ECLI:NL:OGHACMB:2025:322

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
CUR2023H00283
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over de verjaring van een studieschuld en de rechtsgeldigheid van een volmacht

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [appellante] tegen een vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, waarin werd geoordeeld dat haar studieschuld niet was verjaard. De studieschuld was ontstaan uit een overeenkomst van geldlening die op 22 september 2004 was gesloten tussen [appellante] en de stichting Stichting Studiefinanciering Curaçao (SSC) ter bekostiging van haar studie. Het Gerecht had [appellante] veroordeeld tot betaling van een bedrag van NAf 34.412,52, vermeerderd met rente en incassokosten. In hoger beroep heeft [appellante] betwist dat zij de brieven van SSC heeft ontvangen, waarin zij werd aangemaand tot betaling. Het Hof heeft echter geoordeeld dat de brieven met stuitende werking zijn verzonden en dat de verjaring van de vordering niet is ingetreden. Het Hof bevestigt het vonnis van het Gerecht en veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep. De uitspraak is gedaan op 18 november 2025.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2025
Zaaknummers: CUR202201764 – CUR2023H00283
Uitspraak: 18 november 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[appellante],
wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg gedaagde,
thans appellante,
gemachtigde: mr. C.S.F. Marshall,
tegen
de stichting
STICHTING STUDIEFINANCIERING CURAÇAO,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg eiseres,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. M.A. Koendjbiharie.
Partijen worden hierna [appellante] en SSC genoemd.

1.De zaak in het kort

Deze zaak gaat over de vraag of een studieschuld verjaard is.
Het Gerecht heeft geoordeeld dat daarvan geen sprake is en [appellante] veroordeeld tot betaling van de schuld.
Het Hof bevestigt het vonnis van het Gerecht.

2.Het verloop van de procedure

2.1
Bij op 16 oktober 2023 ingekomen akte van appel is [appellante] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 4 september 2023 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao.
2.2
Een memorie van grieven is niet ingediend.
2.3
Bij op 10 juni 2024 ingekomen memorie van antwoord heeft SSC het hoger beroep bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal bevestigen en [appellante] zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep.
2.4
Op de daarvoor bepaalde dag hebben beide partijen pleitnotities ingediend.
2.5
Het Hof heeft een mondelinge behandeling bepaald op 5 november 2025. Verschenen zijn toen de gemachtigde van SSC en [appellante], bijgestaan door haar gemachtigde. Vonnis is bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2
SSC en [appellante] hebben op 22 september 2004 een overeenkomst van geldlening gesloten van NAf 19.581,25 ter bekostiging van haar studie General Management. De looptijd van de lening is zes (6) jaar en de verschuldigde rente is 10% per jaar.
3.3 [
appellante] heeft haar studie per 1 september 2007 gestaakt. De studieschuld is daarmee direct opeisbaar geworden, derhalve op 1 september 2007.
3.4
Op 14 november 2008 heeft SSC aan [appellante] een brief gestuurd. Daarin werd zij geïnformeerd over de vervolgstappen in verband met de studieleningsovereenkomst. In het bijzonder is aangegeven dat het leningsbedrag vermeerderd met de verschuldigde rente
conform de voorwaarden van de leningsovereenkomst moet worden terugbetaald.
3.5
SSC heeft op 7 december 2009 en 2 november 2010 brieven gezonden aan [appellante]. Daarin is zij telkens verzocht om over te gaan tot het aflossen van haar lening. Dergelijke brieven zijn ook gezonden op 1 februari 2011, 24 september 2012, 26 februari 2013, 20 december 2013, 6 januari 2014, 8 augustus 2014, 13 augustus 2015, 18 november 2015, 17 augustus 2016, 13 oktober 2017 en 8 april 2022.
3.6
SSC heeft de incasso van haar vordering uitbesteed aan incassokantoor BvCM Antilia N.V. De zaak van [appellante] heeft daar zaaknummer [zaaknummer] gekregen. Volgens het dossier van dat incassokantoor zijn de volgende betalingen gedaan door [appellante]:
FK IncassoID boekingsdatum bedrag NAF
12698 06-06-2016 f 75,00
12698 10-05-2012 f 150,00
12698 05-03-2012 f 150,00
12698 06-02-2012 f 100,00
12698 01-04-2011 f 200,00

4.Vorderingen

SSC heeft in eerste aanleg gevorderd [appellante] te veroordelen tot betaling van
NAf 34.412,52, vermeerderd met de overeengekomen rente van 10% per jaar vanaf 25 januari 2021, vermeerderd met incassokosten ter hoogte van 15% van de hoofdsom en proceskosten.

5.Beslissingen van het Gerecht

5.1
Het Gerecht heeft [appellante] veroordeeld tot betaling van NAf 34.412,52, vermeerderd met de overeengekomen rente van 10% per jaar vanaf 25 januari 2021. Ook is [appellante] veroordeeld tot betaling van NAf 1.875 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten, met wettelijke rente over die proceskosten.
5.2
Overwogen is door het Gerecht
- dat de brief van SSC van 1 februari 2011 is aan te merken als een stuitingsbrief (rov 4.4);
- dat die brief, gelijk alle overige brieven, is gezonden aan het adres waarvan redelijkerwijs mocht worden aangenomen dat dit het adres van [appellante] was (rov 4.5 en 4.6);
- dat [appellante] meerdere deelbetalingen heeft gedaan, dat zij onvoldoende heeft weersproken de brief van 1 april 2011 te hebben ontvangen en eveneens onvoldoende heeft weersproken de deelbetaling van 4 april 2011 te hebben gedaan (rov. 4.7)
- dat de verjaring met de brief van 1 februari 2011 daarom tijdig is gestuit (rov 4.7).

6.De beoordeling door het Hof

De bezwaren van [appellante]
6.1
De bezwaren van [appellante] tegen het vonnis van het Gerecht laten zich als volgt samenvatten.
[appellante] betwist de ontvangst van de brief van 1 februari 2011 en alle andere brieven. Het enkele feit dat die brief is geadresseerd aan het adres [het adres], zonder aangetekende verzending of ander bewijs van ontvangst, is onvoldoende om te kunnen aannemen dat [appellante] die brief daadwerkelijk heeft ontvangen. Ook betwist zij naar aanleiding van die brief deelbetalingen te hebben gedaan. Uit de overgelegde specificatie van betalingen van het incassokantoor kan niet worden afgeleid dat het om betalingen door [appellante] ging. In dat verband is van belang dat [appellante] een tweelingzus heeft ([naam tweelingzus]) die ook een schuld bij SSC had. De vordering van SSC is dus verjaard. Dat geldt ook voor de periode van vijf jaren voorafgaand aan 9 mei 2022, zijnde de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift. Ook in die periode is geen stuitingsbrief ontvangen.
Kosteloos procederen
6.2
Uit het door [appellante] overgelegde bewijs van onvermogen blijkt genoegzaam dat zij niet in staat is de aan deze procedure verbonden kosten te dragen. Haar wordt daarom toegestaan kosteloos te procederen.
Verjaring
6.3
De vordering van SSC is opeisbaar geworden op 1 september 2007. De verjaringstermijn nam dus een aanvang op 2 september 2007 (artikel 3:307 lid 1 BW).
6.4
Alle in rov 3.5 hiervoor genoemde brieven zijn aan te merken als brieven met stuitende werking als bedoeld in artikel 3:317 BW, nu SSC zich daarin ondubbelzinnig het recht op nakoming voorbehoudt. Dat is door [appellante] ook niet betwist.
6.5
De verzending van deze brieven is evenmin betwist. Gesteld noch gebleken is dat die brieven aangetekend zijn verzonden. De ontvangst ervan wordt, in hoger beroep, wel betwist. Zoals het Gerecht (rov. 4.5) terecht heeft overwogen brengt een redelijke, op de behoeften van de praktijk afgestemde, uitleg van voornoemd artikel mee dat de afzender in beginsel feiten of omstandigheden dient te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring aldaar is aangekomen.
6.6 [
appellante] heeft bij de mondelinge behandeling verklaard dat zij in de periode van 2007 tot heden woont op het adres [het adres]. De, hiervoor genoemde, brieven van SSC in de periode van 2008 tot en met 2017 zijn alle aan dat adres verzonden. Omstandigheden waaruit kan blijken dat de postbezorging aan het adres [het adres] structureel zodanig onzeker was dat geen van de in de periode 2008 tot en met 2017 verzonden brieven (zie 3.5 hiervoor) is aangekomen zijn niet aangevoerd.
6.7
Door het incassokantoor zijn betalingen geregistreerd ten name van [appellante]. De stelling dat die betalingen eigenlijk gedaan zijn ten behoeve van haar tweelingzus en dus kennelijk onjuist zijn geadministreerd door het incassokantoor is niet onderbouwd. Weliswaar is er geen reden te twijfelen aan het bestaan van de tweelingzus en evenmin aan het feit dat deze ook een schuld aan SSC had, maar dat is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de administratie van het incassokantoor.
6.8
Daarbij komt dat [appellante] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard in het verleden wel een enkele betaling te hebben gedaan. Zij wist de exacte bedragen niet meer en evenmin de data waarop die betalingen zijn gedaan. Tegelijkertijd ontkent zij de betalingen die op het incasso-overzicht zijn vermeld te hebben gedaan. In het licht van de gedane betalingserkenning is die ontkenning niet geloofwaardig.
6.9
De eerste betaling is geregistreerd met betalingsdatum 1 april 2011. Dat is twee maanden na de aanmaningsbrief van 1 februari 2011. In die brief staat duidelijk hoe en waar (incassokantoor) moet worden betaald. Daarna zijn nog drie betalingen gevolgd in 2012. Nadat in 2012, 2013, 2014, 2015 opnieuw aanmaningsbrieven waren verzonden werd op 6 juni 2016 nogmaals een bedrag betaald.
6.1
Dit alles in onderling verband bezien maakt dat voldoende is onderbouwd door SSC dat al haar in rov. 3.5 hiervoor genoemde aanmaningen door [appellante] zijn ontvangen. Daarmee werd de verjaring tekens vanaf die aanmaning gestuit, laatstelijk derhalve op 8 april 2022. Binnen vijf jaar daarna is het inleidend verzoekschrift bij het Gerecht ingediend, namelijk op 9 mei 2022. De vordering van SSC is dus niet verjaard.

7.Slotsom

Het, enige, bezwaar van [appellante] tegen het gewezen vonnis slaagt niet. Dat vonnis dient te worden bevestigd. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [appellante] veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Die kosten worden als volgt begroot:
- verschotten Cg 394,80 (betekening memorie van antwoord)
- salaris gemachtigde Cg 5.000 (2,5 punten tarief à Cg 2.000 per punt)
B E S L I S S I N G
Het Hof:
staat [appellante] toe kosteloos te procederen;
bevestigt het tussen partijen gewezen vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 4 september 2023;
veroordeelt [appellante]
in de kosten van de procedure in hoger beroep en begroot die kosten op Cg 394,80 aan verschotten en Cg 5.000 aan salaris gemachtigde;
wijs af wat meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mrs. J. De Boer, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 18 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.