ECLI:NL:OGHACMB:2025:318

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
CUR2024H00096
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verjaring van studieschuld en eigendomsrecht op voertuig

In deze zaak gaat het om de eigendom van een voertuig, een BMW X6, dat door [appellante] is verkocht zonder toestemming van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] stelt dat zij rechthebbende is op het voertuig, dat op haar naam staat geregistreerd en dat zij de aankoopprijs deels heeft betaald. Het Gerecht in eerste aanleg heeft de vordering van [geïntimeerde] toegewezen, waarna [appellante] in hoger beroep ging. Het Hof bevestigt het vonnis van het Gerecht, oordelend dat [geïntimeerde] als houdster van het voertuig moet worden aangemerkt en dat [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld door het voertuig te verkopen zonder toestemming. Het Hof wijst de grieven van [appellante] af en bevestigt de veroordeling tot schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2025
Zaaknummers: CUR202204746 – CUR2024H00096
Uitspraak: 18 november 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[appellante],
wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg oorspronkelijk gedaagde, eiseres in verzet,
thans appellante,
gemachtigden: mrs. L.G. Da Costa Gomez en A. Perigault Monte,
tegen
[geїntimeerde],
wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg oorspronkelijk eiseres, gedaagde in verzet,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. J.E. Lovert.
Partijen worden hierna [appellante] en [geїntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

Deze zaak gaat over de vraag wie rechthebbende op een auto was. [geïntimeerde] stelt dat zij rechthebbende was. De auto is door [appellante] zonder haar instemming (door)verkocht. Dat was volgens [geïntimeerde] onrechtmatig. Zij vordert daarom schadevergoeding.
Het Gerecht heeft de vordering van [geïntimeerde] toegewezen.
Het hoger beroep slaagt niet. Het eindvonnis van het Gerecht wordt bevestigd.

2.Het verloop van de procedure

2.1
Bij op 15 april 2024 ingekomen akte van appel is [appellante] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 11 maart 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, ECLI:NL:OGEAC:2024:105.
2.2
Bij op 24 mei 2024 ingekomen memorie van grieven heeft [appellante] drie grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen en [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.
2.3
Bij op 18 juli 2024 ingekomen memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis zal bevestigen en [appellante] zal veroordelen in de proceskosten in beide instanties.
2.4
Op de daarvoor bepaalde datum hebben beide partijen pleitnotities ingediend. Door [geïntimeerde] zijn daarbij drie producties (11 tot en met 13) overgelegd.
2.5
Het Hof heeft een mondelinge behandeling bepaald op 3 november 2025. Partijen hebben laten weten daar geen prijs op te stellen en hebben verzocht uitspraak te doen op de stukken. Ook het Hof ziet thans geen noodzaak meer voor een mondelinge behandeling. Vonnis is nader bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2
Wijlen [wijlen] was de zoon van [geïntimeerde]. Hij hield zich bij leven onder meer bezig met de in- en (door)verkoop van voertuigen en
vaartuigen. Hij is overleden op [overlijdensdatum] 2021.
3.3 [
wijlen] had vanaf 2017 tot aan zijn overlijden een affectieve relatie met
[appellante]. Zij woonden samen op een perceel waar [geïntimeerde] ook woonde. Na het overlijden van [wijlen] is [appellante] nog enige tijd op dit perceel blijven wonen.
3.4
Op 12 mei 2021 is een BMW X6 (hierna: het voertuig) voor het bedrag van
NAf 66.015 (koopprijs NAf 66.000 en NAf 15 voor ‘Name ownership transfer’) gekocht bij International Automobiles B.V. De invoice voor de aankoop staat op naam van [geïntimeerde].
3.5
Op de keuringskaart nr. 1041947 van 12 mei 2021 behorende bij het voertuig
staat [geïntimeerde] als houder vermeld.
3.6
Op of omstreeks 22 december 2021 heeft [appellante] het voertuig verkocht en geleverd aan [betrokkene] (verder: [betrokkene]). De koopprijs is door [betrokkene] aan [appellante] voldaan.
3.7
Op 22 december 2021 is met betrekking tot het voertuig een Tegenaangifteformulier motorrijtuigenbelasting van de Ontvanger (ook wel het roze
formulier genoemd) ondertekend met de naam [geïntimeerde], die ook als verkoper is vermeld en waarbij [betrokkene] als koper is vermeld.
3.8
Een verklaring van I. Garcia, huisarts, van 1 februari 2022 luidt - voor zover hier van belang - als volgt:
" (...) Patient [geïntimeerde] (...)
Hago constar que la paciente antes mencionada presento un cva/hemiplejia derecho septiembre 2021, estuvo en rehabiltacion internada y tiene aun imposibilidat parafirmar (...)."
Vertaling door het Hof:
"(...) Patient [geïntimeerde] (...)
1k merk op dat de bovengenoemde patient een cva/hemiplegie heeft gehad in september 2021, voor revalidatie in het ziekenhuis opgenomen is geweest en nog steeds niet in staat is om te ondertekenen (...)."
3.9
Bij brieven van 18 maart 2022 en 25 mei 2022 is [appellante] namens [geïntimeerde]
aansprakelijk gesteld voor het onrechtmatig meenemen en verkopen van
het voertuig aan [betrokkene] en is zij gesommeerd het voertuig aan [geïntimeerde] te
retourneren.

4.Vorderingen

In dit geding heeft [geïntimeerde], voor zover in hoger beroep nog van belang, gevorderd [appellante] te veroordelen tot betaling van:
- NAf 65.000 aan schadevergoeding;
- NAf 1.000 aan aanvullende schadevergoeding;
- NAf 5.000 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.

5.Beslissingen van het Gerecht

5.1
Na tegen [appellante] verleend verstek heeft het Gerecht in het vonnis van 14 november 2022 [appellante], uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling van NAf 65.000 aan schadevergoeding, NAf 1.000 aan aanvullende schadevergoeding en NAf 2.250 aan buitengerechtelijke incassokosten. Ook is zij veroordeeld in de kosten van de procedure.
5.2
In het vonnis van 11 maart 2024 heeft het Gerecht het verzet van [appellante] tegen het vonnis van 14 november 2022 ongegrond verklaard. [appellante] is, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld in de proceskosten van de verzetprocedure.
5.3
Het Gerecht heeft overwogen dat onvoldoende onderbouwd is de stelling van [appellante] dat zij op grond van een overeenkomst tussen haar en [geïntimeerde] bevoegd was het voertuig te verkopen (rov. 4.7).

6.De beoordeling door het Hof

De grieven van [appellante]
6.1 [
appellante] heeft drie grieven aangevoerd tegen het vonnis van 11 maart 2024. Die grieven leggen het geschil in volle omvang aan het Hof voor en worden daarom hierna gezamenlijk besproken. Samengevat stelt [appellante] (in haar grieven 1 en 2) dat zij houdster was van het voertuig en op grond van de wet (art. 3:109 BW) daarom vermoed wordt het voertuig voor zichzelf, als bezitter, te hebben gehouden. Daaruit vloeit het vermoeden voort dat zij rechthebbende was (art. 3:119 BW). Dit maakte haar bevoegd tot doorverkoop van het voertuig. Wat [geïntimeerde] heeft aangevoerd levert geen tegenbewijs op. Haar derde grief richt zich tegen de ongegrondverklaring van haar verzet en de proceskostenveroordeling.
Omvang hoger beroep
6.2
In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] ook [betrokkene] in rechte betrokken. [betrokkene] heeft tegen het vonnis van 14 november 2022 geen verzet aangetekend. Zij was in de verzetprocedure dan ook geen partij meer en is dat daarom ook in dit hoger beroep niet.
Bezit voertuig
6.3 [
geïntimeerde] is deze procedure begonnen op basis van de stelling dat zij rechthebbende op het voertuig was en [appellante] om die reden niet bevoegd was tot doorverkoop daarvan. Beoordeeld moet daarom worden of [geïntimeerde], op wie stelplicht en bewijslast van haar recht op het voertuig rusten, als (hoogste) rechthebbende kan worden aangemerkt.
6.4
De bezitter van een goed wordt vermoed rechthebbende te zijn (art. 3:119 lid 1 BW). Onder bezit wordt verstaan het houden van een goed voor zichzelf (art. 3:107 BW). Of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf of voor een ander doet, wordt naar verkeersopvatting beoordeeld, met inachtneming van de regels die overigens in titel 5 van Boek 3 BW staan, en overigens op grond van uiterlijke feiten (art. 3:108 BW). Tot slot geldt dat wie een goed houdt, wordt vermoed dit voor zichzelf te houden (art. 3:109 BW).
6.5
Tegen de achtergrond van deze wettelijke regels zal nu eerst beoordeeld moeten worden of [geïntimeerde] kan worden aangemerkt als houdster van het voertuig ten tijde van de doorverkoop daarvan door [appellante] aan [betrokkene].
6.6
Als niet of onvoldoende door [appellante] weersproken kan worden vastgesteld dat de aankoopnota van het voertuig op naam van [geïntimeerde] staat, dat [geïntimeerde] de auto verzekerd had, dat het kenteken op haar naam stond, dat de aankoop van het voertuig deels (2 x NAf 25.000) door [geïntimeerde] (vanuit een tweetal rekeningen ten name van [geïntimeerde] respectievelijk [wijlen]) per bank is betaald, dat op de aankoopnota ten name van [geïntimeerde] staat dat de koopprijs (deels via de bank en deels contant) is betaald, dat partijen tot kort na het overlijden van [wijlen] samenwoonden op het perceel van [geïntimeerde] op het adres [adres] en dat het voertuig zich daar bevond. Dit alles wijst erop dat [geïntimeerde] de auto heeft betaald, op haar naam heeft geregistreerd en verzekerd en dat de auto op haar erf aanwezig was. Om die redenen kan zij feitelijk als houdster voor zichzelf van dat voertuig worden aangemerkt.
6.7
Wat door [appellante] daar tegenin is gebracht, is onvoldoende om anders te oordelen.
a.
[appellante] heeft aangevoerd dat [wijlen] en zij samen de leiding hadden en samen beslissingen namen over de dagelijkse gang van zaken in de onderneming en dat de enige betrokkenheid van [geïntimeerde] bij die onderneming was dat transacties werden afgewikkeld via een bankrekening ten name van [wijlen] en [geïntimeerde]. Niet onderbouwd is echter dat [wijlen] en/of [appellante], en met name die laatste, hebben bijgedragen in de middelen die nodig waren (NAf 66.015) om het voertuig te kopen. Evenmin is onderbouwd waarom [geïntimeerde] via haar bankrekening een deel van de koopprijs moest betalen hoewel [wijlen] zelf ook een bankrekening had (productie 12 bij pleitnota hoger beroep van [geïntimeerde], waarop [appellante] heeft kunnen reageren) en waarom het voertuig op naam van [geïntimeerde] moest komen te staan als [geïntimeerde] geen financiële betrokkenheid had bij de aankoop van dat voertuig. Aangevoerd is ook dat [appellante] zelf het contant betaalde gedeelte van de koopprijs ( NAf 16.015) heeft gefourneerd Dat is echter niet onderbouwd, bijvoorbeeld met een kwitantie of andere stukken waaruit kan blijken dat [appellante] dat bedrag heeft betaald met middelen van haar en/of [wijlen].
b.
Het voertuig is op 22 december 2021 overgeschreven bij de Ontvanger van de Belastingen met het zogenoemde roze formulier (zie 2.7 hiervoor). Volgens [appellante] was het gebruikelijk dat [geïntimeerde] dergelijke formulieren met een hele stapel tegelijk blanco tekende zodat [wijlen] en [appellante] gekochte auto’s gemakkelijk konden laten overschrijven bij de Ontvanger. Dat is gemotiveerd weersproken door [geïntimeerde]. Van enige verdere onderbouwing door [appellante] is geen sprake. Juist het feit dat [geïntimeerde] dergelijke formulieren moest ondertekenen wijst er overigens veeleer op dat [geïntimeerde] eigenares was van de voertuigen, althans dat haar financiële betrokkenheid bij aan- en verkoop de reden was voor tenaamstelling van voertuigen op naam van [geïntimeerde].
c.
[appellante] heeft, niet weersproken door [geïntimeerde], erop gewezen dat zij kort voor de verkoop aan [betrokkene] een servicebeurt aan het voertuig heeft laten uitvoeren. Meer dan dat is daarmee echter niet aangetoond. Een dergelijke actie van [appellante] past ook in het scenario dat zij meende het voertuig, waarvan zij geen houdster was, beter te kunnen verkopen.
d.
[appellante] heeft feitelijk gebruik gemaakt van het voertuig. Dat aspect van de zaak legt weinig gewicht in de schaal omdat onweersproken is gebleven dat [geïntimeerde] in september 2021 een hersenbloeding heeft gehad en vanaf dat moment feitelijk niet meer tot besturen van het voertuig in staat was.
6.8
Uit het voorgaande volgt dat [geïntimeerde] als houdster van het voortuig moet worden aangemerkt. Ingevolge artikel 3:109 BW wordt zij daarom vermoed dat voor zichzelf te hebben gedaan. Tegenbewijs staat vrij, maar in dit kader te bewijzen feiten en omstandigheden zijn door [appellante] niet aangevoerd. Om die reden wordt aan tegenbewijs niet toegekomen.
6.9
Nu [geïntimeerde] het voertuig voor zichzelf hield geldt zij als bezitter daarvan en wordt zij vermoed rechthebbende te zijn. Wat hiervoor onder 6.6 en 6.7 werd overwogen geldt ook hier: het vermoeden is door [geïntimeerde] deugdelijk onderbouwd, wat daartegen in is gebracht is onvoldoende gemotiveerd, en aan tegenbewijs wordt niet toegekomen. [geïntimeerde] geldt dus als rechthebbende.
6.1
Voor zover [appellante] heeft betoogd dat door [wijlen] en haar gemaakte afspraken met [geïntimeerde] inhielden dat zij beiden (en na het overlijden van [wijlen]: [appellante] alleen) gerechtigd waren voertuigen op naam van [geïntimeerde] aan te kopen en zonder verdere bemoeienis van [geïntimeerde] te verkopen geldt dat dit betoog onvoldoende onderbouwd is. [appellante] was dus niet bevoegd het voertuig te verkopen. Door dat toch te doen heeft zij onrechtmatig gehandeld jegens [geïntimeerde]. Haar grieven 1 en 2 missen doel.

7.Slotsom

Grief 3 mist zelfstandige betekenis. Het hoger beroep slaagt niet. Het bestreden vonnis dient te worden bevestigd. [appellante] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Die kosten worden als volgt begroot:
- verschotten: Cg 402,89 (betekening memorie van antwoord)
- salaris advocaat Cg 6.250,- (2 1/2 punten tarief 6 à Cg 2.500,- per punt)
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het tussen partijen gewezen vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 11 maart 2024;
veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en begroot deze op Cg 402,89 aan verschotten en Cg 6.250,- aan salaris advocaat;
verklaart dit vonnis ten aanzien van de uitgesproken veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijs af wat meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 18 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.