerste aanleg konden deze vragen wel worden gesteld en daarbij gaf de getuige onder meer aan sommige vragen niet te (willen) beantwoorden. Het Hof is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, het ondervragingsrecht gedurende het proces in eerste aanleg beperkingen kende.
Ter zitting in hoger beroep is de getuige, in het bijzijn van de verdediging, opnieuw en onder ede gehoord. Hij was inmiddels onherroepelijk veroordeeld en hem kwam geen verschoningsrecht meer toe aangaande de feiten waarover hij werd gehoord. Hij was ter zitting in hoger beroep fysiek in de rechtszaal aanwezig, de verdediging heeft alle vragen kunnen stellen en de getuige heeft op sommige vragen een inhoudelijk antwoord gegeven, op andere vragen gaf hij aan zich het een en ander niet meer te herinneren. Daarbij gaf hij aan dat dat kwam omdat er heel veel gedachten door zijn hoofd gaan, hij stress ervaart en omdat er vragen werden gesteld over zaken die lang geleden zijn gebeurd. Het Hof heeft niet kunnen vaststellen dat de getuige zonder grond heeft geweigerd vragen te beantwoorden, zoals de verdediging heeft gesteld.
Het Hof is van oordeel dat de verdediging het ondervragingsrecht op verschillende momenten heeft kunnen uitoefenen en dat, gelet op het voorgaande, de verdediging een behoorlijke en effectieve gelegenheid heeft gehad om de getuige vragen te stellen. Resumerend is het proces als geheel eerlijk verlopen en het bezigen voor het bewijs van specifieke gedeelten van de verklaringen van [medeverdachte 1] bij de politie levert geen schending op van artikel 6 EVRM Pro.
Dat neemt niet weg dat het Hof – mede gezien de hiervoor geschetste gang van zaken - met behoedzaamheid met de verklaringen van de getuige om zal gaan en per ten laste gelegd feit zal beoordelen in hoeverre de verklaringen betrouwbaar zijn te achten, waarbij zal worden betrokken in hoeverre er steunbewijs is voor zijn verklaringen.
In hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht, ziet het Hof geen aanleiding om de verklaringen in zijn geheel onbetrouwbaar te achten of uit te sluiten van het bewijs. Dat [medeverdachte 1] over de verdachte leugenachtige verklaringen heeft afgelegd, acht het Hof niet aannemelijk geworden.

Zaaksdossier Sparrow

Zaaksdossier Sparrow bevat de resultaten van een onderzoek naar twee drugstransporten van respectievelijk 140 en 172 kilo cocaïne die in november/december 2020 vanuit de haven van Curaçao in containers naar het buitenland zijn verscheept. De lading van 172 kilo cocaïne is door de Franse autoriteiten in Le Havre onderschept. Het onderzoek richtte zich op de vraag wie betrokken was bij het uitvoeren van deze harddrugs vanuit Curaçao.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft ter zitting in hoger beroep bij pleidooi vrijspraak bepleit. Ter onderbouwing daarvan heeft de raadsvouw– zakelijk weergegeven en samengevat – betoogd dat voor zover verklaringen van [medeverdachte 1] wel bruikbaar zijn voor het bewijs, zij inconsistent zijn en dat steunbewijs mist. De verdachte betwist de verklaringen van [medeverdachte 1] dat hij wetenschap had van het plaatsen van verdovende middelen in de containers en het ondersteunend bewijs heeft slechts betrekking op de vraag of de verdachte op bepaalde dagen heeft gewerkt. [medeverdachte 1] speculeert dat de verdachte van een en ander op de hoogte zou zijn gebracht door de tussenpersoon, [medeverdachte 1] verklaart dienaangaande niet uit eigen waarneming. Voorts is de kwaliteit van de camerabeelden van de toegangspoort van het CPS-haventerrein onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat de verdachte op de beelden te zien zou zijn. De beschreven persoonskenmerken zijn onvoldoende duidelijk, specifiek en onderscheidend. Ten aanzien van de voor het bewijs gebruikte SKY-berichten geldt dat de identiteit van alle gesprekspartners niet met zekerheid vastgesteld kan worden. Ten aanzien van de 140 kilo is niet vast komen te staan dat het om verdovende middelen gaat.
Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat het openen van de slagboom en het mogelijk sluiten van een container niet gekwalificeerd kunnen worden als medeplegen. De kwalificatie medeplichtigheid strandt ook, omdat niet is komen vast te staan dat client wetenschap had van de verdovende middelen en het voor medeplichtigheid benodigde dubbele opzet ontbreekt.
Standpunt procureur-generaal
De procureur-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich samen met de anderen schuldig heeft gemaakt aan de uitvoer van respectievelijk 140 en 172 kilogram cocaïne uit Curaçao. Zij heeft zich daarbij meer in het bijzonder op het standpunt gesteld de betrokkenheid van de verdachte volgt uit camerabeelden van de haven, (administratieve) gegevens van de haven en historische verkeersgegevens, waaruit onder meer blijkt van telefonische contacten tussen verdachten rondom de tijdstippen waarop de drugs de haven zijn ingebracht. De verdachte was tijdens de beide transporten de bewaker die de poort voor de ladingen cocaïne heeft opengedaan en in de nacht van 5 op 6 december 2020 heeft hij geholpen met het sluiten van de container.
Beoordeling Hof
Identificatie gebruikers SKY ECC-accounts
Het Hof stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de gebruiker van SKY ECC-account [account] medeverdachte [medeverdachte 3] is geweest en dat de gebruiker van SKY ECC-accounts [account] en [account] medeverdachte [medeverdachte 2] is geweest.
Het Hof zal omwille van de leesbaarheid de gebruiker van SKY-accounts [account] en [account] hierna aanduiden als [medeverdachte 2] en de gebruiker van SKY-account [account] als [medeverdachte 3].
Het Hof stelt op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep het volgende vast.
Uitvoer uit Curaçao van 140 kilo cocaïne in de periode van 2 november 2020 tot en met 18 november 2020
Uit de bewijsmiddelen leidt het Hof af dat de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] via SKY-berichten vanaf begin november 2020 communiceren met een derde persoon ([account betrokkene]). Uit de berichten leidt het Hof verder af dat wordt gesproken over 140kg cocaïne.
Op 17 november 2020 (00.24 uur UTC-tijd) chat [medeverdachte 2] naar [account betrokkene]: “
ze zijn binnen het werk aan het doen.” Dat is op 16 november 2020 om 20.24 uur Curaçaose tijd (UTC-4). Om 20.36 uur (Curaçaose tijd) zegt [medeverdachte 2] in een voicenote aan [account betrokkene] dat het werk klaar is. En: “
Elk moment denk ik dat [bijnaam medeverdachte 3] het je doorgeeft.”
Het tijdstip van omstreeks 20.30 uur in de avond komt overeen met opvallende bewegingen op en rond het CPS-haventerrein van Curaçao die op camerabeelden (gericht op de toegangspoort) zijn vastgelegd. Op deze beelden heeft de verbalisant [medeverdachte 1] en de verdachte herkend; de herkenningen worden bevestigd door [medeverdachte 1] en de (CPS) leidinggevende/collega van beiden, [getuige]. Het Hof is – anders dan de raadsvrouw heeft gesteld – van oordeel dat de (bewegende) beelden dienaangaande van voldoende kwaliteit zijn om daarop aan de hand van persoonskenmerken de verdachte te herkennen, zeker indien de herkenners, i.c. [medeverdachte 1] en [getuige], de verdachte al langer kennen. Voorafgaand aan het tijdsstip van 20.30 uur is er de nodige (gezamenlijke) beweging van [medeverdachte 1] en de verdachte op het haventerrein waar te nemen. Ook verlaten ze los van elkaar meerdere malen het haventerrein, keren weer terug en hebben telefonisch contact met elkaar. [medeverdachte 1] rijdt om 19.08 uur met een CPS-pick up (PU2) het haventerrein af. Om 20.15 uur komt deze zelfde CPS-pick up (PU2) aanrijden bij de poort en rijdt (tegen het uit het dossier blijkende CPS-protocol in) zonder bij het beveiligingshuisje te stoppen, het haventerrein op. De poort wordt direct gesloten. Vervolgens wordt om 20.26 uur de poort geopend zonder dat er een voertuig bij de poort staat. Om 20.27 uur komt de CPS-pick up (PU2) zonder verlichting vanaf het haventerrein aanrijden en stopt net buiten de poort. [medeverdachte 1] stapt aan de bestuurderskant uit en aan de passagierskant stapt een onbekend persoon uit. Deze passagier loopt direct weg. [medeverdachte 1] parkeert de PU2 vervolgens op het haventerrein. Daarna loopt [medeverdachte 1] de poort uit en rijdt om 20.30 uur weg van de haven in zijn eigen auto.
[medeverdachte 1] heeft over deze bewegingen c.q. handelingen op 16 november 2020 op de camerabeelden verklaard dat hij (om 20.15 uur) het haventerrein kwam oprijden met een bijrijder en met verdovende middelen in de achterbak van de CPS-pick-up, dat hij en de bijrijder samen de container hebben geopend en [medeverdachte 1] de bijrijder vervolgens bij de container heeft achtergelaten, zodat de bijrijder de verdovende middelen in de container kon stoppen en dat [medeverdachte 1] hem enige tijd later weer heeft opgehaald. Ook heeft [medeverdachte 1] verklaard dat de verdachte de poort heeft opengedaan en dat de verdachte ervan op de hoogte was dat er verdovende middelen op het haventerrein zouden worden gebracht. Uit de CPS-gegevens (Lista di warda nov 2020) blijkt dat de verdachte op 16 november 2020 avonddienst had. De verdachte heeft ter zitting in hoger verklaard dat een avonddienst van 15.00 uur tot 23.00 uur liep. In de contactenlijst van de telefoon van [medeverdachte 2] staat het telefoonnummer van de verdachte opgeslagen onder de naam “[naam verdachte] Porta”.
Uit het vervolg van de SKY-conversatie blijkt het volgende.
[medeverdachte 3] stuurt [account betrokkene] op 16 november 2020 om 21.13 uur Curaçaose tijd foto’s van een verbroken gele verzegeling en van een intacte gele verzegeling (met hetzelfde nummer), een foto van de verzegeling in een blauw slot en een foto van een container met nummer THRU2398660. Direct daarna stuurt hij een foto van een papier met daarop:
vessel: Pacific Trader, 16-11-2020, destination Jamaica. Op 18 november 2020 stuurt [medeverdachte 3] foto’s naar [account betrokkene] van de loadlist van de Pacific Trader waar de container met nummer THRU2398660 op staat. Hij bericht dat ze het al hebben opgetild en erin hebben gedaan en dat het schip om 6 uur is vertrokken. [account betrokkene] stuurt deze foto’s door aan I3PZRI en chat: 140, 118 is voor Sint Maarten. Uit opgevraagde informatie over de route van de container THRU2398660 blijkt dat de container op 16 november 2020 “in-gate” in Willemstad was, dat de container op 17 november 2020 op het schip is geladen en dat het schip op 25 november 2020 in Kingston (Jamaica) is aangekomen.
Uitvoer uit Curaçao van 172 kilo cocaïne in de periode van 1 december 2020 tot en met 18 januari 2021
Een soortgelijke gang van zaken met betrekking tot een drugstransport in een container vanuit de haven in Curaçao, voltrok zich op en rond 5 december 2020.
Uit de SKY-gesprekken blijkt dat [medeverdachte 3] op 3 december 2020 naar [account betrokkene] chat dat ze het deze week gaan zetten en dat de GPS aan het opladen is. Op 5 december 2020 meldt [medeverdachte 2] aan [account betrokkene] dat ze een bak hebben gevonden en geeft aan dat er geld moet komen. Ook [medeverdachte 3] meldt op diezelfde datum aan [account betrokkene] dat ze een bak hebben gevonden. Hij vraagt of [account betrokkene] kan controleren of de GPS-devices het doen. [account betrokkene] antwoordt dat [medeverdachte 3] ze aan moet zetten. Op 6 december 2020 stuurt [medeverdachte 2] foto’s naar [account betrokkene] van vier gesealde dozen met daarop de teksten “LarHarve” en “Take out”.
[medeverdachte 2] vertelt [account betrokkene] later die dag dat het ding niet wilde sluiten vanwege het gewicht van boven en dat de jongen iets omhoog moest tillen. [medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat de deur van de container niet wilde sluiten nadat de verdovende middelen in de container waren geladen en dat hij een breekijzer heeft gehaald, zodat de container een beetje omhoog kon worden getild en toch kon worden gesloten. [medeverdachte 1] heeft voorts over dit transport verklaard dat hij met de verdovende middelen en de contactpersoon het haventerrein is opgereden en dat de verdachte de poort heeft opengedaan, van de verdovende middelen afwist en heeft geholpen om de containerdeur te sluiten, omdat hiervoor extra mankracht nodig was.
Op de camerabeelden van de ingang van het CPS-haventerrein in Curaçao zijn in de nacht van 5 op 6 december 2020 bewegingen waargenomen die aansluiten bij de tijdlijn van de SKY-conversatie en de verklaring van [medeverdachte 1] ondersteunen. Omstreeks 23.00 uur is te zien dat een witte pick-up het haventerrein oprijdt (tegen het uit het dossier blijkende CPS-protocol in) zonder bij de poort te stoppen en direct doorrijdt in de richting van de containers Even later is te zien dat [medeverdachte 1] en een beveiliger (die door de politie wordt herkend als de verdachte) iets zoeken onder het trapgedeelte van het beveiligershuisje. Kort daarna loopt [medeverdachte 1] richting de containers op het haventerrein met een voorwerp in zijn hand dat lijkt op een koevoet (/breekijzer). Omstreeks middernacht rijden [medeverdachte 1] en de verdachte in de richting van de containers. Uit de CPS-gegevens (Lista di warda dec 2020) blijkt ook dat de verdachte in de nacht van 5 op 6 december 2020 nachtdienst had. De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat een nachtdienst van 23.00 uur tot 07.00 uur liep.
Op 18 januari 2021 worden in Le Havre in Frankrijk in een container afkomstig uit Barbados een drietal dozen aangetroffen met daarop de tekst “LarHarve”, geschreven in hetzelfde handschrift als op de dozen op de foto die [medeverdachte 2] op 6 december 2020 naar [account betrokkene] heeft verzonden. In elke doos bevonden zich twee stoffen sporttassen met daarin 153 blokken cocaïne met een totaalgewicht van ongeveer 172 kilo. Op de gesealde blokken stonden afbeeldingen van een zon en de tekst “REAL”. Ook werden twee GPS-trackers aangetroffen.
De hiervoor geschetste gang van zaken en het aandeel van de verdachte daarin, is in de kern genomen door de verdachte niet betwist. In zijn politieverhoren en ter zitting bij het Gerecht en in hoger beroep antwoordde hij niet of kwam hij niet verder dan dat verklaringen niet klopten en dat hij het zich niet herinnerde. Hij heeft verklaard onschuldig te zijn. Op algemene vragen over de werkwijze in de haven en/of het poortwachtershuisje wilde hij wel verklaren maar op specifiek voorgehouden (mogelijk) belastende feiten en omstandigheden beriep hij zich op zijn zwijgrecht.
Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 1] (zaaksdossier Sparrow)
Het Hof acht onderdelen van de verklaringen van [medeverdachte 1], die de verdachte betreffen, betrouwbaar. Daarbij betrekt het Hof dat [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris op vragen van de verdediging heeft geantwoord dat hij blijft bij zijn verklaringen (ten aanzien van de verdachte) zoals afgelegd bij de politie, dat hij ook zichzelf heeft belast ten aanzien van de betreffende verweten feiten (en daarvoor inmiddels ook onherroepelijk is veroordeeld) en dat zijn verklaringen op belangrijke onderdelen steun vinden in andere (objectieve) bewijsmiddelen. Dat [medeverdachte 1] over de betrokkenheid van de verdachte heeft gelogen, acht het Hof niet aannemelijk geworden.
Een treffend voorbeeld van steunbewijs (over en weer) is de gelijkenis in de verhalen van [medeverdachte 2] (in de Sky-communicatie) en de getuige over de container die niet dichtging en het camerabeeld waarop is te zien dat [medeverdachte 1] met een op een koevoet gelijkend voorwerp op het haventerrein richting de containers loopt en de verdachte niet veel later volgt. Dat de verdachte bij beide gelegenheden wetenschap had van wat gaande was en daaraan als bewaker bij de poort van het haventerrein een bijdrage leverde, heeft [medeverdachte 1] herhaaldelijk verklaard en ook bij de rechter-commissaris, ten overstaan van de raadsvrouw, herhaald. De uitleg die de getuige daarbij heeft gegeven, erop neerkomend dat een bewaker in het complot moet zitten omdat de operatie anders niet uitgevoerd kan worden, komt het Hof authentiek en eveneens begrijpelijk voor, mede gezien het door meerdere CPS-medewerkers beschreven protocol bij de toegangsverschaffing tot de haven (in de nachtelijke uren). Bovendien vindt de verklaring van [medeverdachte 1] naar het oordeel van het Hof steun in de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte die tot uiting komen in de tot het bewijs gebezigde camerabeelden. Daaruit blijkt immers dat de verdachte zowel bij het transport van de 140 kilo als de 172 kilo cocaïne buitenom het protocol handelt en (telkens) de toegangspoort van het CPS-haventerrein voor de medeverdachten opent zonder de daartoe benodigde controle en registratie van in- en uitgaande voertuigen en personen uit te oefenen.
Gelet op het voorgaande stelt het Hof vast dat de verdachte steeds wetenschap had van de verdovende middelen die op het haventerrein werden binnengebracht en in een container geplaatst (teneinde, logischerwijs, te worden uitgevoerd).
140 kilo – verdovende middelen
Het Hof verwerpt het verweer dat ten aanzien van de 140 kilo niet is komen vast te staan dat het om verdovende middelen gaat. Door de douane in Frankrijk is op 18 januari 2021 een lading cocaïne (de 172 kilo) aangetroffen in een zeecontainer waarmee de verdachte ook in verband kan worden gebracht. Dit gegeven is niet alleen redengevend voor het bewijs van het tenlastegelegde onder feit 2, maar draagt naar het oordeel van het Hof, in onderling verband en samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, tevens bij aan het bewijs van feit 1, meer in het bijzonder dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het ook bij feit 1 om cocaïne ging. Dit geldt te meer nu in de versleutelde communicatie aangaande zowel het transport van de 140 kilo als de 172 kilo foto’s zijn verzonden van blokken met hetzelfde logo (REAL met de afbeelding van een zon) en soortgelijke gesealde pakketten, die in het transport van de 172 kilo in beslag zijn genomen en getest.
De rol van de verdachte; medeplegen of medeplichtigheid?
Het Hof bespreekt na de bespreking van het zaaksdossier Anker welke deelnemingsvorm het Hof in beide zaken wettig en overtuigend bewezen acht.

Zaaksdossier Anker

Dit zaaksdossier bevat de resultaten van een onderzoek naar een drugslading van 819 kilo cocaïne die op 2 september 2022 in een container van de Marine in de haven van Curaçao werd aangetroffen.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij – kort en zakelijk samengevat – betoogd dat niet ter discussie staat dat er op 2 september 2022, 819 kilo cocaïne in de zeecontainer is aangetroffen, maar dat niet kan worden vastgesteld dat die cocaïne in de nacht van 24 op 25 augustus 2022 op het CPS haventerrein in die container is gebracht, noch dat de verdachte daarbij als medepleger of medeplichtige betrokken is geweest.
Verdachte weet zelf niet meer op welke data hij heeft gewerkt en voor de mutatie- en registratieformulieren waaruit mocht blijken dat hij die nacht heeft gewerkt geldt dat niet kan worden vastgesteld dat deze niet door een derde, buiten wetenschap van de verdachte, zijn aangepast, (ook) omdat zich geen (door de verdachte en zijn leidinggevende [getuige]) geparafeerde (hardcopy) versie in het dossier bevindt. De zendmastgegevens kunnen onvoldoende duidelijkheid verschaffen over de precieze locatie waar verdachte zich op geëigende tijdstippen heeft bevonden. De camerabeelden zijn te vaag om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt, omdat onvoldoende kan worden vastgesteld wat, wie en welke auto’s op de camerabeelden te zien zijn. Voor zover handelingen van de verdachte op de beelden kunnen worden waargenomen, betreffen dat zijn normale werkzaamheden. Als het Hof voorbijgaat aan het verweer dat de belastende verklaringen van [medeverdachte 1] bij de politie niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, geldt dat ook uit die verklaringen niet volgt dat de verdachte wetenschap had dat verdovende middelen op het haventerrein werden gebracht. Die wetenschap volgt ook niet uit een ander bewijsmiddel.
Standpunt procureur-generaal
De procureur-generaal heeft zich – kort en zakelijk samengevat - op het standpunt gesteld dat medeplegen van uitvoer van 819 kilo cocaïne wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verklaringen van [medeverdachte 1] zijn betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs en worden op essentiële punten ondersteund door objectieve bewijsmiddelen zoals camerabeelden. Hetgeen door en namens de verdachte is aangedragen omtrent (mogelijk) gesjoemel met (mutatie)formulieren door [getuige], een leidinggevende van de verdachte, is volstrekt onaannemelijk en vindt geen steun in het dossier.
Beoordeling Hof
Het Hof stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 2 september 2022 werd in een zeecontainer van de Marine op de Brionwerf in de haven van Curaçao een hoeveelheid van in totaal 819 kilo cocaïne aangetroffen, verpakt in 28 sporttassen. De container zou op 2 september 2022 naar Rotterdam verscheept worden en was op 19 augustus 2022 van de marinebasis Parera naar de haven getransporteerd.
Zaaksdossier Anker bevat de resultaten van een onderzoek dat zich richtte op de vraag of en zo ja, op welke wijze en door wie de cocaïne op het CPS haventerrein in de container was gebracht.
Camerabeelden werden bekeken van de periode tussen de aankomst van de container op het haventerrein en het aantreffen van cocaïne in die container. De verbalisant die in het onderzoek Crow veelvuldig camerabeelden van het havengebied had bekeken en daardoor de patronen rondom de containerhaven herkende, constateerde in de nacht van 24 op 25 augustus 2022 een opvallende afwijking daarvan, die hij – samengevat - als volgt beschreef.
‘Op 25 augustus 2022 omstreeks 00:30 uur reed een Toyota 4Runner (hierna: 4Runner) zonder te stoppen het terrein van de containerhaven op, nadat het toegangshek was geopend. Op het haventerrein werd de Toyota gevolgd door een witte pick-up van CPS en doofde zijn lichten. Omstreeks 00:53 uur reden de 4Runner en de pick-up weer (met gedoofde lichten) terug naar het toegangshek. Dat hek werd geopend en de 4Runner verliet het haventerrein en schakelde buiten dat terrein de verlichting weer in.’
Uit nadere bestudering van de camerabeelden van die nacht leidde de verbalisant af dat er in die nacht op en rond het haventerrein sprake was geweest van een verdachte situatie en ontstond een concrete verdenking van betrokkenheid daarbij ten aanzien van, onder meer, de dockmaster [medeverdachte 1] en de verdachte.
In aanvulling op voornoemd proces-verbaal van bevindingen is nader onderzoek gedaan naar de (mogelijkheid en) zichtbaarheid van een lading van ongeveer hetzelfde gewicht als de in de container aangetroffen partij cocaïne in een Toyota 4Runner. De verbalisanten hebben op de camerabeelden van de nacht van 24 op 25 augustus 2022 een duidelijk verschil waargenomen in de hoogte tussen de achterwielen en de wielkasten en de achterzijde van de 4Runner op het moment dat dit voertuig naar het haventerrein toe reed enerzijds en het moment waarop het voertuig weer van het haventerrein afreed anderzijds. Het Hof merkt hierbij op dat het deze camerabeelden – anders dan de verdediging – van voldoende kwaliteit beoordeelt om deze waarneming te kunnen doen. Naar aanleiding van deze bevindingen is nader onderzoek gedaan, waarbij de inbeslaggenomen Toyota 4Runner werd geladen met 827 kilogram betonblokken. Niet alleen werd vastgesteld dat het voertuig een dergelijk gewicht kon verplaatsen, maar ook dat er, met of zonder aan het voertuig toegevoegd gewicht, een duidelijk zichtbaar hoogteverschil was tussen de achterwielen en de wielkasten en de achterzijde van de 4Runner.
[medeverdachte 1] is in zijn derde verhoor bij de politie – nadat hij over onder meer zijn rol bij drugstransporten via het haventerrein in het algemeen had verklaard - geconfronteerd met het feit dat uit de analyse van de camerabeelden van de nacht van 24 op 25 augustus 2022 zou volgen dat hij die nacht op het haventerrein was geweest. [medeverdachte 1] bekende daarop niet alleen dat hij die nacht inderdaad op het terrein was geweest maar ook dat er die nacht tassen met verdovende middelen uit een 4Runner in een container waren geplaatst en dat hij daarbij had geholpen. Uit zichzelf benoemde [medeverdachte 1] daarbij dat het om een container van de Marine ging en dat – nadat er iets misging bij het betreden van het haventerrein op een andere locatie - ter plekke werd besloten om via de
hoofdinganghet haventerrein op te gaan en dat zijn rol daarbij was om de beveiliger op de hoogte te stellen dat de 4Runner eraan kwam. Dit laatste aspect van zijn spontane verklaring wordt bevestigd door (het proces-verbaal van bevindingen van) de bewegende camerabeelden van die nacht, die het Hof – anders dan de verdediging – van voldoende kwaliteit beoordeelt om deze waarneming te kunnen doen.
In nadere verhoren verklaarde [medeverdachte 1] aanvullend over onder meer zijn eigen aandeel en noemde hij de namen van betrokken beveiligers, waaronder de verdachte. De verdachte was de bewaker die op zijn verzoek de poort opende voor de 4Runner. Zoals hiervoor aangegeven is [medeverdachte 1] voor zijn aandeel in dit feit inmiddels onherroepelijk veroordeeld.
Dat de verdachte die nacht op het haventerrein werkzaam was als beveiliger wordt bevestigd door de mutatieformulieren van die avond, de verklaring van de verdachte zelf en uit de zendmastgegevens van zijn telefoon. Uit de mutatieformulieren blijkt dat de verdachte op 24/25 augustus 2022 eerst een avonddienst en aansluitend een nachtdienst draaide, hetgeen bevestiging vindt in zijn eigen verklaring. In zijn derde verhoor wordt de verdachte een – van datering en tijd, te weten 2022-08-25 07:06:20, voorziene – foto/still voorgehouden, waarop de verdachte verklaart “Dit is mijn auto. Dit is in de ochtenduren dat ik naar huis rij.” Ook verklaart de verdachte in zijn vierde verhoor bij de politie, als hem het mutatieformulier van die nacht wordt getoond, dat hij die nacht als ploegleider heeft gewerkt, samen met [naam collega verdachte]. Dat [naam collega verdachte] die nacht ook heeft gewerkt, vindt bevestiging in het dossier. Het verweer van de verdachte dat de mutatieformulieren door een derde, buiten wetenschap van de verdachte, (kunnen) zijn aangepast, (ook) omdat zich geen (door de verdachte en zijn leidinggevende [getuige]) geparafeerde (hardcopy) versie in het dossier bevindt, acht het Hof niet aannemelijk geworden. Het verweer dat zendmastgegevens onvoldoende duidelijkheid kunnen verschaffen over de precieze locatie van de verdachte wordt eveneens verworpen, nu de deze gegevens in de context van het overige bewijs belastend zijn en de verdachte hierover nadere uitleg heeft kunnen geven.
De verklaring van [medeverdachte 1] dat de verdachte degene was die de toegangspoort van het terrein opende voor de 4Runner, nadat [medeverdachte 1] hem dat had gevraagd, sluit aan bij (het proces-verbaal van bevindingen van) de camerabeelden van die nacht. Ook daaruit – en uit de herkenning van de verdachte op die beelden door zijn leidinggevende [getuige] – blijkt dat de verdachte degene was die het toegangshek voor de 4Runner opende, terwijl [collega verdachte], de enige andere beveiliger die op dat moment op het haventerrein werkte, bezig was met een ronde over het haventerrein. Het verweer dat de camerabeelden te vaag zijn om daar een herkenning op te baseren, verwerpt het Hof nu – zoals ook in het voorgaande is overwogen - de bewegende beelden daarvoor naar het oordeel van het Hof van voldoende kwaliteit zijn.
Het verweer dat de handelingen die van de verdachte waarneembaar zouden zijn op de camerabeelden zijn normale werkzaamheden betreffen en – zo begrijpt het Hof – in overeenstemming waren met de geldende procedures, wordt niet alleen weersproken door de verklaring van de verdachte zelf daarover, maar ook door zijn leidinggevende [getuige] toen deze met de camerabeelden van die nacht werd geconfronteerd. Verdachte, die nacht werkzaam als ploegleider, heeft naar zeggen van [getuige] in strijd met de geldende procedure de toegangspoort geopend nog vóór de 4Runner te zien was en heeft de 4Runner en de inzittende(n) niet gecontroleerd, maar zonder te stoppen het haventerrein op en af laten rijden. Voorts is de situatie met de 4Runner niet genoteerd op het registratie- of mutatieformulier en is de aanwezigheid van [medeverdachte 1] daarbij niet geregistreerd.
Het Hof is van oordeel dat de beschrijving van de camerabeelden, die is vastgelegd in een ambtsedig proces-verbaal aldus redengevend is voor het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte en zulks geldt ook voor hetgeen [getuige] over die beelden heeft verklaard. De verdachte is de gelegenheid geboden om uitleg te geven over de camerabeelden en de beschrijving en duiding die daarvan/daaraan is gegeven. Maar de verdachte is daarbij niet verder gekomen dan aangeven dat
hijde beelden niet duidelijk vond en daar niets en niemand in herkende en daarnaast heeft hij zich beroepen op zijn zwijgrecht.
Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 1] (zaaksdossier Anker)
Het Hof acht onderdelen van de verklaringen van [medeverdachte 1], die de verdachte betreffen ook in het zaaksdossier Anker betrouwbaar. Daarbij betrekt het Hof dat [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris op vragen van de verdediging heeft geantwoord dat hij blijft bij zijn verklaringen (ten aanzien van de verdachte) zoals afgelegd bij de politie, dat hij ook zichzelf heeft belast ten aanzien van de betreffende verweten feiten (en daarvoor inmiddels ook onherroepelijk is veroordeeld) en dat zijn verklaringen op belangrijke onderdelen steun vinden in andere (objectieve) bewijsmiddelen. Dat [medeverdachte 1] over de betrokkenheid van de verdachte heeft gelogen, acht het Hof niet aannemelijk geworden.
Tot slot is het Hof van oordeel dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de verdachte (minst genomen) willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er drugs (cocaïne) zou zitten in de 4Runner (net als in de CPS-pick-ups in Sparrow) waarvoor de verdachte (steeds) de toegangspoort van het haventerrein van Curaçao opende. Het Hof heeft daarbij in het zaaksdossier Anker niet alleen gelet op de omstandigheid dat de verdachte – in flagrante strijd met de geldende procedure – op verzoek van [medeverdachte 1] de toegangspoort midden in de nacht heeft geopend voor een voertuig dat zichtbaar zwaar beladen was en waarvan de lichten kort na het oprijden van het haventerrein werden gedoofd, maar ook op het feit dat de verdachte zoals ook uit dit vonnis van het Hof blijkt, twee maal eerder in een vergelijkbare rol (zaaksdossier Sparrow) betrokken is geweest bij de uitvoer van harddrugs, waarbij hij eveneens in strijd met de geldende procedure de toegangspoort in de avonduren heeft geopend voor in- en uitgaande voertuigen.
De verklaring en uitleg van [medeverdachte 1] (afgelegd bij de politie en bevestigd bij de rechter-commissaris ten overstaan van de raadsvrouw) dat – kort gezegd- een bewaker in het complot moet zitten omdat de operatie anders niet mogelijk zou zijn, ondersteunt het voorgaande, evenals zijn verklaring (ter zake onderzoek Sparrow) dat de verdachte ervan op de hoogte was dat het daarbij ging om verdovende middelen. Ten slotte merkt het Hof (ten aanzien van beide zaaksdossiers) op dat het – gelet op de waarde van een dergelijke partij drugs – ook moeilijk voorstelbaar is dat een persoon als de verdachte, met een cruciale (ondersteunende) rol in het geheel, géén wetenschap heeft gehad van de inhoud van de lading.
De rol van de verdachte; medeplegen of medeplichtigheid? (zaaksdossiers Sparrow en Anker)
Het Hof is gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte telkens als medeplichtige betrokken is geweest bij de (opzettelijke) uitvoer van de partijen cocaïne. Hoewel het Hof met het Gerecht van oordeel is dat ook de medewerking van een bewaker zoals de verdachte van cruciaal belang is voor het op deze manier exporteren van een grote partij drugs, staat daarmee nog niet vast dat de bijdrage van de verdachte in dit geval ook van voldoende gewicht is geweest om van medeplegen te kunnen spreken. Nu de bewezenverklaarde handelingen van de verdachte zich in feite beperken tot het openen en sluiten van de toegangspoort tot het haventerrein en bij de uitvoer van de 172 kilo daarnaast tot het meehelpen met het sluiten van de container, is de bijdrage van de verdachte naar het oordeel van het Hof die van een medeplichtige. Bij dat oordeel heeft het Hof in het zaaksdossier Anker betrokken dat uit de verklaringen van [medeverdachte 1] blijkt dat het oorspronkelijke plan er niet in voorzag om de partij drugs via de hoofdingang het haventerrein op te brengen, maar dat daartoe op het laatste moment is besloten. Ook dit wijst op een beperkter aandeel van de verdachte in het uitvoeren van de drugs dan voor bewezenverklaring van medeplegen nodig is.
Het Hof is gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte meermalen medeplichtig is geweest aan het medeplegen van de (opzettelijke) uitvoer van harddrugs.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het onder 1 en 2 subsidiair van de tenlastelegging met parketnummer 500.00327/23 en het onder 1 subsidiair van de tenlastelegging met parketnummer 500.00119/23 bewezenverklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, aanhef, onder c en/of d en/of e en A en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef, onder a van de Opiumlandsverordening 1960, juncto artikel 1:123 en Pro 1:124 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplichtig zijn aan het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van de Opiumlandsverordening 1960, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straffen wordt gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder dat is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten door de rechter worden opgelegd.
Ook heeft het Hof acht geslagen op de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor drugsbezit tot 25 kilo als indicatie de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden gegeven. Voor de hoeveelheden als in de zaak van de verdachte bewezen verklaard, zijn geen oriëntatiepunten voorhanden. Het gaat hier (meermalen) om de uitvoer van een veelvoud in kilo’s cocaïne (in totaal meer dan 1000 kg), waaraan de verdachte een bijdrage heeft geleverd. Het Hof houdt er rekening mee dat sprake is van medeplichtigheid, geen medeplegen, hetgeen in strafmatigende zin meeweegt.
Het Hof neemt met betrekking tot de ernst van het bewezen verklaarde het volgende in beschouwing.
De verdachte is medeplichtig geweest aan de opzettelijke uitvoer van drie containers met daarin in totaal ongeveer 1131 kilo cocaïne uit Curaçao. Dergelijke hoeveelheden zijn van dien aard, dat moet worden aangenomen dat deze hoeveelheden bestemd waren voor verdere verspreiding en handel. De verdachte heeft hiermee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit dat gepaard pleegt te gaan met ernstige vormen van geweld en criminaliteit en waarvan een ondermijnend en corrumperend effect uitgaat, waartegen krachtig moet worden opgetreden. Het gebruik van harddrugs is bovendien verslavend en zeer schadelijk voor de volksgezondheid en daar heeft de verdachte aan bijgedragen.
De verdachte heeft in alle bewezen verklaarde feiten een weliswaar ondersteunende, maar niettemin cruciale rol vervuld als bewaker van de toegangspoort van het CPS-haventerrein. Zonder zijn medewerking konden de transporten, vanwege de beslotenheid van het haventerrein en de doorgaans strenge toegangscontrole, niet plaatsvinden. Hij heeft in ernstige mate misbruik gemaakt van zijn functie. Door zijn handelen heeft de verdachte bovendien het vertrouwen geschaad dat het havenbedrijf in zijn beveiligingsmedewerkers pleegt te (mogen) hebben. Deze omstandigheden weegt het Hof in strafverzwarende zin mee.
Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een die een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het Hof heeft voorts acht geslagen op hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht over zijn persoonlijke omstandigheden. De verdachte stond op het punt met zijn echtgenote naar Nederland te verhuizen om daar te beginnen aan een baan bij politie en herenigd te worden met zijn gezin. Door zijn aanhouding zijn deze plannen abrupt stilgevallen, waardoor het gezin opnieuw van elkaar gescheiden is geraakt. Verdachte heeft verklaard dat dit voor hem bijzonder zwaar is. Het Hof heeft begrip voor de moeilijke situatie waarin de de verdachte zich bevindt door zijn detentie. Deze detentie is evenwel een direct gevolg van de door het Hof bewezenverklaarde ernstige strafbare feiten waaraan de verdachte zich schuldig heeft gemaakt. De gevolgen daarvan komen dan ook geheel voor zijn rekening.
Het Hof is na afweging van het voorgaande tot de slotsom gekomen dat een gevangenisstraf van vijf jaren passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op artikel 1:136 van Pro het Wetboek van Strafrecht zoals dit luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het Hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van 7 juni 2024 voor zover gericht tegen de vrijspraak van hetgeen de verdachte onder 3 van parketnummer 500.00327/23 ten laste is gelegd;
vernietigt het vonnis van het Gerecht voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 van parketnummer 500.00119/23 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair van parketnummer 500.00327/23 ten laste gelegde feiten en het onder 1 subsidiair van parketnummer 500.00119/23 ten laste gelegde feit heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de
5 (vijf) jaren;
beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.W. van ‘t Westeinde, voorzitter, mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg en mr. D.M. Thierry, leden van het Hof, bijgestaan door mr. P. Dingemanse en mr. M.T. Maas, (zittings)griffiers, en op 18 december 2025 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.
Mrs. Thierry en Maas zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.