ECLI:NL:OGHACMB:2025:327

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
CUR2024H00089
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake de rechtmatigheid van de intrekking van een aanbesteding voor een zonnepanelenproject door Aqualectra

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de naamloze vennootschap SUNNY SIDE UP N.V. (SSU) tegen de naamloze vennootschap AQUALECTRA N.V. en andere partijen, naar aanleiding van de intrekking van een aanbesteding voor een zonnepanelenproject door Aqualectra, het water- en elektriciteitsbedrijf van Curaçao. SSU was aanvankelijk een deelnemer aan de aanbesteding, maar werd gediskwalificeerd. Aqualectra heeft CMEC geselecteerd als de winnende partij, waarna de aanbesteding werd ingetrokken. Zowel het Gerecht in eerste aanleg als het Gemeenschappelijk Hof van Justitie oordeelden dat de intrekking van de aanbesteding rechtmatig was en dat er geen onrechtmatige daad was gepleegd door Aqualectra of CMEC. SSU vorderde onder andere een verbod op de gunning aan CMEC en schadevergoeding, maar het Hof bevestigde de eerdere uitspraak en wees de vorderingen van SSU af. Het Hof concludeerde dat Aqualectra bevoegd was om de aanbesteding in te trekken en dat er geen causaal verband was tussen het handelen van Aqualectra en de gestelde schade van SSU. De vorderingen van SSU werden afgewezen, en zij werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2025
Zaaknummers: CUR202201078 en CUR2024H00089
Uitspraak: 16 december 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
SUNNY SIDE UP N.V.,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg eiseres,
thans appellante,
gemachtigde: mr. S.M. Saleh,
tegen
1.de naamloze vennootschap
AQUALECTRA N.V.,
gevestigd in Curaçao,
gemachtigden: mrs. T.E. Matroos en M.H.M. Janssen,

2. de vennootschap naar vreemd recht

CHINA MACHINERY ENGINEERING CORPORATION,
gevestigd in China,

3. de vennootschap naar vreemd recht

SUPER CAL ENGINEERING (H.K.) LTD,
gevestigd in Hong Kong,

4. de besloten vennootschap

CMEC DUTCH CAIBBEAN B.V.,
gevestigd in Curaçao,
gemachtigde 2 tot en met 4: mr. M.R. Hammoud,
in eerste aanleg gedaagden,
thans geïntimeerden.
Appellante wordt hierna SSU genoemd; geïntimeerden 2. en 3. worden gezamenlijk CMEC genoemd; geïntimeerde 4. wordt CMEC Dutch Caribbean genoemd.
De zaak in het kort
Aqualectra, het water- en elektriciteitsbedrijf van Curaçao, heeft een aanbesteding georganiseerd voor een zonne-energiecentrale. CMEC is geselecteerd, SSWU is gediskwalificeerd. Daarna is de aanbesteding ingetrokken. Zowel Gerecht als Hof oordelen dat de intrekking rechtmatig was. Er is ook niet gebleken van onrechtmatig handelen van Aqualectra of CMEC tijdens de aanbesteding, althans er is geen causaal verband tussen hun (verondersteld ) onrechtmatig handelen en de (veronderstelde) schade van SSU.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Bij op 5 april 2024 ingekomen akte van appel is SSU in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 26 februari 2024 uitgesproken vonnis (verder: het vonnis) van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht).
1.2
Bij op 17 mei 2024 ingekomen memorie van grieven heeft SSU drie grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht en de eis gewijzigd. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de gewijzigde vordering van SSU zal toewijzen, met hoofdelijke veroordeling van geïntimeerden in de proceskosten in beide instanties.
1.3
Bij op 22 juli 2024 ingekomen memories van antwoord hebben geïntimeerden de grieven bestreden en verzocht het vonnis van het Gerecht te bevestigen, met veroordeling van Aqualectra, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.
1.4
Op 17 december 2024 hebben alle partijen pleitnota’s ingediend, SSU met producties.
1.5
SSU heeft een nadere productie, 60, overgelegd.
1.6
De mondelinge behandeling door het Hof heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 november 2025. SSU is verschenen bij haar bestuurder [de bestuurder] met haar gemachtigde, Aqualectra bij haar projectmanager [de projectmanager] met haar gemachtigden (mr. Janssen via een videoverbinding met Nederland), CMEC en CMEC Dutch Caribbean bij hun gemachtigde. Allen hebben vragen van het Hof beantwoord.

2.De beoordeling

2.1
Feiten
Het vonnis bevat vaststellingen van feiten, waartegen geen grieven zijn gericht en waarbij het Hof geen bedenkingen heeft. Het Hof noemt hier (nogmaals) de voor de beoordeling relevante feiten.
2.1.1
Aqualectra heeft een aanbesteding gehouden voor het project genaamd “
Build, Own and Operate a distributed 10 – 15 MWp rooftop solar system on the basis of a power purchase agreemenent”(verder: het project). Op de aanbesteding heeft Aqualectra het Landsbesluit aanbestedingsregels (verder: Lba) van toepassing verklaard. Aqualectra werd bij de aanbestedingsproceure geadviseerd door (directeur [de directeur] van) Oxperts Consultancy B.V. als expert.
2.1.2
SSU en CMEC hebben van Aqualectra een
request for proposal(RFP) voor het project ontvangen waarvan deel uitmaakten een
Tender Instructions Document(verder: TID) en
Technical Requirements(verder: TR). De TID bepalen:
3.4.
Cancellation or suspension of the Tender Process
Aqualectra reserves the right to unilaterally cancel (…) the Tender Process if it sees grounds to do so. In case of cancellation, Aqualectra will inform each (Candidate) Bidder within 30 days on the grounds of the suspension or cancellation.
(Candidate) bidders are not entitled to any compensation or reimbursement for any costs incurred and/or damage suffered as a result of the cancellation (…) of the Tender Process.
Aqualectra will not provide any reimbursement for costs or expenses incurred in connection with the Bid, including costs of preparing and submitting a response and providing any additional information.
3.6
Costs and expenses of Bid
The costs and expenses incurred by the Bidder in preparing and submitting its Bid are not reimbursable. All such costs will be borne by the Bidder.
2.1.3
CMEC en SSU hebben daarop beide een gespecificeerde offerte, ook genoemd bieding, ingediend. SSU heeft bij de indiening van haar bod op 24 mei 2019 onder meer verklaard:
I have reviewed and had the opportunity to consult legal advice on all terms and conditions set forth in the “Tender Documents” provided by Aqualectra N.V. and I agree and accept unconditionally all terms and conditions set forth herein.
2.1.4
Artikel 4.2.1 TID bepaalt:
4.2.1
Negotiations
Aqualectra will invite the Bidder whose Bid will be the most advantageous to Aqualectra. In case the negotiations with the prefered Bidder are not succesful, Aqualectra may start negotiations with the next preferred Bidder. In case no agreement on the PPA [Hof: Power Purchase Agreement} will be reached with the second Bidder Aqualectra will end the negotiation process and the Project.
2.1.5
Aqualectra heeft SSU bij brief van 25 juli 2019 laten weten dat zij de aanbesteding niet heeft gewonnen, en bij brief van 7 augustus 2019 dat CMEC is geselecteerd als
preferred bidder. Deze brief bevat een overzicht van de scores van de bieders CMEC en SSU op de onderdelen waarop hun offerte aan de hand van TID en TR is beoordeeld. De score van SSU sluit op een lager puntentotaal dan die van CMEC.
2.1.6
Aqualectra heeft na de selectie van CMEC alleen met haar onderhandeld over een PPA, die deze partijen vervolgens hebben gesloten. De PPA verplichtte CMEC te zorgen althans zich in te spannen voor de beschikbaarheid van daken waarop zonnepanelen zouden kunnen worden geplaatst. De beoogde partner daarvoor was Curinde.
2.1.7
Het TID bepaalt:
3.7
Disqualification from Tender Process
3.7.1
Inappropriate contact
Any attempt on the part of a (Candidate) Bidder or any of its employees, agent, contractors or representatives to contact any of the following persons with respect to this RFP [Hof: request for proposal] prior to contract award may lead to disqualification hence exclusion from (further) participation in the Tender Process:
  • any member of Aqualectra’s evaluation team, or any expert advisor to them;
  • any member of Aqualectra’s Project Board or Project Team.
Bij brief van 22 november 2019, heeft Aqualectra SSU gediskwalificeerd als deelnemer aan de aanbesteding omdat zij heeft gehandeld in strijd met dit beding, door (te pogen) contact te hebben met de adviseur van Aqualectra en zich informatie te verschaffen en deze te gebruiken om zichzelf in de aanbesteding te bevoordelen. SSU heeft op dat moment niet over deze beslissing geklaagd.
2.1.8
Bij brief van 20 september 2021 heeft Aqualectra aan CMEC laten weten dat zij het project onherroepelijk beëindigt vanwege talloze tegenslagen, uitdagingen en vertragingen, waaronder het feit dat de (genoemde) expert die Aqualectra bij de aanbesteding begeleidde SSU illegaal heeft bevoordeeld en vertrouwelijke informatie aan SSU heeft doorgespeeld en het feit dat geen overeenstemming kon worden bereikt met Curinde over (de, ook juridische, vormgeving van) de installatie van zonnepanelen op haar daken. Het einde van het project betekende ook het einde van de PPA. Een gelijksoortige brief is niet aan SSU gestuurd.
2.1.9
Het project is na de beëindiging van de aanbesteding niet (op andere wijze) voortgezet en Aqualectra heeft geen voornemen het te hervatten of een ander zonnepanelenproject te starten.
2.2
Vorderingen
2.2.1
SSU vordert, na wijziging van eis in hoger beroep, samengevat:
primaireen verbod aan Aqualectra om het project (opnieuw) aan CMEC te gunnen dan wel een gebod die gunning in te trekken, een verbod om de aanbesteding in trekken, een gebod om het project te gunnen aan SSU en een vertragingsschade van
NAf 3.266.300;
subsidiair, als gunning niet meer aan de orde is, te verklaren voor recht dat de aanbesteding onrechtmatig is verlopen en dat Aqualectra en CMEC daarvoor aansprakelijk zijn, en een schadevergoeding van USD 9.711.842 aan gederfd inkomen;
meer subsidiair, voor het geval dat SSU geen recht zou hebben op vergoeding van het volledige gederfd inkomen, te verklaren voor recht dat aan SSU een kans op gunning is onthouden vanwege het onrechtmatig verloop van de aanbesteding en dat Aqualectra en CMEC daarvoor aansprakelijk zijn, en een vergoeding van de waarde van die ontnomen kans van minimaal NAf 2.714.500 en maximaal
NAf 17.287.078;
uiterst subsidiair, voor het geval dat SSU alleen recht heeft op de offertekosten, hoofdelijke veroordeling van Aqualectra en CMEC tot betaling van NAf 2.714.500;
in alle gevallenveroordeling van Aqualectra tot betaling van NAf 450.000 aan kosten voor de vele inspanningen om Aqualectra te doen inzien dat CMEC onrechtmatig bezig is geweest, en mede ook bedoeld ter voorkoming van een rechtszaak.
2.2.2
SSU legt aan de vorderingen ten grondslag dat zowel de intrekking als het verloop van de aanbesteding onrechtmatig waren.
2.3
Beslissingen van het Gerecht
2.3.1
Het Gerecht heeft alle vorderingen van SSU afgewezen en haar veroordeeld in de proceskosten van Aqualectra, CMEC en CMEC Dutch Caribbean.
2.3.2
Het Gerecht heeft deze beslissing aldus gemotiveerd:
- Aqualectra was op grond van artikel 3.4 TID bevoegd de aanbesteding in te trekken en dat was niet onrechtmatig;
- de vordering om de gunning aan CMEC ongedaan te maken en het project te gunnen aan SSU is achterhaald door de intrekking;
- de gestelde schade (gederfd inkomen en offertekosten) staat niet in voldoende causaal verband met de aan Aqualectra en CMEC verweten gedragingen; niet aannemelijk is dat het project zonder die veronderstelde tekortkomingen wel zou zijn doorgegaan.
2.4
Beoordeling door het Hof
2.4.1
CMEC Dutch Caribbean heeft reeds bij conclusie van antwoord in eerste aanleg gesteld dat zij niet behoort tot de partij die heeft ingeschreven op de aanbesteding. Dit verweer heeft SSU niet weerlegd en de hoedanigheid van inschrijver (
Bidder) van CMEC Dutch Caribbean volgt niet uit door SSU gestelde feiten voor zover vaststaand. De vordering tegen CMEC Dutch Caribbean moet reeds om deze reden worden afgewezen.
2.4.2
Aqualectra is geen overheidsinstelling. Dat zij een zogenoemde overheids-NV is, waarvan de aandelen worden gehouden door het Land, maakt haar niet tot een orgaan van het Land. Aqualectra was dan ook niet verplicht bij de aanbesteding de regels van het Lba te volgen. Dat Aqualectra deze regels heeft geïncorporeerd in haar aanbestedingsprocedure heeft haar niet de bevoegdheid ontnomen ervan af te wijken en met SSU anders overeen te komen dan zou volgen uit volledige toepasselijkheid van het Lba.
2.4.3
Aqualectra heeft in de TID onder meer de hiervoor geciteerde bepalingen opgenomen. SSU heeft de gelding van deze bedingen met haar verklaring van 24 mei 2019 aanvaard. De bedingen maken dus deel uit van de overeenkomst en voor zoveel nodig derogeren ze aan de regels van het Lba of op aanbestedingen toepasselijke, niet-dwingendrechtelijke regels. Het antwoord op de vraag waarom dit anders zou zijn, is SSU ter zitting schuldig gebleven.
2.4.4
Op grond van artikel 3.4 TID mocht Aqualectra, ook jegens SSU, de aanbesteding beëindigen. Die bevoegdheid is ruim geformuleerd (
unilaterally, if it sees grounds to do so) en het zal niet snel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn om een (voormalige) inschrijver zoals SSU aan dit beding te houden. SSU heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die, als ze vast zouden staan, kunnen leiden tot het oordeel dat de gevolgen van het algemene besluit van Aqualectra tot intrekking, individueel voor SSU, onaanvaardbaar zijn.
2.4.5
Dit neemt niet weg dat een bevoegdheid als deze kan worden misbruikt. Daarvan zou onder meer sprake zijn geweest wanneer Aqualectra de aanbesteding zou hebben beëindigd met geen ander doel dan SSU te schaden of wanneer Aqualectra in redelijkheid niet tot het besluit om de aanbesteding in te trekken had kunnen komen (art. 3:13 lid 2 BW). Van omstandigheden die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat Aqualectra haar bevoegdheid jegens SSU heeft misbruikt, is niet gebleken. Zulk een oordeel zou ook niet te rijmen zijn met het vaststaande feit dat SSU op de datum van het intrekkingsbesluit van Aqualectra al lang niet meer meedeed aan de aanbestedingsprocedure. Zij werd door de intrekking niet geschaad in actuele belangen, althans niet in belangen waarmee Aqualectra bij haar intrekkingsbesluit redelijkerwijs rekening had moeten houden.
2.4.6
SSU heeft de waarachtigheid van de feiten die Aqualectra aan de intrekking ten grondslag heeft gelegd betwist en aangeboden de juistheid van die betwisting te bewijzen. Het Hof komt aan bewijslevering hierover niet toe. Aqualectra was namelijk niet verplicht om SSU over de beëindiging te informeren, laat staan om die tegenover SSU te motiveren, al helemaal niet uitgebreider dan zij heeft gedaan in haar brief aan CMEC van 20 september 2021. Op die datum was SSU al lang, sinds 22 november 2019, van verdere deelname aan de aanbesteding uitgesloten. SSU was dan ook geen (
Candidate) Biddermeer als bedoeld in artikel 3.4 TID en Aqualectra had jegens SSU niet de mededelingsplicht van art. 42 lid 2 Lba. In het midden kan blijven of, zoals SSU stelt, uit art. 42 lid 1 Lba een uitgebreidere motiveringsplicht voortvloeide. Deze zou alleen jegens CMEC hebben gegolden en die maakte er kennelijk geen aanspraak op.
Slotsom t.a.v. de primaire vordering
2.4.7
De intrekking van de aanbesteding was niet onrechtmatig. Voor zover de vorderingen van SSU erop zijn gebaseerd dat dit wel het geval was, moeten ze worden afgewezen. Schadevergoeding is dan niet aan de orde. De afwijzing geldt ook voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op de aannames dat het project alsnog doorgang zal vinden en de gunning aan CMEC nog bestaat en/of dat de aanbesteding kan worden hervat waarbij de gunning aan CMEC zou kunnen en moeten worden vervangen door een gunning aan SSU. Die aannames zijn immers onjuist gebleken. Een handeling die al is verricht kan, tot slot, niet worden verboden.
2.4.8
De vraag of Aqualectra en CMEC in de loop van de aanbesteding jegens SSU onrechtmatig hebben gehandeld, waarop een positief antwoord ten grondslag ligt aan de subsidiaire vordering, kan in deze zaak onbeantwoord blijven. Volgens SSU bestond die onrechtmatigheid er met name uit dat CMEC een valse of onvoldoende
commitment letteren
performance warrantyheeft ingediend, die Aqualectra heeft aanvaard. Ook als deze stelling van SSU juist zou zijn dan was het, in dat geval, in strijd met de aanbestedingsvoorschriften handelen van Aqualectra en/of CMEC niet de oorzaak van de schade van SSU. Er bestaat geen conditio sine qua non verband tussen beide. Anders gezegd: ook bij het ontbreken van onregelmatigheden in de aanbestedingsprocedure zou het project niet door SSU zijn uitgevoerd en zou zij er geen winst op hebben gemaakt. Het project is immers, als gevolg van de zojuist rechtmatig geoordeelde beëindiging, door niemand uitgevoerd en niemand heeft er winst op gemaakt.
2.4.9
Het besluit van Aqualectra tot intrekking van de aanbesteding en beëindiging van het project was blijkens haar brief aan CMEC van 7 augustus 2019 overigens niet gebaseerd op door Aqualectra geconstateerd onrechtmatig handelen van CMEC in de aanbestedingsprocedure. Het besluit was wel, mede, gebaseerd op onrechtmatige samenspanning tussen SSU en de expert die Aqualectra begeleidde. Of de conclusie van Aqualectra dat CMEC zich niet en SSU zich wel schuldig heeft gemaakt aan toerekenbare tekortkomingen tijdens de aanbesteding juist is, hoeft in deze procedure niet te worden beoordeeld. Ook wanneer vast zou staan dat CMEC een
commitment letteren
performance warrantyheeft ingediend waar een luchtje aan zat dat Aqualectra heeft genegeerd, reden waarom CMEC had moeten worden gediskwalificeerd, volgt daar namelijk niet uit dat SSU als
preferred bidderzou zijn geselecteerd. Daarvoor had SSU om te beginnen aan tal van in de TRI en TR gestelde voorwaarden moeten voldoen. Het staat niet vast dat SSU daaraan voldeed, gelet op de door Aqualectra aan haar offerte toegekende score. Aqualectra was volgens artikel 4.2.1 TID niet verplicht een PPA aan te gaan, ook niet met de - in dit scenario - laatst overgebleven inschrijver SSU. Aqualectra verdacht SSU van fraude. Gelet op deze omstandigheden, die ook in dit scenario zouden hebben bestaan, is het niet aannemelijk dat het tot een overeenkomst tussen SSU en Aqualectra zou zijn gekomen. Ook in zoverre ontbreekt het voor aansprakelijkheid vereiste conditio sine qua non verband tussen (verondersteld) onrechtmatig handelen van Aqualectra en/of CMEC enerzijds en (veronderstelde) schade van SSU anderzijds.
2.4.10
Ter zitting heeft SSU verduidelijkt dat met de woorden ”gederfd inkomen” in de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen gederfde winst (omzet minus kosten) is bedoeld. Het Hof merkt op dat een winst van USD 9.711.842, op een totale aanneemsom die volgens de vertegenwoordiger van SSU ter zitting ongeveer USD 15.000.000 bedroeg, vragen oproept over het realiteitsgehalte van de berekeningen van SSU, ook op andere onderdelen. Die vragen hoeven nu niet te worden beantwoord. Ze dragen wel bij aan het oordeel dat niet aannemelijk is dat SSU, bij het wegvallen van CMEC, als winnaar van de aanbesteding zou zijn aangewezen en met Aqualectra de PPA zou hebben gesloten.
Slotsom t.a.v. de subsidiaire vordering
2.4.11
De gevorderde verklaring voor recht dat de aanbesteding onrechtmatig is verlopen wordt niet gegeven. Er is dan ook geen grond om Aqualectra of CMEC te veroordelen tot betaling van schadevergoeding. De vorderingen moeten worden afgewezen.
2.4.12
SSU heeft ter zitting verduidelijkt dat haar meer subsidiaire vordering aldus moet worden begrepen dat, uitgaande van uitsluiting van CMEC op grond van haar fraude bij de aanbesteding gevolgd door gunning aan een in dat opzicht onverdachte SSU, met wie Aqualectra dan de PPA zou hebben gesloten, de (waarde van de ontnomen) kans moet worden berekend dat SSU erin geslaagd zou zijn om de PPA tot een goed einde te brengen, onder andere door wél afspraken met Curinde te maken.
2.4.13
Deze grondslag hangt aan elkaar van aannames die (gelet op de voorgaande overwegingen) onjuist of op zijn best speculatief zijn, en onvoldoende basis bieden voor vaststelling van enige aansprakelijkheid en kansberekening. Aqualectra heeft niet onrechtmatig gehandeld jegens SSU tijdens de aanbesteding, vast staat geenszins dat CMEC dat heeft gedaan en daarom had moeten worden gediskwalificeerd, niet uitgesloten is dat SSU heeft gefraudeerd en terecht is gediskwalificeerd, Aqualectra was niet verplicht om na het afvallen van CMEC SSU als winnaar te selecteren omdat niet vaststaat dat zij de technische expertise en ervaring had, niet aannemelijk (gemaakt) is dat tussen Aqualectra en SSU de PPA zou zijn gesloten en evenmin aannemelijk (gemaakt) is dat SSU er wel in zou zijn geslaagd om met Curinde tot een overeenkomst te komen.
Slotsom t.a.v de meer subsidiaire vordering
2.4.14
De vordering moet bij gebreke van een deugdelijke grondslag worden afgewezen.
2.4.15
De aanspraak van SSU op, met de uiterst subsidiaire vordering gevorderde, offertekosten is uitgesloten in artikelen 3.4 en 3.6 TID. Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat Aqualectra zich jegens SSU redelijkerwijs niet op dit beding kan beroepen. Waarom CMEC (ook) voor deze vordering hoofdelijk aansprakelijk zou zijn, heeft SSU niet gemotiveerd.
Slotsom t.a.v de uiterst subsidiaire vordering
2.4.16
De vordering wordt afgewezen.
2.4.17
De bij eerste lezing onbegrijpelijke grondslag van de vordering “voor alle gevallen” is door de gemachtigde van SSU ter zitting verduidelijkt. De grondslag is art. 6:96 BW. Dit artikel geeft aanspraak op vergoeding van redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade en verkrijging van voldoening buiten rechte. Zulke kosten worden toegewezen aan de partij die zijn hoofdvordering toegewezen krijgt, en dat krijgt SSU niet.
Slotsom ten aanzien van de vordering “voor alle gevallen”
2.4.18
De vordering wordt afgewezen.
Conclusie en proceskosten
2.4.19
Het hoger beroep slaagt niet. Het vonnis van het Gerecht wordt bevestigd.
SSU is hiermee de in het ongelijk gestelde partij, die wordt veroordeeld in de proceskosten van geïntimeerden. Deze worden tot de uitspraak van dit vonnis begroot zoals hierna te vermelden.
B E S L I S S I NG
Het Hof:
bevestigt het tussen partijen gewezen en op 26 februari 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao;
veroordeelt SSU in de proceskosten,
- aan de zijde van Aqualectra begroot op Cg 402,89 aan verschotten en
(3,5 x 9.000 =) Cg 31.500 aan salaris gemachtigde;
- aan de zijde van CMEC en CMEC Dutch Caribbean gezamenlijk begroot op
Cg 402,89 aan verschotten en (3,5 x 9.000 =) Cg 31.500 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na vandaag;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.P. van Unen, J. de Boer en W.P.M. ter Berg, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 16 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.