ECLI:NL:OGHACMB:2025:312

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
H-159/22
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Strafoplegging na terugwijzing Hoge Raad; toepassing volwassenenstrafrecht ondanks minderjarigheid ten tijde van de feiten; doodslag, diefstal met geweld en poging tot moord (drive-by shooting)

In deze zaak heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba op 17 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden. De zaak betreft een verdachte, geboren in 2003, die zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige strafbare feiten, waaronder doodslag, diefstal met geweld en poging tot moord. De Hoge Raad had eerder het vonnis van het Hof vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en de zaak terugverwezen voor herbeoordeling. Het Hof heeft in zijn uitspraak de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd in overweging genomen. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren en terbeschikkingstelling (tbs) met voorwaarden, waaronder klinische opname. Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte ten tijde van de feiten 17 jaar oud was, maar heeft besloten dat het volwassenenstrafrecht van toepassing is, gezien de ernst van de feiten en de ontwikkeling van de verdachte. De uitspraak benadrukt de noodzaak van behandeling en de hoge kans op recidive, wat heeft geleid tot de oplegging van tbs met voorwaarden. De uitspraak bevat ook een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partijen.

Uitspraak

Zaaknummer: H-159/22

Parketnummers: 300.09944/20, 300.00101/21, 300.03216/21 en 300.09655/21
Uitspraak: 17 december 2025
Tegenspraak

Vonnis

gewezen, na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 22 oktober 2024, op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 5 oktober 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats],
thans gedetineerd in Aruba.
Verloop van de zaak en hoger beroep
Het Gerecht heeft bij vonnis van 5 oktober 2022:
  • het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van het in zaak C onder 2 ten laste gelegde (parketnummer 300.09944/20);
  • de verdachte vrijgesproken van het in zaak C onder 1 ten laste gelegde (parketnummer 300.09944/20);
  • bepaald dat aan de verdachte ten aanzien van het in zaak D bewezen verklaarde (parketnummer 300.00101/21) geen straf of maatregel wordt opgelegd;
  • de verdachte ter zake van het in zaak A onder 1 primair en 2 (parketnummer 300.09655/21) in zaak B onder 1, 2 en 3 (parketnummer 300.03216/21) en in zaak C onder 3 (parketnummer 300.09944/20) ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek van het voorarrest met oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging (tbs);
  • beslissingen genomen ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen en de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis van het Gerecht hoger beroep ingesteld.
Het Hof heeft in hoger beroep bij vonnis van 10 juli 2023:
  • de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep met betrekking tot zaak C (parketnummer 300.09944/20) en zaak D (parketnummer 300.00101/21);
  • het vonnis van het Gerecht vernietigd en opnieuw rechtdoend de verdachte ter zake van het in zaak A onder 1 primair en 2 (parketnummer 300.09655/21) en in zaak B onder 1, 2 en 3 (parketnummer 300.03216/21) ten laste gelegde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van vier jaren met aftrek van het voorarrest en met oplegging van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ) voor de duur van twee jaren;
  • bepaald dat het Gerecht geacht wordt geen straf of maatregel te hebben opgelegd voor de door het Gerecht bewezen verklaarde feiten in zaak C onder 3 en in zaak D;
  • de teruggave gelast van in beslag genomen voorwerpen aan de rechthebbenden;
  • de vorderingen van de benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen en de daarbij behorende schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opgelegd.
Het openbaar ministerie heeft tegen het vonnis van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 22 oktober 2024 (24/00727 C) het bestreden vonnis van het Hof vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en de zaak naar het Hof teruggewezen, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan. Voor het overige is het cassatieberoep verworpen.
Omvang van het hoger beroep
Het Hof dient – gelet op het arrest van de Hoge Raad – te oordelen over de opgelegde straf en maatregelen. Al wat hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis van het Gerecht dat na terugwijzing door de Hoge Raad aan het oordeel van het Hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van het Hof van 24 november 2025.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering en het standpunt van de procureur-generaal, mr. C.D. Kardol, en van wat door de verdachte en zijn raadsman, mr. A.S. Kock, naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft ter terechtzitting ter zake van het in zaak A onder 1 primair en 2 (parketnummer 300.09655/21) en in zaak B onder 1, 2 en 3 (parketnummer 300.03216/21) bewezen verklaarde primair gevorderd dat het Hof de verdachte veroordeelt tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van het voorarrest en met oplegging van de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege. Subsidiair heeft de procureur-generaal gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest en met oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden.
Haar vordering behelst voorts de oplegging van een bij de toewijsbare vorderingen van de benadeelde partijen behorende schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft verzocht om een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen en de tbs-maatregel met voorwaarden, zoals die door Respaldo zijn geadviseerd.
Oplegging van straf en maatregel
Bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel wordt gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder dat is begaan, op de mate waarin de gedraging de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot de straffen die in soortgelijke feiten door de rechter worden opgelegd.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier ernstige strafbare feiten. Ten eerste heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een van de zwaarste delicten die het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kent, te weten doodslag. De verdachte heeft op korte afstand een geladen vuurwapen met zijn vinger op de trekker in de richting van een 19-jarige vrouw gehouden, waarna het vuurwapen is afgegaan en de jonge vrouw dodelijk in haar hoofd is getroffen. Het slachtoffer is door het handelen van de verdachte op jonge leeftijd om het leven gekomen en haar is het meest fundamentele recht dat een mens toekomt, het recht op leven, ontnomen. Ook voor de nabestaanden moet het verschrikkelijk zijn dat hun familielid is overleden door het gedrag van de verdachte. De dood van het slachtoffer heeft aan de nabestaanden van het slachtoffer een groot en onherstelbaar verlies en onnoemelijk veel verdriet toegebracht. Dit wordt de verdachte zwaar aangerekend.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een gewelddadige overval op twee mannen. Tijdens de overval zijn de slachtoffers met een vuurwapen, een mes en een honkbalknuppel bedreigd, waarbij een van de slachtoffers werd geslagen met dit vuurwapen. De verdachte is degene met het mes die de auto van een van de aangever heeft weggenomen. De verdachte en zijn mededaders hebben de slachtoffers naast financiële schade vooral angstige momenten bezorgd. Door zijn handelen heeft de verdachte een grote inbreuk gemaakt op het gevoel van vrijheid en veiligheid van de slachtoffers. Slachtoffers van dergelijke daden kunnen nog langdurig lijden onder de (geestelijke) gevolgen daarvan. Voorts kan het voorhanden hebben van wapens bij het plegen van een overval gevaarlijke situaties met zich brengen. De verdachte is aan al deze gevolgen van zijn handelen voorbijgegaan en heeft zich kennelijk alleen laten leiden door zijn streven om op een gemakkelijke manier aan geld te komen. Dit wordt hem zwaar aangerekend.
Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot moord op verschillende slachtoffers (“drive by shooting”). Nadat de verdachte en zijn mededader een groep jongens op straat hadden zien staan, zijn ze naar het huis van de verdachte gereden. Daar hebben ze een vuurwapen opgehaald en hebben ze de auto moeilijk identificeerbaar gemaakt door deze met stickers te bedekken en het kenteken te verwijderen. Vervolgens zijn ze teruggereden en hebben ze vanuit de auto meermalen op de groep personen geschoten. Vier personen zijn hierdoor gewond geraakt. Dat deze personen of omstanders niet dodelijk zijn getroffen, is een gelukkige omstandigheid die niet aan de verdachte is te danken. Slachtoffers van dergelijke misdrijven kunnen nog langdurig kampen met de (geestelijke) gevolgen daarvan.
Bij het plegen van voormelde feiten (doodslag, diefstal met geweld en poging tot moord op verschillende slachtoffers) heeft de verdachte samen met de mededader(s) een vuurwapen en munitie voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van een vuurwapen kan gevaarlijke situaties met zich brengen, zoals duidelijk is gebleken.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige delicten. Deze hebben ook de samenleving als geheel geschokt en hebben bijgedragen aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de Arubaanse samenleving.

De persoon van de verdachte

Het Hof heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte kennisgenomen van:
  • het strafblad van de verdachte;
  • een psychologisch rapport van 31 maart 2025, opgemaakt door dr. M.J.L. Boekhoudt;
  • een psychiatrisch rapport van 2 april 2025, opgemaakt door dr. D.J. Vinkers;
  • een gedragsrapportage van S. Simmons van de maatschappelijke zorg, een psychologische rapportage van de gestichtspsycholoog J.S. Maduro en een detentierapport, allen van 14 maart 2025;
  • een rapport van Fundashon Respaldo van 13 mei 2025, opgemaakt door psychiater N.A. Kingsdale;
  • een reclasseringsrapport d.d. 14 mei 2025 opgemaakt door J. Albertus-Perez;
  • een adviesrapport in het kader van de tbs-maatregel met voorwaarden van de reclassering van 1 september 2025;
  • een adviesrapport van Fundashon Respaldo van 26 september 2025 opgemaakt door psychiater N.A. Kingsdale;
  • een gezamenlijke schriftelijke toelichting van psycholoog Boekhoudt en psychiater Vinkers van 2 november 2025;
  • een schriftelijke toelichting van de reclassering over de op te leggen voorwaarden in het kader van de tbs-maatregel met voorwaarden van 17 november 2025.
Het Hof houdt rekening met het feit dat uit voornoemd strafblad volgt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld.
Uit de inhoud van de hiervoor genoemde rapporten volgt – in het kort – dat de verdachte vanaf jonge leeftijd gedragsproblematiek heeft. Hij heeft, onder meer, een traumatische jeugd gehad waarbij ruzies thuis een negatieve rol speelden. De deskundigen hebben vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, ADHD en misbruik van cannabis. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van de bewezen verklaarde feiten en hebben zijn gedragskeuzes en gedragingen beïnvloed. De psycholoog adviseert daarom toerekening in verminderde mate; de psychiater adviseert een enigszins verminderde toerekening.

Toepassing van het volwassenstrafrecht

De psycholoog adviseerde reeds in 2022 toepassing van het volwassenstrafrecht en handhaaft dit oordeel in de schriftelijke toelichting op 2 november 2025. Hij wijst daarbij op de schokkende en gewelddadige aard van de feiten, de berekende houding van de verdachte, het volwassen karakter en het weloverwogen handelen bij de gepleegde misdrijven, het uitblijven van gedragsverandering na eerdere behandelpogingen en dat de verdachte een antisociale persoonlijkheidsstoornis heeft. Daarnaast speelt mee dat de verdachte zich in de periode voorafgaand aan de feiten niet langer pedagogisch liet beïnvloeden. Hij wilde niet meer van andere volwassenen afhankelijk zijn en respecteerde hun autoriteit niet. Hij leefde feitelijk zelfstandig, verzorgde zijn eigen dagelijkse levensbehoeften en financierde zijn levensstijl via criminaliteit. De verdachte moet volgens de psycholoog beoordeeld worden als een volwassene, die zich niet meer pedagogisch laat beïnvloeden.
De psychiater adviseerde in 2022 aanvankelijk toepassing van het jeugdstrafrecht, maar heeft dit in de schriftelijke toelichting op 2 november 2025 bijgesteld. Hij geeft aan dat er inmiddels meer factoren zijn die wijzen op toepassing van het volwassenstrafrecht. Volgens de psychiater is de verdachte in detentie verhard. Daarnaast zijn alle feiten gepleegd op een leeftijd van 17,5 jaar, terwijl de verdachte toen al min of meer zelfstandig woonde in het huis van zijn grootvader. In detentie heeft het oppositionele en antisociale gedrag zich voortgezet en is de verdachte overgeplaatst naar een volwassenafdeling. Ook de psychiater acht pedagogische beïnvloeding inmiddels niet meer haalbaar of zinvol.

Recidiverisico en behandeladvies

Zowel de psycholoog als de psychiater schatten het recidiverisico als hoog in. Zij achten uitsluitend een intensieve behandeling, aangevangen met een klinische fase, geïndiceerd om het recidiverisico te verminderen. Zij adviseren daarom om aan de verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen, waarbij de verdachte dient te worden geplaatst in een forensisch psychiatrische kliniek met minimaal beveiligingsniveau 3. Een dergelijke kliniek bestaat niet op Aruba of elders in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Om die reden wordt tenuitvoerlegging in Nederland geadviseerd. Dit heeft volgens de psychiater bovendien als extra voordeel dat de verdachte een tijd niet meer op Aruba is, waar de kans op recidive waarschijnlijk extra groot is.
De psycholoog adviseerde in 2022 nog tbs met dwangverpleging, maar heeft dit in 2025 bijgesteld naar tbs met voorwaarden. Hij motiveert dit met het ontbreken van behandeling gedurende de detentieperiode, de nog steeds aanwezige antisociale en impulsieve gedragingen en het beperkte ziekte-inzicht van de verdachte. Omdat het niet aan de verdachte te wijten is dat nog geen behandeling heeft plaatsgevonden en hij bij een snelle plaatsing in een pij-inrichting inmiddels in een afrondende fase van behandeling zou hebben kunnen zijn, acht de psycholoog tbs met voorwaarden thans het meest passend. Hoewel de verdachte wisselend is in zijn uitspraken over het al dan niet meewerken aan een klinische opname, verwacht de psycholoog wel dat de verdachte daaraan mee zal werken als het Hof dit als voorwaarde oplegt. Daarbij geldt dat de mogelijkheid tot omzetting van tbs met voorwaarden naar tbs met dwangverpleging een wezenlijke waarborg vormt: deze “stok achter de deur” bevordert dat de verdachte de voorwaarden naleeft. Het hebben van een perspectief op einde van de behandeling is volgens de psycholoog voor de verdachte immers erg belangrijk. Volgens de psychiater kan tbs met dwangverpleging aangewezen zijn, indien de strafmaat de oplegging van tbs met voorwaarden niet toelaat.
Zowel de psychiater als de psycholoog achten andere mogelijke kaders – zoals bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke invrijheidsstelling – onvoldoende waarborgen bieden om het recidiverisico te verminderen.

Het toe te passen sanctiestelsel

Het Hof ziet zich, na vernietiging van de eerdere strafoplegging door de Hoge Raad, opnieuw gesteld voor de vraag of in deze zaak het jeugdstrafrecht dan wel het volwassenenstrafrecht moet worden toegepast.
De verdachte was ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten 17 jaar oud, zodat het jeugdstrafrecht in beginsel van toepassing is. Op grond van artikel 1:158 Sr kan hiervan evenwel worden afgeweken indien de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de dader en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd daartoe aanleiding geven. In dat geval kan het jeugdstrafrecht buiten toepassing worden gelaten en recht worden gedaan overeenkomstig het voor volwassenen geldende strafrecht.
Los van de nu te nemen beslissingen stelt het Hof vast dat de gang van zaken in deze procedure ongelukkig is geweest. In zijn vonnis van 2023 heeft het Hof — mede op basis van de destijds beschikbare rapportages — geoordeeld dat het jeugdstrafrecht moest worden toegepast. Dat terwijl het Gerecht in eerste aanleg een jaar eerder al had besloten tot toepassing van het volwassenenstrafrecht. Dat het Hof zich thans, ruim twee jaar later, opnieuw over de strafoplegging moet uitlaten, is niet aan de verdachte te wijten. Het aanzienlijke tijdsverloop en de ontwikkelingen die de verdachte gedurende zijn detentie heeft doorgemaakt, vormen echter onvermijdelijk factoren die in de huidige beoordeling moeten worden betrokken, waardoor de situatie thans anders ligt dan destijds.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag, diefstal met geweld en poging tot moord. Het Hof acht van betekenis dat deze misdrijven – die ieder voor zich reeds zeer ernstig zijn – binnen een tijdsbestek van twee weken zijn begaan en dat de verdachte daarbij een actieve en gewelddadige handelwijze heeft vertoond. Uit het dossier blijkt dat hij zich bewust en stelselmatig heeft ingelaten met zwaar crimineel gedrag, actief toegang heeft gezocht tot vuurwapens en binnen de groep een rol heeft vervuld die niet als naïef of volgend kan worden aangemerkt, maar als doelgericht en berekenend. De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan wijzen naar het oordeel van het Hof daarom niet op impulsieve of jeugdig-onbezonnen incidenten, maar op doelbewust, volwassen handelen.
Voorts is de verdachte inmiddels 22 jaar oud. Uit de rapportages volgt dat hij in detentie is verhard en naar een volwassenafdeling is overgeplaatst. De deskundigen omschrijven hem als iemand bij wie pedagogische beïnvloeding niet langer haalbaar is. Ook ten tijde van het plegen van de feiten beschikte de verdachte reeds over een aanzienlijke mate van zelfstandigheid: hij woonde min of meer zelfstandig in de woning van zijn grootvader, voorzag in zijn eigen levensonderhoud en liet zich volgens de psycholoog destijds al niet meer pedagogisch beïnvloeden. Het Hof acht de pedagogische doelstelling die aan het jeugdstrafrecht ten grondslag ligt dan ook niet langer passend bij zijn persoon, ontwikkeling en problematiek.
Gelet op het voorgaande is het Hof – anders dan in 2023 – van oordeel dat aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 1:158 Sr thans wordt voldaan. Het Hof acht het ongelukkig dat het aanzienlijke tijdsverloop mede ertoe heeft geleid dat de verdachte zich inmiddels in een ontwikkelingsfase bevindt waarin pedagogische beïnvloeding niet langer reëel of effectief kan worden geacht. Niettemin brengt de huidige situatie mee dat het jeugdstrafrecht geen passend of toereikend kader meer biedt. Het Hof laat daarom, in afwijking van de hoofdregel en anders dan in zijn eerdere vonnis, het jeugdstrafrecht buiten toepassing en zal recht doen overeenkomstig het voor volwassenen geldende strafrecht.

De strafoplegging

Op basis van de conclusies van de psychiater en psycholoog is het Hof van oordeel dat het bewezen verklaarde in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend, wat in strafverminderende zin zal meewegen.
Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Voorts wordt in aanmerking genomen dat de verdachte geruime tijd in voorarrest heeft doorgebracht zonder dat hem de noodzakelijke behandeling is geboden, waardoor sprake is van een aanzienlijke behandelachterstand. Het Hof acht het vanuit zowel het oogpunt van resocialisatie als van de veiligheid van de samenleving onwenselijk dat deze achterstand verder oploopt.
Gelet op het voorgaande acht het Hof een gevangenisstraf van zes jaren, mede gezien het bepaalde in artikel 1:86, derde lid Sr, passend en geboden. Deze straf doet recht aan de ernst van de feiten en maakt mogelijk dat een tbs-maatregel met voorwaarden kan worden opgelegd.

De oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden

Het Hof stelt op basis van de deskundigenrapportages vast dat bij de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, bestaande uit een antisociale persoonlijkheidsstoornis, ADHD en cannabismisbruik. De door hem begane feiten betreffen misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld. Uit de deskundigenrapportages blijkt dat uitsluitend een intensieve behandeling, aangevangen met een klinische fase, binnen het kader van de terbeschikkingstelling voldoende effectief is om het als hoog ingeschatte recidiverisico te verminderen. Gelet op de ernst van de feiten, het hoge recidiverisico en de noodzaak van behandeling om dit risico te beperken, vereist naar het oordeel van het Hof de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, oplegging van de tbs-maatregel.
In hoger beroep heeft de discussie zich met name toegespitst op de vraag of in dit geval de tbs-maatregel met dwangverpleging, zoals door de procureur-generaal gevorderd, dan wel de tbs-maatregel met voorwaarden, zoals door de deskundigen geadviseerd en door de raadsman verzocht, dient te worden opgelegd.
De procureur-generaal heeft ter terechtzitting aangevoerd dat onzeker is of de verdachte daadwerkelijk voornemens is de door de deskundigen geadviseerde voorwaarden na te leven. Volgens haar lijkt zijn bereidheid daartoe vooral ingegeven door de wens het KIA zo snel mogelijk te verlaten en – zoals het Hof begrijpt - niet uit intrinsieke motivatie om behandeling te ondergaan. Daarnaast heeft de procureur-generaal erop gewezen dat de verdachte, voor het geval de maatregel in Nederland ten uitvoer wordt gelegd, daar een wankele basis heeft zodra de klinische fase is afgerond, met name nu hij nooit eerder in Nederland heeft gewoond.
Het Hof ziet in de door de procureur-generaal naar voren gebrachte bezwaren onvoldoende aanleiding om af te wijken van het advies van de deskundigen. Uit alle rapportages volgt dat de deskundigen de tbs-maatregel met voorwaarden beschouwen als een voldoende veilig en gestructureerd kader, waarin de noodzakelijke intensieve behandeling kan worden vormgegeven, teneinde het hoge recidiverisico te verminderen. De verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep ondubbelzinnig bereid verklaard de voorwaarden na te zullen leven. Hoewel hij zich tegenover de psycholoog wisselend heeft uitgelaten over zijn bereidheid tot behandeling, verwacht de psycholoog dat hij wel tot behandeling bereid zal zijn wanneer deze plaatsvindt binnen een tbs-maatregel met voorwaarden, omdat dit hem een concreet toekomstperspectief biedt. Daarnaast vormt de mogelijkheid tot omzetting van tbs met voorwaarden naar tbs met dwangverpleging een wezenlijke waarborg voor naleving van de voorwaarden. Een tbs-maatregel met dwangverpleging ontbeert in de beginfase een dergelijk toekomstperspectief en kan de motivatie van de verdachte om aan zijn behandeling mee te werken juist belemmeren. In de rapportages ligt bovendien besloten dat de deskundigen de tbs met dwangverpleging op dit moment niet noodzakelijk achten.
Alles afwegende komt het Hof tot het oordeel dat het opleggen van de tbs-maatregel met voorwaarden, waaronder opname in een forensisch psychiatrische kliniek met minimaal beveiligingsniveau 3, het meest passend is. Deze maatregel sluit het beste aan bij het doel om het recidiverisico duurzaam terug te dringen en biedt de verdachte tegelijkertijd een reëel perspectief op behandeling en geleidelijke resocialisatie, terwijl de veiligheid van de samenleving voldoende is gewaarborgd.
Bij de vaststelling van de aan de maatregel te verbinden voorwaarden zal het Hof nagenoeg volledig aansluiting zoeken bij het voorstel van de reclassering in de schriftelijke toelichting van 17 november 2025. Enkele voorwaarden worden daarbij aangepast of weggelaten, mede naar aanleiding van opmerkingen van de procureur-generaal tijdens de terechtzitting. Verder zal het Hof de voorwaarde dat de verdachte geen contact mag onderhouden met zijn oude vriendenkring niet opleggen, nu deze onvoldoende concreet is en praktisch niet controleerbaar. De verdachte heeft op de zitting van 24 november 2025 verklaard bereid te zijn de overige voorwaarden na te leven.
De maatregel wordt opgelegd voor misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten doodslag, diefstal met geweld en poging tot moord. Dit betekent dat de totale duur van de terbeschikkingstelling, indien in de toekomst alsnog zal worden bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, geen maximum kent zolang aan de voorwaarden voor verlenging wordt voldaan.

De uitvoerbaarheid van de tbs-maatregel met voorwaarden

Het Hof is, mede gelet op hetgeen de procureur-generaal ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, van oordeel dat de mogelijke praktische bezwaren en beletselen ten aanzien van de tenuitvoerlegging niet zodanig zijn dat dit de oplegging van deze maatregel in de weg staat.
De artikelen 1:84 en 1:86 jo. 1:87 Sr voorzien uitdrukkelijk in de mogelijkheid dat een ter beschikking gestelde wordt verpleegd in een door de minister aangewezen inrichting, zowel in Aruba als elders binnen het Koninkrijk. Daarnaast volgt uit artikel 40 Statuut dat vonnissen, door de rechter in Aruba gewezen, binnen het gehele Koninkrijk ten uitvoer kunnen worden gelegd. Tot dusver is het land Aruba niet in staat geweest te voorzien in voldoende passende inrichtingen en behandelaars om terbeschikkinggestelden de nodige hulp en steun te verlenen.
Dat neemt niet weg dat het primair aan de minister van justitie is om zorg te dragen voor adequate tenuitvoerlegging van opgelegde maatregelen. De in de praktijk bestaande obstakels bij tenuitvoerlegging buiten Aruba – zoals de beperkte beschikbaarheid, logistieke en organisatorische beperkingen, kostbare en langdurige overplaatsingstrajecten en de aanzienlijke belemmeringen voor behandeling, toezicht en terugkeer in de Arubaanse samenleving – maken duidelijk dat uitvoering elders, bijvoorbeeld in Nederland, slechts als uiterste en uitzonderlijke mogelijkheid kan worden beschouwd.
Het Hof gaat er van uit dat de landen binnen het Koninkrijk alle inspanningen zullen verrichten die nodig zijn om de hierna beschreven op te leggen tbs-maatregel met voorwaarden uit te voeren. Het is niet aan het Hof om te bepalen waar dat binnen het Koninkrijk zal gebeuren.

Slotsom

Al het voorgaande afwegende, zal het Hof de tbs-maatregel met voorwaarden opleggen, naast een gevangenisstraf van zes jaar.
Gezien het bepaalde in artikel 406 lid 6 Sv zal het Hof bepalen dat de eerste rechter geacht wordt geen straf of maatregel te hebben opgelegd voor de door de eerste rechter bewezen verklaarde feiten die niet aan het oordeel van het Hof zijn onderworpen, te weten het feit in zaak C onder 3 en het feit in zaak D.
Schadevergoedingsmaatregel
In het inmiddels onherroepelijk geworden gedeelte van het vonnis van dit Hof van 10 juli 2023 is de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] toegewezen tot een bedrag van Afl. 16.070,19, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] toegewezen tot een bedrag van Afl. 4.050,-, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente. Om te bevorderen dat de door de benadeelde partijen geleden schade door de verdachte wordt vergoed, zal het Hof de maatregel van artikel 1:78 Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 1:78, 1:81, 1:86, 1:87, 1:119, 1:123, 1:136, 1:158, 2:259, 2:289 en 2:294 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Vuurwapenverordening, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Hof:
vernietigt het vonnis van het Gerecht, voor zover na terugwijzing door de Hoge Raad aan zijn oordeel onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren;

beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
gelast de
terbeschikkingstellingvan de verdachte en stelt daarbij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de volgende
voorwaardenbetreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:
  • de ter beschikking gestelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;
  • de ter beschikking gestelde verleent medewerking aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat de ter beschikking gestelde:
o zich meldt op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
o een of meer vingerafdrukken laat nemen en een geldig identiteitsbewijs toont;
o zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de ter beschikking gestelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
o de reclassering helpt aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is;
o medewerking verleent aan huisbezoeken;
o de reclassering inzicht geeft in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
o zich niet vestigt op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
o medewerking verleent aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de ter beschikking gestelde, als dat van belang is voor het toezicht;
  • de ter beschikking gestelde gaat niet naar een ander land zonder toestemming van de reclassering, zolang de reclassering dat nodig vindt;
  • de ter beschikking gestelde laat zich opnemen in een nog nader te bepalen zorginstelling, Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC), te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Een forensische setting met een toereikend beveiligingsniveau (minimaal niveau 3) is geïndiceerd. De opname start aansluitend aan de preventieve hechtenis/detentie. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De ter beschikking gestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de ter beschikking gestelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
  • de ter beschikking gestelde laat zich ambulant behandelen door een nog nader te bepalen zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Deze behandeling start aansluitend op de klinische opname. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De ter beschikking gestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
  • de ter beschikking gestelde verblijft in een nog nader te bepalen instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend op de klinische opname. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De ter beschikking gestelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
  • de ter beschikking gestelde gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak de ter beschikking gestelde wordt gecontroleerd;
geeft de reclassering opdracht aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van
Afl. 16.070,19, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 115 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2022 tot aan de dag van de voldoening;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van
Afl. 4.050,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 50 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2021 tot aan de dag van de voldoening;
bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen daarmee zijn verplichting tot betaling aan het Land in zoverre komt te vervallen;
bepaalt dat indien en voor zover (een van) de mededader(s) van de verdachte voormelde bedragen heeft betaald aan de benadeelde partijen of het Land, de verdachte in zoverre is bevrijd van voormelde verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen of aan het Land.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.W. van ’t Westeinde, voorzitter, mr. P.P.C.M. Waarts en mr. P.M. Leijten, leden van het Hof, bijgestaan door mr. E.P. Versluis, (zittings)griffier, en op 17 december 2025 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao met een directe beeld- en geluidsverbinding met het gerechtsgebouw in Aruba.