ECLI:NL:OGHACMB:2025:325

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
CUR2023H00356
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over de geldigheid van een vaststellingsovereenkomst in een civiele bouwzaak

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [appellant] tegen een vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, waarin hij werd veroordeeld tot betaling van Naf 30.000 aan de besloten vennootschap Key in Investment B.V. De zaak betreft een geschil over een vaststellingsovereenkomst die partijen op 21 april 2023 hebben gesloten, waarin [appellant] zich verplichtte tot betaling van het genoemde bedrag. Het Gerecht oordeelde dat de vaststellingsovereenkomst bindend was en dat [appellant] niet kon ontkomen aan de verplichtingen die daaruit voortvloeiden. In hoger beroep heeft [appellant] betoogd dat de overeenkomst voorwaardelijk was en dat hij niet in staat was om te betalen omdat hij geen financiering kon krijgen van de bank. Het Hof heeft echter geoordeeld dat de overeenkomst geen voorwaardelijk karakter had en dat [appellant] gebonden was aan de afspraken die in de overeenkomst waren vastgelegd. Het Hof bevestigde het vonnis van het Gerecht en oordeelde dat er geen sprake was van dwaling of onjuiste inlichtingen van de wederpartij. De kosten van het hoger beroep werden toegewezen aan Key.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2025
Zaaknummers: CUR202204677 – CUR2023H00356
Uitspraak: 16 december 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[appellant],
wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
thans appellant,
gemachtigde: mr. M.C.G.G. van Hoek,
tegen
de besloten vennootschap
KEY IN INVESTMENT B.V.,
gevestigd in Curacao,
in eerste aanleg eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,
thans geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. Th. Aardenburg en E.G.I. van der Plank.
Partijen worden hierna [appellant] en Key genoemd.

1.De zaak in het kort

Key heeft een woning gebouwd voor [appellant]. Over die bouw zijn geschillen gerezen tussen partijen. Om daaraan een einde te maken is een vaststellingsovereenkomst gesloten.
Het Gerecht heeft in het vonnis waarvan beroep beslist conform die vaststellingsovereenkomst, inhoudende veroordeling van [appellant] tot betaling van Naf 30.000.
Het hoger beroep van [appellant] daartegen slaagt niet. Het vonnis van het Gerecht wordt bevestigd.

2.Het verloop van de procedure

2.1
Bij op 28 december 2023 ingekomen akte van appel is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 20 november 2023 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao.
2.2
Bij op 8 februari 2024 ingekomen memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] zeven grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis van 20 november 2023 zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, Key zal veroordelen tot betaling van
- Naf 149.900 boete naar aanleding van geen dan wel te late oplevering en/of
- te vermeerderen met de somma van Naf 10.350 als schadebedrag vanwege
aanvullend geleden schade zijdens [appellant], en/of;
- te vermeerderen met de somma van Naf 53.725,- ter dekking van kosten die [appellant] zal moeten maken om de herstelwerkzaamheden in zijn huis te laten verrichten;
- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2023, althans vanaf de datum van indiening van de akte appel, tot aan de dag der algehele voldoening,
- met veroordeling van Key in de kosten van beide instanties.
2.3
Bij op 20 mei (per mail) respectievelijk 21 mei (op papier) 2024 ingekomen memorie van antwoord heeft Key de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal bevestigen en [appellant] zal veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep, subsidiair [appellant] zal veroordelen tot betaling van de door Key in conventie gevorderde bedragen en af zal wijzen de door [appellant] in reconventie gevorderde bedragen en [appellant] zal veroordelen in de proceskosten.
2.4
Op de daarvoor bepaalde dag hebben partijen pleitnotities ingediend.
2.5
Het Hof heeft een mondelinge behandeling bepaald op 28 november 2025. [appellant] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Key is verschenen bij haar gemachtigde. Zij hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van het Hof beantwoord. Vonnis is bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2
Ter zitting van 21 april 2023 hebben partijen de volgende vaststellingsovereenkomst gesloten:
Partijen zijn overeengekomen het geschil in beginsel als volgt te beeindigen.
1. [appellant] is aan Key In een bedrag verschuldigd van NAf 30.000. [appellant] zal in
dat verband binnen 5 werkdagen na heden contact opnemen met de bank en
een verzoek indienen tot betaling van dit bedrag aan Key In. Indien na 30 dagen
na indiening van voornoemd verzoek niet in positieve zin is beslist door de
bank zal de procedure worden voortgezet. Dat betekent dat in dat geval een
vonnis zal worden gewezen.
2. Indien de bank binnen de hiervoor genoemde termijnen het bedrag van
NAf 30.000 beschikbaar stelt verklaren partijen over en weer - behoudens het
voorgaande niets meer van elkaar te vorderen te hebben. In dat geval wordt
ook het door Key In ingestelde appel in de kort geding procedure met nummer
CUR202201949 ingetrokken.
3. In dat geval worden de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere partij
de eigen kosten draagt.
4. Partijen zien of van het recht om ontbinding van deze overeenkomst te
vorderen.
5. De procedure wordt doorgehaald in het geval het bedrag van NAf 30.000 door
[appellant] aan Key In wordt voldaan binnen de hiervoor genoemde termijnen.
3.3
Op 15 augustus 2023 heeft de gemachtigde van [appellant] het volgende bericht aan het Gerecht:
Namens mijn client, de heer [appellant], verder te noemen gedaagde, richt ik mij tot u inzake het volgende.
In opgemelde zaak heeft op 21 april 2023 een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
(…)
Hoe mij is medegedeeld, is na een uitvoerige behandeling ter zitting (…) een regeling is overeengekomen zoals opgenomen in de aan het proces-verbaal van die zitting gehechte vaststellingsovereenkomst (…).
Mede nu ik als nieuwe gemachtigde ben toegetreden en er sprake is van relevante feiten en omstandigheden die, voor zover ik kan nagaan, niet bekend waren noch bekend verondersteld konden worden, verzoek ik om partijen gelegenheid te bieden voor repliek en dupliek danwel een termijn te stellen voor het dienen van een Akte, dit met het oog op een goede c.q. volledige instructie van de zaak.
Reden waarom ik bovenstaande namens gedaagde verzoek is (kort weergegeven) gelegen in twee nader toe te lichten omstandigheden.
Ten eerste licht gedaagde graag de reden toe waarom hij niet heeft kunnen voldoen aan hetgeen is opgenomen in de vaststellingsovereenkomst zoals voornoemd.
Ten tweede zijn nieuwe feiten aan het licht gekomen waardoor sprake is van gewijzigde omstandigheden.
(…)
Nadat aan gedaagde de sleutel van zijn woning is overgedragen (hetgeen niet opgevat kan of mag worden als oplevering van de woning), is hem gebleken dat zich nog meer gebreken vertoonden aan de woning dan eerder duidelijk was. Een enkel doch evident voorbeeld is dat hem gebleken is dat in een gedeelte van de woning, te weten de keuken, überhaupt geen electriciteitsbedrading was getrokken. Dit was hem bij de 'oplevering' niet gebleken en kon van hem ook redelijkerwijs niet verwacht worden te onderzoeken.
In de keuken waren weliswaar spotlampjes aangebracht welke evenwel reeds toen niet functioneerden. Het licht ging (gaat) enkel aan via de hoofdschakelaar doch niet via een lichtknop die daartoe geeigend is in de keuken zelf.
Gedaagde verzocht eiseres een en ander te corrigeren hetgeen nimmer is gebeurd.
Inmiddels is gedaagde dus evenwel gebleken wat de oorzaak van het niet functioneren van de lichtknop is, te weten het felt dat er überhaupt geen bedrading is aangelegd van de verlichtingsarmaturen naar de schakelaar!
Aangenomen moet dan ook worden dat nimmer een keuring door Aqualectra heeft plaatsgevonden.
Gedaagde heeft nadat dit hem gebleken was een erkende architect / bouwkundig expert ingeschakeld om onderzoek te doen en een rapport op te stellen ten aanzien van de vertoonde gebreken.

4.Vorderingen

4.1
Key heeft in dit geding in eerste aanleg in conventie gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van NAf 59.408,33, vermeerderd met de wettelijke rente en proceskosten.
4.2 [
appellant] heeft in reconventie gevorderd Key te veroordelen tot betaling van
NAf 115.000 en Naf 42.485,16, vermeerderd met de proceskosten.

5.Beslissingen van het Gerecht

5.1
Het Gerecht heeft (in conventie en reconventie) [appellant], uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling aan Key van Naf 30.000. De proceskosten zijn gecompenseerd.
5.2
Overwogen is door het Gerecht dat partijen ter zitting van 21 april 2023 ter beëindiging van hun geschil een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten en dat daarin is opgenomen dat partijen afzien van het recht om ontbinding van de overeenkomst te vorderen. Gevolg daarvan is dat [appellant] gebonden is aan de inhoud van die overeenkomst. Om die reden wordt hij veroordeeld tot betaling van het daarin opgenomen bedrag van NAf 30.000.

6.De beoordeling door het Hof

De inhoud van de vaststellingsovereenkomst
6.1
De vaststellingsovereenkomst hield in, aldus [appellant], dat Naf 30.000 zou worden betaald als [appellant] dat bedrag gefinancierd kreeg bij de bank. Dat is niet gelukt. Van een verplichting tot betaling was daarom geen sprake en het Gerecht had moeten oordelen over het oorspronkelijke geschil. Ter onderbouwing van zijn standpunt stelt hij
- dat partijen hun geschil ‘in beginsel’ wilden beëindigen (aanhef vaststellingsovereenkomst);
- dat bepaald is dat de ‘procedure zal worden voortgezet’ en dat ‘in dat geval een vonnis zal worden gewezen’ als de bank niet binnen 30 dagen positief beslist op het financieringsverzoek van [appellant];
- dat wederzijds finale kwijting wordt verleend ‘indien de bank binnen de hiervoor genoemde termijnen het bedrag van Naf 30.000 beschikbaar stelt’ en
- dat ‘in dat geval’ de proceskosten worden gecompenseerd.
6.2
Om te beoordelen of [appellant] in dit standpunt gevolgd moet worden zal de vaststellingsovereenkomst worden uitgelegd volgens de maatstaf van HR 13 maart 1981, ECLI:NLHR:1981:AG4158, Haviltex. In het bijzonder zijn dan van belang de omstandigheden waaronder deze vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen.
6.3
Tijdens de mondelinge behandeling bij het Hof heeft [appellant] verklaard dat hij destijds heeft ingestemd omdat hem dat werd geadviseerd door zijn advocaat en hij van de zaak af wilde. Hij heeft geprobeerd financiering te krijgen, maar dat is, helaas, niet gelukt; ook een afbetalingsregeling kon niet totstandkomen. Toen hij, na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, ontdekte dat de woning allerlei gebreken vertoonde voelde hij zich op het verkeerde been gezet.
6.4
De e-mail van de gemachtigde van [appellant] aan het Gerecht van 15 augustus 2023 bevestigt dit. Als reden om de procedure voort te zetten wordt daarin gewezen op de, na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, aan het licht gekomen gebreken.
6.5
Key heeft bij monde van haar gemachtigde tijdens de mondelinge behandeling door het Hof meegedeeld dat zij destijds de getroffen regeling als een finale regeling beschouwde. Wel hield zij er rekening mee dat [appellant] er wellicht niet binnen de termijn van 30 dagen in zou slagen financiering te verkrijgen. Voor dat geval was ingebouwd dat er eerst nog een vonnis moest komen; dat gaf [appellant], zo nodig, extra tijd, waarmee Key geen onoverkomelijke moeite mee had.
6.6
De standpunten van partijen wijzen aldus duidelijk in de richting van een finale, onvoorwaardelijke, regeling. De rechter die op 21 april 2023 de zitting deed en die later het vonnis heeft gewezen heeft, getuige dat vonnis, als bedoeling van partijen kennelijk ook begrepen dat een finale regeling was getroffen, die niet afhankelijk was van de voorwaarde van financiering door de bank.
6.7
De in de vaststellingsovereenkomst gebruikte bewoordingen zijn enigszins verwarrend, maar niet strijdig met deze bedoeling van partijen en zij dwingen ook niet tot een andere interpretatie van de bedoelingen van partijen. Indien een vaststellingsovereenkomst is vastgelegd in een proces-verbaal van een zitting is daarmee een executoriale titel verkregen. Een vonnis is dan niet meer nodig, maar als partijen toch een vonnis wensen staat geen rechtsregel aan het wijzen daarvan in de weg. Dat de procedure zou worden voortgezet als de bank niet binnen 30 dagen financiering zou verstrekken past daarom in het beeld dat partijen beoogden, zo nodig, via een vonnis een executoriale titel te krijgen voor het overeengekomen bedrag van NAf 30.000, met als bijkomend voordeel voor [appellant] dat hij meer tijd kreeg om, alsnog, dat bedrag te betalen. De finale kwijting zou ook dan pas gelden na die (uitgestelde) betaling.
6.8
Het oordeel van het Gerecht dat partijen aan de vaststellingsovereenkomst waren gebonden en om die reden vonnis gewezen kon worden conform artikel 1 van die vaststellingsovereenkomst is dan ook juist. Ook het oordeel dat ontbinding was uitgesloten was juist omdat dit in de vaststellingsovereenkomst is bepaald, daargelaten de vraag of de e-mail van de gemachtigde van 15 augustus 2023 een (verzoek om) ontbinding inhield.
Vernietiging vaststellingsovereenkomst
6.9
Of het Gerecht uit de e-mail van de gemachtigde van 15 augustus 2023 had moeten opmaken dat [appellant] vernietiging van de vaststellingsovereenkomst heeft gevorderd op grond van dwaling, kan in het midden worden gelaten. In hoger beroep heeft hij dat in ieder geval wel gevorderd.
6.1
Daartoe is door hem het volgende gesteld. Pas toen hij de sleutels van de woning op 12 oktober 2022 had ontvangen van Key kon hij deze inspecteren. Hem is toen gebleken dat de woning nog meer gebreken vertoonde dan eerder al duidelijk was. Als voorbeeld noemt [appellant] niet functionerende spotlights (deze gingen slechts aan/uit via de hoofdschakelaar, niet via de schakelaar in de keuken) en onvolledig uitgevoerd meerwerk. Toen bleek dat [appellant] geen lening kon krijgen om uitvoering te geven aan de vaststellingsovereenkomst heeft hij een architect ingeschakeld om de gebreken aan de woning in kaart te brengen. Deze heeft een rapport opgemaakt en daaruit bleek van nog veel meer gebreken.
6.11
Als sprake is van een vaststellingsovereenkomst moeten rechters zich terughoudend opstellen bij een verzoek om vernietiging op grond van dwaling. De aard van een vaststellingsovereenkomst, het definitief beslechten van een geschil om onzekerheid over de uitkomst weg te nemen, staat een beroep op dwaling in beginsel in de weg. Een vaststellingsovereenkomst kan wel worden vernietigd wegens dwaling als de onjuiste voorstelling van zaken geen betrekking heeft op de onzekerheid die door de zekerheid van de vaststellingsovereenkomst is vervangen. Ook kan een beroep op dwaling succesvol zijn als later blijkt dat één van de partijen heeft gedwaald over punten waarover geen enkele onzekerheid tussen partijen heeft bestaan.
6.12
Geen van beide situaties doet zich voor. In eerste aanleg procedeerden partijen over:
a. de vordering van Key tot betaling van haar facturen;
b. de vordering van [appellant] tot betaling van boete wegens te late oplevering;
c. schade van [appellant] als gevolg van extra bankkosten (door de te late oplevering veroorzaakt).
De vaststellingsovereenkomst maakte in ieder geval aan de onzekerheid over de afloop van het geschil met betrekking tot die punten een einde.
6.13
Uit de stellingname van [appellant] blijkt echter dat hij (afgezien van het door hem verdedigde, maar hiervoor onjuist geoordeelde, voorwaardelijke karakter van de vaststellingsovereenkomst) van oordeel is dat de vaststellingsovereenkomst finale kwijting inhield voor alle geschillen die te maken hadden of konden hebben met de uitvoering van de aannemingsovereenkomst. Hij stelt immers dat vernietiging van de vaststellingsovereenkomst nodig is om een beoordeling te kunnen krijgen van de rechter over de, in eerste aanleg nog geen onderdeel van het geschil zijnde, herstelkosten van Cg 53.725. Ook Key gaat daarvan uit, getuige het feit dat haar verweer beperkt is tot de betwisting van de gestelde dwaling. De nu gevorderde herstelkosten vielen dus binnen het bereik van de vaststellingsovereenkomst en de clausule over finale kwijting sloeg ook daarop.
6.14
Van dwaling is sprake indien
- de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten;
- de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten (art. 6:228 aanhef en lid 1 en 2 BW).
6.15
Dat Key onjuiste inlichtingen heeft verstrekt, laat staan welke, heeft [appellant] niet gesteld.
6.16
Van onbekendheid bij hem met de gebreken was, de stellingen van [appellant] volgend, ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst geen sprake. Immers, nadat hij op 12 oktober 2022 de sleutels van de woning had ontvangen van Key kon hij deze inspecteren en heeft hij dat ook ‘rustig en zelfstandig’ (memorie van grieven sub 37) gedaan. Daarbij bleek van gebreken, zoals niet functionerende spotlights en onvolledig uitgevoerd meerwerk. Op het moment van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst (21 april 2023) was hij dus met die gebreken bekend. Een mededeling van Key was daarvoor niet nodig. Het kan zijn dat de exacte omvang van de gebreken toen nog niet duidelijk was, maar de vrees dat er meer aan de hand was bestond kennelijk, ook op 21 april 2023, al wel bij [appellant]. Hij heeft immers, toen hij geen financiering kon krijgen voor het nakomen van de vaststellingsovereenkomst, een architect ingeschakeld om een rapport op te stellen over de toestand van de woning. Ondanks deze bekendheid met bestaande en vrees voor nieuwe gebreken heeft [appellant], zonder nader onderzoek, de vaststellingsovereenkomst gesloten. Van dwaling ([appellant] meende en mocht menen dat er geen gebreken waren) was dus geen sprake.
7. Slotsom
Het hoger beroep slaagt niet. Het bestreden vonnis dient te worden bevestigd. [appellant] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Die kosten worden tot de datum van dit vonnis als volgt begroot:
- verschotten: Cg 354,73 (betekening memorie van antwoord)
- salaris advocaat Cg 6.000 (3 punten tarief 5 à Cg 2.000 per punt)
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het tussen partijen gewezen vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 20 november 2023;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van Key gevallen en begroot deze op Cg 354,73 aan verschotten en Cg 6.000 aan salaris advocaat;
wijs af wat meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mrs. W.P.M. ter Berg, J. De Boer en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 16 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.