ECLI:NL:OGHACMB:2025:339

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
H-80/24
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Opiumlandsverordening 1960Art. 3 Opiumlandsverordening 1960Art. 11 Opiumlandsverordening 1960Art. 1:67 Wetboek van StrafrechtArt. 1:68 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen uitvoer van ruim 194 kilo cocaïne uit Curaçao

De verdachte werd in hoger beroep geconfronteerd met meerdere tenlasteleggingen betreffende de uitvoer van harddrugs uit Curaçao naar Nederland. Het Hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het betrekking had op de inhoudelijke beoordeling en sprak de verdachte vrij van de uitvoer van circa 140 en 172 kilo cocaïne (zaaksdossier Sparrow) en van voorbereidingshandelingen in juli 2021 (zaaksdossier Crow ZD-01) wegens onvoldoende bewijs.

Voor het zaaksdossier Parrot werd de verdachte wel wettig en overtuigend schuldig bevonden aan medeplegen van de uitvoer van drie containers met in totaal ruim 194 kilo cocaïne. Het bewijs bestond uit camerabeelden, telefooncontacten, verklaringen van medeverdachten en de vondst van cocaïne in Nederland. De verdachte had de containers geladen en was nauw betrokken bij de logistiek.

De verdediging voerde onder meer niet-ontvankelijkheid van het OM aan wegens vermeende voorkeursbehandeling van een medeverdachte en schending van het recht op een eerlijk proces, maar het Hof verwierp deze verweren. Ook werd het persbericht van het OM over de zaak niet als schending van de onschuldpresumptie aangemerkt.

Het Hof legde een gevangenisstraf van vijf jaren op, rekening houdend met de ernst van de feiten, de omvang van de drugshandel en de maatschappelijke impact. De tijd in voorlopige hechtenis wordt in mindering gebracht. Tevens werd de sleutel van een Bobcat, gebruikt bij de drugstransporten, verbeurd verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf voor medeplegen uitvoer van ruim 194 kilo cocaïne uit Curaçao.

Uitspraak

Zaaknummer: H-80/24

Parketnummers: 500.00326/23 en 500.00074/23
Uitspraak: 18 december 2025 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 7 juni 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteland],
thans [verblijfplaats] gedetineerd.
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis van het onder 2 van parketnummer 500.00074/23 (
zaaksdossier Parrot) ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair en 3 van parketnummer 500.00074/23 (
zaaksdossiers Parrot en Crow ZD-01) en het onder 1 primair en 2 primair van parketnummer 500.00326/23 (
zaaksdossier Sparrow) ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen gegeven over in beslag genomen voorwerpen.
(Alleen) de verdachte heeft (onbeperkt) hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Nu de verdachte onbeperkt hoger beroep heeft ingesteld, is het appel mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van het onder 2 van parketnummer 500.00074/23 ten laste gelegde. Deze vrijspraak betreft een beschermde vrijspraak waartegen voor de verdachte geen hoger beroep open staat. Het Hof zal de verdachte derhalve niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gerichte vrijspraak.
Omvang van het hoger beroep
Nu alleen de verdachte hoger beroep heeft ingesteld, is het vonnis waarvan beroep slechts aan inhoudelijke beoordeling in hoger beroep onderworpen voor zover het betrekking heeft op de beslissingen ten aanzien van het onder 1 en 3 van parketnummer 500.00074/23 en het onder 1 en 2 van parketnummer 500.00326/23 ten laste gelegde.
Al wat hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het inhoudelijk oordeel van het Hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,
mr. S. Verheijen, en van wat door de verdachte en zijn raadsman, mr. E.F. Sulvaran, naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met verbetering van gronden.
De raadsman heeft primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte en heeft subsidiair ter zake van alle ten laste gelegde feiten bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken. Meer subsidiair heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het Hof (deels) tot andere beslissingen komt.
Normschendingsverweren (mede) strekkend tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, dan wel dat bepaalde bevindingen dienen te worden uitgesloten van het bewijs, dan wel dat het een en ander tot strafkorting zou moeten leiden.
Samengevat en zakelijk weergegeven, heeft de raadsman in dat verband de volgende argumenten naar voren gebracht.
Voorkeursbehandeling medeverdachte, strijd met verbod van willekeur en gelijkheidsbeginsel
De medeverdachte [medeverdachte 1] is ten onrechte niet vervolgd ter zake een tweetal zaaksdossiers, te weten CROW ZD-02 (export 350kg cocaïne) en CROW ZD-03 (invoer 577 pond hennep). Door hem hier niet voor te vervolgen, heeft hij een veel lagere straf gekregen dan passend zou zijn en is hem immuniteit gegund.
[Medeverdachte 1] was ‘de spin in het web’ in het havengebied, aldus ook de politie, en kan verantwoordelijk worden gehouden voor betrokkenheid van veel meer kilo’s drugs dan waarvoor hij is vervolgd en veroordeeld. Dat hij hiervoor niet is vervolgd, is een cadeau aan [medeverdachte 1] en dit is bovendien in strijd met het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel.
Ontbreken transparantie door openbaar ministerie over status medeverdachte en gegunde voordelen
De medeverdachte [medeverdachte 1] was een kroongetuige en daar is het openbaar ministerie niet transparant over geweest. Dat blijkt uit de hiervoor genoemde hem gegunde immuniteit en het ontlopen van een hogere straf. Strafvermindering in ruil voor de verklaringen is compensatie voor zijn rol als kroongetuige, aldus de verdediging. Dat [medeverdachte 1] is overgeplaatst naar een PI buiten Curaçao kan een gunstige invloed hebben gehad op zijn bereidheid tot het afleggen van verklaringen. Dit alles is ontoelaatbaar. Er is geen proces-verbaal, zelfs geen verslag waarom [medeverdachte 1] een voorkeursbehandeling verdient. Ook het ontbreken van transparantie over dit alles, dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Foutieve vertalingen en onjuistheden in processen-verbaal
Er is sprake van foutieve vertalingen van berichten en er is gebruik gemaakt van processen-verbaal waarin meningen, gissingen en onjuistheden zijn opgenomen. In de procedure aangaande onderzoek Sparrow dient dit te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, in ieder geval tot bewijsuitsluiting, dan wel een behoorlijke strafkorting.
Schending beginsel onschuldspresumptie in berichtgeving openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft een persbericht uitgegeven op 11 maart 2024, de dag dat de officier van justitie het requisitoir hield bij het Gerecht. Daarbij is onvoldoende terughoudendheid en zakelijkheid betracht, hetgeen heeft geleid tot voor de verdachte schadelijke berichtgeving. De onschuldpresumptie is in ernstige mate geschonden door de gebezigde bewoordingen en daarmee het recht op een eerlijk proces. Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Dit moet leiden tot strafverlaging.
Standpunt procureur-generaal
De procureur-generaal heeft zich in het requisitoir op het standpunt gesteld dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte en heeft in dat verband, samengevat en zakelijk weergegeven, naar voren gebracht zich te kunnen vinden in de overwegingen van het Gerecht ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Ten aanzien van de beslissing van de officier van justitie om [medeverdachte 1] niet te vervolgen ter zake de zaaksdossiers CROW ZD-02 en CROW ZD-03 heeft de procureur-generaal verder betoogd dat er naar het oordeel van het openbaar ministerie te weinig bewijs voorhanden was om hem te vervolgen. Dat is een beslissing die de officier van justitie kan nemen, het betrof geen voorkeursbehandeling van [medeverdachte 1], aldus de procureur-generaal.
Ten aanzien van de door het Gerecht aan [medeverdachte 1] opgelegde straf heeft de procureur-generaal naar voren gebracht dat het aan het Gerecht is om te bepalen welke straf passend en geboden is, niet het openbaar ministerie. Het Gerecht heeft overwogen dat het geven van openheid van zaken door [medeverdachte 1] in zijn voordeel wordt meegewogen. Dat kan het Gerecht doen, het is geen voordeel dat het openbaar ministerie hem heeft gegund.
Oordeel Hof
Strijd met verbod van willekeur en strijd met gelijkheidsbeginsel
Het Hof stelt voorop dat het openbaar ministerie de bevoegdheid heeft om zelfstandig te beslissen over het al dan niet vervolgen van een verdachte naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek. De beslissing om al dan niet tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen, voortzetten of afzien van de vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde, zoals het verbod van willekeur, om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met de (voortzetting van de) vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.
Het verweer van de verdediging komt er in de kern op neer dat, omdat het openbaar ministerie de medeverdachte [medeverdachte 1] in bepaalde deeldossiers niet heeft vervolgd, het openbaar ministerie in de zaak van de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Naar het oordeel van het Hof heeft het openbaar ministerie naar aanleiding van de resultaten van het opsporingsonderzoek (en/of de verschillende deelonderzoeken) in redelijkheid kunnen beslissen dat de verdachte ter zake de hem verweten strafbare feiten kon worden vervolgd voor de feiten zoals die op de tenlastelegging zijn opgenomen. Dit is op zichzelf ook niet zozeer betwist.
Over de gestelde strijd met het verbod van willekeur en strijd met het gelijkheidsbeginsel (vanwege het niet-vervolgen van [medeverdachte 1] in twee deeldossiers), merkt het Hof het volgende op.
[Medeverdachte 1] is vervolgd voor meerdere strafbare feiten, waaronder – net als de verdachte– betrokkenheid bij de uitvoer van 140kg en 172kg cocaïne (Sparrow). Ook is hij, net als de verdachte, vervolgd voor betrokkenheid bij CROW ZD-01. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel reeds daarom geen sprake. Ter zake Crow ZD-03 geldt dat zowel [medeverdachte 1] als de verdachte niet is vervolgd en dat geldt in soortgelijke zin ook voor Crow ZD-02.
Het Hof ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht geen concrete aanknopingspunten dat sprake is van strijd met het verbod van willekeur, noch dat de officier van justitie in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld.
Van een uitzonderlijk geval waarin sprake zou moeten zijn van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte op de grond dat het instellen of voortzetten van de vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde, is naar het oordeel van het Hof gelet op het voorgaande geen sprake.
De verweren dienaangaande worden verworpen.
Status [medeverdachte 1] - voordelen door het OM aan [medeverdachte 1] gegund?
De officier van justitie heeft in eerste aanleg in het requisitoir aangegeven dat er geen sprake is geweest van een zogenoemde ‘deal’ met [medeverdachte 1] (in ruil voor diens verklaringen). De procureur-generaal heeft dat in het requisitoir bevestigd. [Medeverdachte 1 / getuige] zelf heeft dat, zowel in zijn verhoor als getuige ter zitting van de strafzaak van de verdachte bij het Gerecht als ter zitting in hoger beroep als getuige - in beide instanties onder ede – bevestigd. Het Hof ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht, geen concrete aanknopingspunten waaruit kan worden afgeleid dat wel sprake is geweest van een ‘deal’ met [medeverdachte 1].
Dat [medeverdachte 1] op enig moment is overgeplaatst naar een PI buiten Curaçao, is vanwege dringende redenen van veiligheid, aldus de procureur-generaal. [Medeverdachte 1 / getuige] zelf heeft meermalen verklaard zich niet veilig te voelen en te worden bedreigd. Door wie, dat wil hij vanwege zijn veiligheid niet verklaren. Dit alles komt het Hof niet onaannemelijk voor. Het is een feit van algemene bekendheid dat verdachten die openheid van zaken geven en daarbij ook over anderen belastende verklaringen afleggen, in sommige zaken, op zijn zachtst gezegd, niet geliefd zijn en soms moeten vrezen voor hun leven, of dat van hun naasten. Dat [medeverdachte 1 / getuige] vanwege zijn veiligheid is overgeplaatst, is overigens naar het oordeel van het Hof geen belang dat de verdachte aangaat. Dat het om een voorkeursbehandeling zou gaan, is niet gebleken.
Dat [medeverdachte 1 / getuige] door toedoen van het handelen van politie of justitie ten onrechte belastende verklaringen over de verdachte zou hebben afgelegd, is het Hof evenmin gebleken. Dat hij op een enkel onderdeel wisselend heeft verklaard, heeft het Hof gezien en dat maakt dat het Hof behoedzaam met zijn verklaringen om zal gaan.
Dat het Gerecht aan [medeverdachte 1] een straf heeft opgelegd die het Gerecht, gezien de bewezenverklaarde feiten en mede gelet op de proceshouding van die verdachte en diens spijtbetuigingen passend achtte, is iets dat niet het openbaar ministerie valt aan te rekenen en dus niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid in de vervolging van de verdachte.
Nu niet is gebleken van enige deal met [medeverdachte 1], noch van enig voordeel dat hem is gegund (in ruil voor verklaringen), noch van het ontbreken van transparantie daaromtrent, worden de verweren reeds om die reden verworpen.
Foutieve vertalingen en onjuistheden in processen-verbaal
Het Hof heeft, met de verdediging en evenals het Gerecht, geconstateerd dat sommige processen-verbaal conclusies bevatten of stelligheden die niet direct zijn te relateren aan bevindingen die in de betreffende processen-verbaal zijn opgenomen. Dat is storend en in geval van onjuistheden doet het afbreuk aan de betrouwbaarheid van de betreffende processen-verbaal, iets waar de politie en, in zijn toezicht daarop, de officier van justitie, alert op dienen te zijn.
Het Hof heeft geconstateerd dat in meerdere processen-verbaal wordt verwezen naar andere processen-verbaal, waarin minder stellig wordt gerelateerd over bepaalde bevindingen en geen conclusies zijn opgenomen. In zoverre bevat het dossier dus (ook) een meer genuanceerde inhoud van hetgeen het onderzoek heeft opgeleverd. Het Hof zal geen gebruik maken van (gedeelten van) processen-verbaal voor zover daarin conclusies, meningen of onjuistheden zijn opgenomen, ze worden (in ieder geval op die onderdelen) uitgesloten van het bewijs.
Op de verweren ten aanzien van de vertalingen van berichten, zal het Hof niet nader ingaan nu het Hof tot een vrijspraak komt ten aanzien van de aan de verdachte ten laste gelegde feiten waarbij dergelijke berichten mogelijk een rol speelden. De verdachte wordt hierdoor niet in zijn belangen geschaad.
Het Hof ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht en gelet op het voorgaande geen grond om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.
Schending van onschuldpresumptie
Ten aanzien van het persbericht van 11 maart 2024 overweegt het Hof als volgt. Het bericht, afkomstig van het openbaar ministerie, bevat een samenvatting door het openbaar ministerie van hetgeen naar zijn oordeel uit het onderzoek is gebleken. Daarbij zijn stellige bewoordingen gebruikt die over kunnen komen als vast staande feiten, terwijl de zaak nog ter beoordeling van het Gerecht voorlag. Meer nuance was naar het oordeel van het Hof passend geweest. Anderzijds wordt gesproken over verdachten en het persbericht eindigt met informatie over de eis van de officier van justitie zoals ter openbare zitting in het Gerecht gevorderd. Het kan voor iedereen duidelijk zijn dat dit de visie is van het openbaar ministerie en dat het om verdachten gaat (niet veroordeelden). Er worden geen verdachten met naam genoemd en ook niet met initialen die zouden zijn terug te leiden tot individuele verdachten. Dat de verdachte door deze berichtgeving tekort is gedaan in zijn recht op een eerlijk proces, acht het Hof niet aannemelijk geworden.
Het verweer wordt verworpen.
Slotsom
Het Hof is van oordeel dat de procedure als geheel, gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van de verschillende onderdelen is overwogen, voldoet aan de eisen van het uit artikel 6 EVRM Pro voortvloeiende recht op een eerlijk proces.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding in de zaak met parketnummer 500.00326/23 en in de op de terechtzitting in eerste aanleg van 1 december 2023 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging in de zaken met parketnummer 500.00074/23. Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging is als bijlage I een kopie aan dit vonnis gehecht. De daarin vermelde tenlasteleggingen gelden als hier overgenomen.
De verdenking komt er – kort en zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog aan de orde – op neer dat de verdachte:
Feiten 1 en 2 500.00326/23
zich in de periode van 1 november 2020 tot en met 18 januari 2021 in Curaçao als medepleger (opzettelijk) schuldig heeft gemaakt aan de uitvoer uit Curaçao van ongeveer 140 en 172 kilo cocaïne (twee transporten), dan wel daartoe met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd (
zaaksdossier Sparrow);
Feit 3 500.00074/23
in de periode van 21 juli 2021 tot en met maart 2022 in Curaçao met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor de (opzettelijke) uitvoer uit Curaçao van verdovende middelen (
zaaksdossier Crow ZD-01);
Feit 1 500.00074/23
zich in de periode van 16 mei 2022 tot en met 6 juli 2022 in Curaçao als medepleger (opzettelijk) schuldig heeft gemaakt aan de uitvoer uit Curaçao van ongeveer 66, 69 en 60,5 kilo cocaïne, dan wel daartoe met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd (
zaaksdossier Parrot).
Vrijspraak van feiten 1 en 2 (500.00326/23;zaaksdossier Sparrow) en feit 3 (500.00074/23;zaaksdossier Crow ZD-01)
Het Hof is van oordeel dat het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hiervoor genoemde ten laste gelegde feiten. Het Hof overweegt daartoe als volgt.

Zaaksdossier Sparrow

Dit dossier bevat de resultaten van een onderzoek naar twee drugstransporten van respectievelijk 140 en 172 kilo cocaïne die in november/december 2020 vanuit de haven van Curaçao in containers naar het buitenland zijn verscheept. De lading van 172 kilo cocaïne is door de Franse autoriteiten in Le Havre onderschept. Het onderzoek richtte zich op de vraag wie betrokken was bij het uitvoeren van deze harddrugs vanuit Curaçao.
Standpunt procureur-generaal
De procureur-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de uitvoer van respectievelijk 140 en 172 kilogram cocaïne uit Curaçao. Zij heeft zich daarbij meer in het bijzonder op het standpunt gesteld dat de betrokkenheid van de verdachte en zijn medeverdachten volgt uit camerabeelden van de haven, (administratieve) gegevens van de haven en historische verkeersgegevens, waaruit onder meer blijkt van telefonische contacten tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] rondom de tijdstippen waarop de drugs de haven zijn ingebracht. De verdachte onderhield de contacten met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] enerzijds en de uitvoerders op de haven, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], anderzijds, aldus de procureur-generaal.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bij pleidooi vrijspraak bepleit. Ter onderbouwing daarvan zijn diverse bewijsverweren gevoerd.

Beoordeling Hof

Uit het dossier blijkt dat de verdachte in de pleegperioden (op tijdstippen rondom het in de containers plaatsen van de verdovende middelen) veelvuldig telefonisch contact heeft gehad met medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4]. Over de inhoud van deze gesprekken is niets bekend. Ook valt uit zendmastgegevens op te maken dat de verdachte zowel op 16 november 2020 als op 5 december 2020 zich op enig moment in hetzelfde gebied heeft bevonden als [medeverdachte 1]. De politie vermoedt dat de verdachte bij beide drugstransporten de rol van tussenpersoon heeft vervuld tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] enerzijds en de havenmedewerkers [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] anderzijds. Deze verdenking wordt echter – naast bovengenoemde omstandigheden – met name gestoeld op getapte telefoongesprekken uit 2021 en 2022, een geobserveerde ontmoeting tussen de verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] in 2021 en onderzoeksresultaten uit het zaaksdossier Parrot. Alhoewel deze omstandigheden in de context van de overige onderzoeksbevindingen bedenkelijk kunnen zijn en vragen opwerpen (die de verdachte niet heeft willen beantwoorden) en er sprake is van gelijkenissen in de contacten en werkwijzen in de verschillende zaaksdossiers, zijn dit omstandigheden die (ruimschoots) buiten de ten laste gelegde perioden van de onderhavige feiten vallen.
De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bij de politie weliswaar belastend over de verdachte verklaard, maar ten aanzien van deze verklaringen geldt naar het oordeel van het Hof eveneens dat deze onvoldoende specifiek zijn over het mogelijke aandeel van de verdachte ten aanzien van de in het zaaksdossier Sparrow ten laste gelegde feiten. Op basis van het voorgaande kan aldus niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte betrokken is geweest bij de uitvoer uit Curaçao van de 140 en 172 kilo cocaïne in november en december 2020, ook niet indien de gebleken omstandigheden in samenhang en onderling verband worden beschouwd.
Dit betekent dat het Hof de verdachte zal vrijspreken van de feiten 1 en 2 van de tenlastelegging met parketnummer 500.00326/23.
Het Hof laat, gelet op het voorgaande, bespreking van de overige gedeelten van het bewijsverweer buiten beschouwing.

Zaaksdossier Crow ZD-01

Dit dossier bevat de resultaten van een onderzoek naar aanwijzingen voor voorbereidingshandelingen van drie drugstransporten (uitvoer) vanuit de haven van Curaçao omstreeks de maanden juli en september 2021 en maart 2022.
Standpunt procureur-generaal
De procureur-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezenverklaring kan volgen voor voorbereidingshandelingen in de maand juli 2021, zoals het Gerecht heeft overwogen.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bij pleidooi vrijspraak bepleit vanwege gebrek aan concreet wettig en overtuigend bewijs.
Oordeel Hof
Met de procureur-generaal, de verdediging en het Gerecht, is het Hof van oordeel dat ten aanzien van de verweten voorbereidingshandelingen die samenhangen met vermeende incidenten in september 2021 en maart 2022, het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat.
Over blijft een incident dat heeft plaatsgehad eind juli 2021 waarbij [medeverdachte 1] cocaïne, verpakt in twee sporttassen, (naar zijn zeggen met een ‘contactpersoon’) in een container heeft geplaatst. De cocaïne bleek in een verkeerde container te zijn geplaatst en [medeverdachte 1] heeft ze de volgende dag er weer uitgehaald. Naar zijn zeggen heeft hij de cocaïne toen terug gegeven aan zijn contactpersoon. [Medeverdachte 1] is voor betrokkenheid bij dit feit onherroepelijk veroordeeld.
De resultaten van het onderzoek bestaan, samengevat en zakelijk weergegeven, uit de inhoud van getapte telefoongesprekken, telefoonlocaties aan de hand van mastgegevens en de verklaringen van [medeverdachte 1].
Het Hof is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte (met anderen) het drugstransport in juli 2021 heeft voorbereid, ook niet indien de resultaten in onderling verband en samenhang worden beschouwd.
Uit het dossier blijkt dat er rondom de betreffende data telefonisch contact is tussen [medeverdachte 1] en de verdachte. Zij spreken onder meer over “
dat ding dat we verwachten”. Ook zijn er aanwijzingen dat er in de betreffende periode ontmoetingen plaatsvinden tussen de verdachte en [medeverdachte 4]. [Medeverdachte 1] heeft voorts telefonisch contact met [medeverdachte 5], die in verband wordt gebracht met het regelen van duplicaatzegels voor containers. Er wordt o.a. gesproken over “
het in de brievenbus leggen van de originele gele”. [Medeverdachte 1] heeft deze gesprekken geduid als het vermoedelijk in afwachting zijn van verdovende middelen om in een container te plaatsen en het regelen van duplicaatzegels om het te verbreken origineel te vervangen.
Naar het oordeel van het Hof zijn de verklaringen van [medeverdachte 1] over de betrokkenheid van de verdachte ten aanzien van dit feit aarzelend wat betreft tijdsbepaling en geven ze veeleer een beschrijving van een algemene “modus operandi”. Ten aanzien van dit specifieke (voorgenomen) transport, acht het Hof de verklaringen onvoldoende concreet en overtuigend om de telefoongesprekken in het licht te kunnen plaatsen van door de verdachte en anderen gepleegde voorbereidingshandelingen van een drugstransport in juli 2021.
De verdachte zal derhalve voor dit feit worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het Hof acht – op grond van de inhoud van de (in het geval van cassatie) in een bijlage II bij dit vonnis op te nemen bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair van de zaak met parketnummer 500.00074/23 (
Parrot) ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op meer tijdstippen in de periode van 16 mei 2022 tot en met 19 juni 2022 te Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van Pro de Opiumlandsverordening 1960 een hoeveelheid van ongeveer 66.080 gram en een hoeveelheid van
ongeveer 67.780gram en een hoeveelheid van
ongeveer60.560 gram
(steeds)van een materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening Pro 1960.
Het Hof acht niet bewezen wat de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (
cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverwegingen en bespreking van verweren
Het zaaksdossier Parrot bevat de resultaten van een onderzoek naar drie containers met kalksteen uit de Mijnmaatschappij die in de periode mei – juli 2022 vanuit Curaçao naar Nederland zijn verscheept en waarin, naar in Nederland bleek, cocaïne werd aangetroffen. Het onderzoek richtte zich op de vraag wie betrokken was bij het uitvoeren van harddrugs vanuit Curaçao naar Nederland. De containers zouden zijn gevuld op het terrein van de Mijnmaatschappij op 24 mei, 6 juni en 7 juni 2022. De containers hadden alle drie als eindbestemming [bedrijf] te Silvolde.
Het Hof stelt op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep het volgende vast.
Omwille van de leesbaarheid en duidelijkheid zal de verdachte steeds bij zijn naam worden genoemd. Reden daarvoor is dat zijn broer (met zelfde achternaam) ook in het onderzoek naar voren is gekomen. Ook de naam van medeverdachte [medeverdachte 4] wordt om soortgelijke reden (te weten dat zijn oom, met dezelfde achternaam eveneens in dit onderzoek voorkomt) als zodanig vermeld.
Container 1 (TCNU 1683313), gevuld op 24 mei 2022.
Op 23 mei 2022 huurt [verdachte] een busje van het merk Toyota. Als hij die gaat ophalen, is hij samen met [medeverdachte 4].
[Medeverdachte 6], de broer van de [verdachte], had op de dagen daaraan voorafgaand geregeld dat een container werd geplaatst op het terrein van de Mijnmaatschappij. Ook regelde hij dat er een Bobcat naar dat terrein werd vervoerd. Hij onderhield de contacten met Cusbro (welk bedrijf de containers leverde) en het transportbedrijf Sunrise Transport, welke het vervoer van de containers naar en van de Mijnmaatschappij uitvoerde. Bij de doorzoeking in de woning van [medeverdachte 6] is een aantekeningenboekje aangetroffen met daarin gegevens van (de contactpersoon van) [bedrijf]. Hij heeft daarover verklaard dat dat het bedrijf in Nederland was dat om de stenen had gevraagd. Ook zijn facturen aangetroffen van de Mijnmaatschappij die zijn te relateren aan de drie containers. [Medeverdachte 6] heeft verklaard dat hij deze facturen cash heeft betaald. Ook waren er drie facturen van Sunrise Transport, die hij heeft betaald. Geld daarvoor kreeg hij van iemand over wie hij verder weinig kan verklaren.
De verdachte en [medeverdachte 6] hebben in deze periode geregeld telefonisch contact met elkaar, onder meer over ‘
dingen om ze op te vervoeren’en over een Bobcat. In sommige gesprekken is iemand op de achtergrond te horen, onder andere in een gesprek over een Bobcat. De politie herkende de stem van [medeverdachte 4].
Het eerder genoemde (witte) Toyota busje rijdt in de ochtend van 24 mei 2022 - met kenteken B51-82 - via [adres; verblijfplaats medeverdachte 4] en komt rond 13:05 aan bij de Mijnmaatschappij. Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 4] (geregeld) op [adres] verbleef.
Een aan hem te koppelen telefoonnummer, eindigend op [telefoonnummer] legde op 24 mei op dezelfde tijden en dezelfde route af als het busje met kenteken B51-82. [Medeverdachte 4] heeft daar geen verklaring voor gegeven.
Als het busje aankomt op het terrein van de Mijnmaatschappij zijn er drie inzittenden. Twee van hen worden door de politie herkend als [de verdachte] en [medeverdachte 6]. De derde persoon bestuurt op het terrein van de Mijnmaatschappij een witte Bobcat. Op camerabeelden is bij herhaling te zien dat het busje wordt geopend en dat [de verdachte] heen en weer loopt tussen het busje en de Bobcat en bewegingen maakt die er op lijken te duiden dat hij voorwerpen uit het busje op de Bobcat laadt. Deze rijdt vervolgens de container in. Ook is gezien dat [de verdachte] en de (bestuurder van de) Bobcat zich meermalen tegelijk in de container bevonden.
Nadien wordt de container gesloten en wordt deze op verzoek van [medeverdachte 6] opgehaald en naar de haven gebracht. Het busje verlaat met drie inzittenden (waarvan [medeverdachte 6] en [de verdachte] zijn herkend) het terrein van de Mijnmaatschappij en rijdt via de Kaya Koruna (waar [medeverdachte 6] uitstapt) naar de [adres; verblijfplaats medeverdachte 4].
De container wordt op het schip Baltic Clipper geladen. Deze vertrekt op 5 juni 2022 naar Nederland en komt daar op 22 juni aan in de haven van Vlissingen. In Nederland wordt de container op 29 juni 2022 vervoerd naar [bedrijf] te Silvolde. Daar komt deze op 29 juni 2022 aan. Op 30 juni wordt gezien dat vanuit de container pakketten uit steenachtig materiaal worden gehaald en in tassen worden geladen en in een auto gezet. De politie heeft de auto aangehouden en vijf big shoppers met pakketten aangetroffen, gelijkend op pakketten cocaïne. Deze zijn getest en gewogen. Het ging in totaal om (ongeveer) 66kg cocaïne.
Containers 2 en 3 (SEGU 7903126 en VICU 888372), gevuld op 6 en 7 juni 2022
Een soortgelijke gang van zaken met betrekking tot het inladen van een container herhaalde zich op 6 en 7 juni 2022.
[Medeverdachte 6] heeft de containers geregeld en [de verdachte] heeft het (zelfde) busje met kenteken B51-82 gehuurd. Hij is de bestuurder van het busje.
6 juni 2022
Gezien is, dat het busje in de ochtend van 6 juni 2022 voor het erf van [adres; verblijfplaats medeverdachte 4] staat.
Het busje rijdt van daaruit naar de Kaya Koruna, alwaar [medeverdachte 6] instapt. Bij de Kaya Pachi Jan Bakhuis, stopt het busje en stapt [medeverdachte 6] uit. Er wordt een Bobcat op een takelwagen gezet. [Medeverdachte 6] stapt weer in het busje. Het busje en de takelwagen met de Bobcat rijden weg en zowel het busje als de takelwagen met de Bobcat komen even later aan bij de Mijnmaatschappij.
Op camerabeelden van 6 juni met zicht op het terrein van de Mijnmaatschappij heeft de politie het witte busje, de Bobcat en [de verdachte] en [medeverdachte 6] herkend. [Medeverdachte 6] stond op enig moment buiten het busje terwijl [de verdachte] achter in het busje iets aan het doen was. NN1 bestuurde de Bobcat.
De container die op 6 juni is ingeladen (SEGU 7903126) wordt na het vullen op verzoek van [medeverdachte 6] opgehaald en dan wordt direct een nieuwe container geplaatst (VICU 888372).
Nadat de container is afgevoerd van het terrein van de Mijnmaatschappij, rijdt het witte busje met drie inzittenden via de Kaya Koruna, waar [medeverdachte 6] uitstapt, in de richting van de [adres; verblijfplaats medeverdachte 4]. Het busje rijdt daarna via de Kaya Shilling richting het adres Martha Koosje, waar [de verdachte] uitstapt.
7 juni 2022
Het bekende busje is op 7 juni in de ochtend, op weg naar de Mijnmaatschappij, onderweg gestopt bij een tankstation in Rio Canario. Gezien is dat [medeverdachte 4] uitstapte en ging tanken. Hierna is het busje doorgereden naar de Mijnmaatschappij. Daar is container 3 op dezelfde wijze gevuld met materialen afkomstig uit het busje met behulp van de Bobcat.
De politie heeft waargenomen dat de bestuurder van de Bobcat steeds dezelfde persoon betrof, aangeduid als NN1.
Op grond van voornoemde vastgestelde feiten en omstandigheden stelt het Hof vast dat NN1 (steeds, zowel voor container 1 als voor containers 2 en 3) [medeverdachte 4] is geweest.
Containers 2 en 3 vertrekken op 19 juni 2022 op het schip Luzon Strait naar Nederland en komen daar op 6 juli 2022 aan. De eindbestemming was [bedrijf]. De containers worden in de haven van Vlissingen gecontroleerd. Er worden steenachtige ‘bollen’ gevonden die lijken op de ‘bollen’ die op 30 juni in Silvolde waren gezien, komende uit container 1 en waarin pakketten cocaïne waren verpakt. De ‘bollen’ uit containers 2 en 3 worden opengebroken en gecontroleerd en deze blijken pakketten cocaïne te bevatten. Netto gewicht (ongeveer) 60kg cocaïne en (ongeveer) 67kg cocaïne.
De Bobcat die op genoemde drie data is gebruikt, heeft dezelfde kenmerken (namelijk wit met opvallende rode onderdelen en diverse bepaalde beschadigingen) als een Bobcat die op 20 maart 2023 in beslag genomen op het terrein van de [adres; verblijfplaats medeverdachte 4]. Een sleutel, passend op deze Bobcat werd onder andere bij de verdachte aangetroffen.
[Medeverdachte 4] en [de verdachte] hebben op 8 juni 2022 een gesprek over ‘blokken’ en ‘die van Colombia’, waaruit het Hof, mede gezien de overige inhoud van het dossier, afleidt dat zij zich in die periode (die samenvalt met de periode van de onderhavige feiten) bezig hielden met (handel in) cocaïne.
[Medeverdachte 4] en [de verdachte] zijn op 12 september 2022 op bezoek geweest bij [persoon] (een oom van [medeverdachte 4]) in de penitentiaire inrichting Zaandam in Nederland. Het gesprek dat zij hadden, is opgenomen. Het gesprek gaat over drie containers, waarover [medeverdachte 4] opmerkt dat de eerste meteen is gepakt, een soort van op heterdaad, dat ze op de andere twee gingen wachten en dat ook die werden gepakt. [De verdachte] zegt over (die andere twee containers) dat “
zodra de ding aankwam, het werd gepakt, niet eens door het normale proces gegaan, aangekomen en meegenomen.”
Het Hof stelt vast dat hetgeen hier wordt besproken, naadloos aansluit bij de gang van zaken rondom de containers 1, 2 en 3. De eerste werd naar Silvolde gestuurd en daar werden verdachten met de cocaïne, afkomstig uit de container, op heterdaad aangehouden. De laatste twee containers zijn in de haven gecontroleerd en daar werd de cocaïne gevonden.
In het gesprek wordt verder gesproken over blokken, 20.000, blokken in Sto. Domingo die duur zijn, een man in Colombia die dingen heeft, [medeverdachte 4] zal hem bellen. Gezien de overige inhoud van het dossier, houdt het Hof het ervoor dat hier wordt gesproken over (handel in) cocaïne.
De hiervoor geschetste gang van zaken, is in de kern genomen door de verdachte niet betwist.
De verdachte heeft ter zitting in eerste aanleg bij zijn laatste woord verklaard dat hij contact heeft gehad met twee heren uit Nederland die op zoek waren naar mensen die wilde werken om containers te vullen met stenen. Ten tijde van de drie containers (het Hof begrijpt: de onderhavige drie containers) hebben zij hem verteld dat het om contrabande van stenen ging en heeft hij hen geholpen. Ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij de stenen met drugs heeft vervoerd en neergelegd.
Het Hof is gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de (opzettelijke) uitvoer van harddrugs, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair bewezenverklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, aanhef, onder c en/of d en/of e en A en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef, onder a van de Opiumlandsverordening 1960, juncto artikel 1:123 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van de Opiumlandsverordening 1960, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Oplegging van straffen
Bij de bepaling van de op te leggen straffen wordt gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder dat is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten door de rechter worden opgelegd.
Ook heeft het Hof acht geslagen op de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor drugsbezit tot 25 kilo als indicatie de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden gegeven. Voor de hoeveelheden als in de zaak van de verdachte bewezen verklaard, zijn geen oriëntatiepunten voorhanden. Het gaat hier (meermalen) om de uitvoer van een veelvoud in kilo’s in georganiseerd verband.
Het Hof neemt met betrekking tot de ernst van het bewezen verklaarde het volgende in beschouwing.
De verdachte heeft samen met anderen opzettelijk drie containers met daarin in totaal ruim 194 kilo cocaïne uit Curaçao uitgevoerd. Een dergelijke hoeveelheid is van dien aard, dat moet worden aangenomen dat deze hoeveelheid bestemd was voor verdere verspreiding en handel. De verdachte heeft hiermee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit dat gepaard pleegt te gaan met ernstige vormen van geweld en criminaliteit en waarvan een ondermijnend en corrumperend effect uitgaat, waartegen krachtig moet worden opgetreden. Het gebruik van harddrugs is bovendien verslavend en zeer schadelijk voor de volksgezondheid en daar heeft de verdachte aan bijgedragen.
Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het Hof heeft voorts acht geslagen op hetgeen verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht over zijn persoonlijke omstandigheden. De raadsman heeft betoogd dat verdachte een belangrijke rol vervult voor zijn vrouw en dat zijn detentie zware emotionele en financiële gevolgen heeft voor zijn gezin, in het bijzonder voor zijn echtgenote en kinderen. De verdachte heeft verklaard dat zijn echtgenote volledig van hem afhankelijk is.
Wat zijn gezondheid betreft, heeft de verdachte gesteld dat hij lijdt aan prostaatkanker en dat hij daarvoor intensieve behandelingen heeft ondergaan. Omdat de verdachte hiertoe geen medische documenten heeft overgelegd, kan het Hof deze gezondheidstoestand niet verifiëren en worden deze omstandigheden niet in strafverminderende zin meegewogen.
Het Hof merkt wel op dat verdachte in zijn laatste woord enige openheid van zaken heeft gegeven, waarbij hij ook spijt heeft betuigd. Het Hof waardeert dit en neemt het in acht bij de straftoemeting.
Het Hof is na afweging van het voorgaande tot de slotsom gekomen dat een gevangenisstraf van vijf jaren passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
In beslag genomen voorwerpen
Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een sleutel van een Bobcat en een ploertendoder.
Verbeurdverklaring
De sleutel van de Bobcat is vatbaar voor verbeurdverklaring.
Vast is komen te staan dat het onder feit 1 van parketnummer 500.00074/23 bewezenverklaarde met behulp van dit voorwerp is begaan en/of voorbereid.
Het Hof zal daarom de verbeurdverklaring van de sleutel van de Bobcat gelasten.
Nu de verdachte blijkens het dossier reeds afstand van de ploertendoder heeft gedaan, hoeft het Hof hier naar zijn oordeel geen beslissing meer over te nemen. De verdachte wordt daardoor niet in zijn belangen geschaad.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:67, 1:68 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het Hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van 7 juni 2024 voor zover gericht tegen de vrijspraak van hetgeen de verdachte onder 2 in de zaak met parketnummer 500.00074/23 ten laste is gelegd;
vernietigt het vonnis van het Gerecht – voor zover aan het inhoudelijk oordeel van het Hof onderworpen – en doet in zoverre opnieuw recht;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 in de zaak met parketnummer 500.00326/23 en onder 3 in de zaak met parketnummer 500.00074/23 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair in de zaak met parketnummer 500.00074/23 ten laste gelegde feit heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de
5 (vijf) jaren;
beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
verklaart verbeurd het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een sleutel van een Bobcat.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.W. van ‘t Westeinde, voorzitter, mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg en mr. D.M. Thierry, leden van het Hof, bijgestaan door mr. P. Dingemanse en mr. M.T. Maas, (zittings)griffiers, en op 18 december 2025 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.
Mrs. Thierry en Maas zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.